+ Meer informatie

Van de boekentafel

7 minuten leestijd

„Onderlinge dienst”, schets van gemeenschapsbeleving in de gemeente van Christus, door drs. T. Brienen, no. 33 van de uitgaven van de Chr. Geref. Lectuurstich-ting „Ds. H. Janssen”, Regentesselaan 66, Utrecht. Contribuanten van dit fonds ontvangen het boek gratis. De contributie bedraagt ƒ 5,— per jaar. Elk jaar verschijnt een uitgave. Voor niet-contribuanten bedraagt de prijs van dit boek inclusief porto- en verzendkosten ƒ 7,90.

Nadat ik bovenvermelde zakelijke mededelingen eerst genoemd heb, wil ik met veel genoegen dit boek bespreken.

Het boek is ontstaan uit een referaat op een gemeenteavond en het is begrijpelijk, dat er gevraagd wordt naar een bezinning op en een handleiding voor het omgaan als gemeenteleden met elkaar. Om die reden mag er in dit blad ook wel een wat uitvoeriger bespreking van gegeven worden.

Gemeenschapsbeleving, wat is dat eigenlijk een geweldig woord. Want, met hoevelen we ook zijn, de collectiviteit betekent juist vaak geen gemeenschap. En nu gaat het er in de kerk onder andere óók over, hoe we in een tijd, die steeds meer de vereenzaming kent, zullen mogen leven uit de overwinnende tegenkrachten van het Evangelie.

Het is wel bekend, hoe in de eerste christengemeenten de gemeenschapsbeleving een heerlijke en ook anderen aantrekkende zaak was. Ze bleven volharden in het onderwijs van de apostelen en in de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. Maar bekend is ook, hoe ook toen het gevaar en de realiteit aan de dag kwam, dat de gemeenschap kapot ging. Met handhaving van veel vroomheid was in de kerk van Corinthe de gemeenschap zoekgeraakt. En elk die ambtsdrager of meelevend gemeentelid is weet, hoe datzelfde gevaar nog levensgroot aanwezig is. Zodanig zelfs, dat er zijn, die zeggen: als je je geloof wilt bewaren, moet je niet te dicht in de buurt van een dominee komen, of moet je buiten de kerkeraad blijven.

Niet zo heel weinigen zijn toen terechtgekomen bij de verkeerde noodoplossing, dat ze „enkel voor zichzelf” naar de kerk gingen, zich zo weinig mogelijk ergens mee gingen bemoeien en het woord „gemeenschap” uit hun kerkelijk woordenboek maar schrapten. En daar komt nog bij, dat ons kerkvolk „van nature” wat individualistisch ingesteld is. Niet altijd begrepen we even goed, dat in de Bijbel het persoonlijke nooit in een concurrentiepositie staat tot het gemeenschappelijke. Het door en door bijbelse beeld van de kerk als lichaam van Christus toont ons, dat de kerk de verticale eenheid en gemeenschap met Christus oefent, maar ook de onderlinge gemeenschap van alle ledematen, levende gemeenteleden, met elkaar. Op zichzelf staande is elk lid van een lichaam ten dode opgeschreven. Het lichaam zonder het hoofd is ook dood. Wij zijn dan spoedig klaar met de vraag, of die gemeenschap en dat gemeenschappelijke dan echt wel zo nodig is. De bijbel is zo gauw niet klaar met die vraag. En vanuit dat bijbelse spreken is dit boek geschreven.

Nadat in het eerste hoofdstuk wat terreinverkenning is gegeven laat het tweede hoofdstuk bijbelse fundamenten zien. God de Here heeft de door ons verbroken gemeenschap weer hersteld. Het Oude Testament toont ons dit reeds. Maar in Christus komt dit eerst goed uit. Gemeenschap is dan ook eerst gemeenschap in Christus; nu Hij niet meer bij ons is is het gemeenschap door de Geest; daarmee is het ook gemeenschap van het Woord; zoals gezegd vindt het zijn uitbeelding in de organische gemeenschap van een lichaam en tenslotte is het gemeenschap in liefde en dienst.

Het derde hoofdstuk betrekt het ambt bij de gemeenschap. Een opmerkzame bijbel-lezer zal het niet vreemd vinden, dat dan vooral Ef. 4 binnen de gezichtskring komt. Dat prachtige hoofdstuk, waarin de een-heid en de functionering van de gemeente in Christus door de Geest en met inschakeling van de ambten ter sprake komt.

De Here Christus heeft de ambten gegeven om de gemeente toe te rusten tot dienstbetoon. Dat betekent, dat in een voorkomend geval de dominee moet kunnen zeggen: daar heb ik mijn mannetjes voor, en dat dan zo’n kerkeraadslid moet kunnen zeggen: daar heb ik mijn mannetjes (en vrouwtjes en jongens en meisjes) voor. Het ambt is er om de gemeente te doen functioneren. We kunnen ook zeggen: de ambtsdragers zijn er permanent op uit om zichzelf overbodig te maken. Een andere zaak is, of dit ooit lukken zal. Maar we zijn er wel op uit! Paulus heeft ook een doel erbij gegeven: totdat. Totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus.

In een volgend hoofdstuk, dat wat langer is, „Reële vormen”, wordt op de verscheidenheid in de onderlinge dienst ingegaan. Dit is belangrijk, omdat het hier concreet wordt. Helemaal in overeenstemming met de nieuwtestamentische differentiëring van het ene ambt wordt hier eerst het pastorale aspect van de onderlinge dienst onder ogen gezien en daarna het diaconale aspect. Het pastorale aspect is te zien in voorbede, toezicht, opbouw, troost en eensgezindheid. Het diaconale aspect vraagt niet naar de hoeveelheid van de gaven in de eerste plaats, maar des te meer om de inzet van het dienen, en het vertoont ook vele variaties in het dienen.

Dan wordt, dacht ik, hoofdstuk V het belangrijkste van het boek. De beste verhouding, waarin de gemeenschap kan worden beleeft, is die van de plaatselijke gemeente. Mogelijk, dat iemand zegt: het feit, dat ik lid ben van deze bepaalde plaatselijke gemeente, zegt me niet zo veel. Meer zegt me de gedachte, dat ik lid ben van de Christelijke Gereformeerde kerken. Plaatselijk zie ik allerlei dingen, die maken dat ik er me maar moeilijk thuis kan voelen, maar ik troost me dan met de gedachte, dat ik eigenlijk behoor bij een groter geheel. Kom ik op een schooldag of op een zendingsdag of op een jeugdtoogdag of op een ambtsdragersconferentie, dan kan ik me weer even gelukkig voelen. Maar de vraag is, of dat bijbels is. Of de eerste plaats, waar ik de gemeenschap heb te zoeken, niet mijn eigen plaatselijke gemeente is. Het is niet voor niets, dat in 1947 de naam van onze kerken in het meervoud is gesteld, geheel in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht en dat kerkrecht is in grote lijnen in overeenstemming met de Schrift. De ambtelijke taak ligt plaatselijk en de taak van elke christen ligt in de eerste plaats plaatselijk. Hoewel Brienen ook in kerkelijke verbanden taken van gemeenschap ziet, legt hij, m.i. terecht, de nadruk op de „gemeentelijke kaders”. Hij bespreekt dan achtereenvolgens: de kerkdiensten, de secties of wijken, gemeente-avonden, de kerkeraad, de verenigingen, de catechisaties, de groepen of commissies (commissies voor onderling contact, diaconale werkgroep, commissie van beheer, studiegroep) en tenslotte de kringen. In dit laatste opzicht is het boek heel bijzonder: op het oprichten en de werking van kringen in de gemeente wordt diep ingegaan en dat kan van veel concreet belang zijn (bijbelkring, gesprekskring, gebedskring, planning, programmering, leiding). Vooral voor deze uitwerking van gemeentelijke gemeenschapsvorming is dit boek, dacht ik, speciaal aan te bevelen. Wie gedacht heeft, dat alles wel heel ideaal is ingedacht en opgezet, vindt dan in hoofdstuk VI mogelijke nuances en in hoofdstuk VII dreigende gevaren besproken. Er is veel verschil in historie, grootte, groei of achteruitgang en geaardheid van een gemeente en dat laatste in allerlei opzicht, geestelijke ligging, milieus, geografische mentaliteit en aanraking met moderne verschijnselen. Verder is er de inwerking van de zonde, van karakter- en mentaliteitsver-schillen en het gevaar, hierboven besproken van uitgesproken individualisme en benadrukt collectivisme.

Een slothoofdstuk noemt tenslotte nog de perspectieven voor eigen geloofsleven, voor de wereld waarin we leven en voor de toekomst waar we allen heen gaan.

Wie dan nog vindt, dat de relatie van de christenen tot de wereld slecht aan haar trekken is gekomen, moet bedenken, dat het er in dit boek speciaal om ging, de gemeenschapsbelevmg naar binnen te bespreken.

Ik geloof, dat de schrijver daar heel goed in is geslaagd. Belangrijk vind ik, dat we in de eerste plaats plaatselijk onze taak hebben. Ook, dat hij ertegen waarschuwt, het werk van groepen en kringen in de gemeente niet buiten de kerkeraad te houden en geen onderonsjes te hebben, waardoor de opbouw van het lichaam niet gediend maar geschaad zou worden.

God heeft ons in „de gemeente” een wonderschoon geschenk en een grote opdracht gegeven, met niets te vergelijken en daarom ook met niets gelijk te schakelen.

Dit boek moge mee helpen aan de vreugde, lid, levend lid, van de gemeente te mogen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.