+ Meer informatie

GERUISLOZE VERANDERING IN DE VISIE OP HET AMBT

8 minuten leestijd

(vervolg op het artikel van dr. J.W. van Pelt in maart 2005 als het eigene van het ambt als ‘tegenover’ in de gemeente)

HET HOGE VAN HET AMBT

Dat ‘tegenover’ komt voort uit de unieke plaats die ambtsdragers van God gekregen hebben. Christus wil in de regering van zijn kerk gebruikmaken van zijn Woord en van mensen die namens Hem met dat Woord optreden. Die lijn loopt door het hele nieuwtestamentische getuigenis (via discipelen en apostelen naar oudsten in de christelijke gemeente, Mat. 28:19, Joh.20:21, Gal. 1:1, Hand. 20:28). Door de ambtsdragers wil Christus zijn gemeente regeren en weiden. Zij hebben dus een hoge roeping. Het NT noemt hen: gezanten van God (2 Kor. 5:20), uitdelers van de genade van God (1 Kor. 4:1), mannen van God (2 Tim. 3:17) en leidslieden en voorgangers van de gemeente (1 Thess. 5:12,17). Deze hoge roeping vervullen ze niet in eigen kracht: er loopt volgens de bijbel een rechtstreekse lijn van de ambtsdragers naar de Here Jezus Zelf. Zijn Geest spreekt door hen en het is zijn kracht, zijn werk. Ambtsdragers zijn gezanten van Christus en zij mogen handelen in zijn naam. Hij verleent hen daartoe de volmacht (Luk. 10:16, Math. 10:40, Math. 16:19, Math. 18:18).

Het gaat dus om iets bijzonders, namelijk een mogen vertegenwoordigen van je Zender, Christus Zelf. In zijn naam en met zijn Woord de gemeente mogen regeren en verzorgen — een heel hoge en verantwoordelijke positie, ook een heel mooie. Ouderlingen worden in het NT aangespoord om als herders opzicht te houden over de gemeente als de kudde. Een beeld dat God in het OT voor Zichzelf gebruikt en dat de Here Jezus in het NT op Zichzelf toepast, gebruikt Hij ook voor zijn dienaren! Dat is wel iets om stil van te worden. Herder mogen zijn in naam van de Goede Herder… dat is een voorrecht.

TOCH MOEILIJKHEDEN ROND FUNCTIONEREN VAN HET AMBT

Hoe komt het nu dat het door velen helemaal niet zo beleefd wordt als een voorrecht? Veel gemeenten kennen moeiten rond het vervullen van de vacatures voor de ambten. Gemeenteleden staan in onze tijd echt niet meer voor een ambt in de rij (Ambtelijk Contact 42e jaargang 2003, p. 331–340). Kerkenraden kunnen soms nauwelijks tweetallen stellen en vragen zich vanwege de vele ontheffingsaanvragen af of ze eventuele kandidaten dan maar van te voren moeten polsen over hun bereidheid. Daarbij komt dat voor veel ambtsdragers het vervullen van hun ambt ook lang niet altijd als een voorrecht voelt. Vaak geeft het een grote werkdruk. Naast gezin en baan moet het werk meestal in de avonden gebeuren. En die blijken vaak gevuld te worden met lange vergaderingen, soms over zaken waarvan de noodzaak niet direct gevoeld wordt. Allerlei commissies en groepen vragen om leiding; organisatorische kwesties (gebouwen, personeel, regelingen) vragen aandacht, wat ten koste gaat van geestelijke zaken. Daarnaast is de behoefte aan individuele pastorale aandacht en zorg vanuit de gemeente toegenomen. Veel ambtsdragers hebben het gevoel onvoldoende in hun wijk aan het werk te zijn, maar weten niet hoe ze nog meer tijd voor bezoeken vrij moeten maken. Zo blijft er een gevoel van tekortschieten, terwijl er veel uren in het ambtswerk gestopt zijn. En dan is er nog een mondige gemeente, die veel van ambtsdragers vraagt. En niet altijd zó dat dit recht doet aan hun hoge positie. Er is een voortdurende vraag naar verantwoording van het gevoerde beleid, revisie van genomen besluiten, een standpunt van de kerkenraad over allerlei nieuwe gedachten en meningen. En wanneer het antwoord niet bevalt, wordt het soms hoog gespeeld. Of… men trekt zich er niets van aan. Kortom: de mooie woorden over de hoge positie die ambtsdragers mogen hebben lijken soms helemaal niet op de werkelijkheid in de gemeente.

DIEPERE PEILING: VERANDERDE VISIE OP HET AMBT

Wat ligt daar nu achter? Ik moest denken aan een artikel uit het Nederlands Dagblad van 5 februari jl., over het ambt van predikant. De auteur, A. Geluk, beschrijft daarin hoe dominees tegenwoordig over van alles en nog wat ter verantwoording worden geroepen. Hij zegt in dat verband: De predikant is geen dienaar Gods meer, maar een werknemer van de gemeente. En iedereen die een euro in de collectezak gooit, is aandeelhouder van de BV Kerk en denkt inspraak te hebben. In de huidige maatschappij heeft dat tot gevolg dat dominees die niet voldoen aan de eisen van de gemeente al snel misprijzende woorden naar hun hoofd krijgen. En in die eerste zin kon wel eens iets van de kern van het probleem zitten: de manier waarop naar het ambt gekeken wordt, is veranderd. Ambtsdragers, de kerkenraad, gezien als een soort bestuur, waar je als leden van de kerk je eisen neer kunt leggen en je kritiek op kunt loslaten. Dat is een bestuurlijke manier van denken die langzamerhand in de gemeenten een plaats heeft gekregen. Op zich is dat niet zo verwonderlijk, omdat ook in onze samenleving zaken als organisatie en management heel belangrijk zijn geworden. Het hangt samen met de complexere samenleving waar we in leven. Maar het is niet bijbels om zo tegen de ambten aan te kijken. Prof. C. Trimp zegt in zijn collegedictaat ‘Inleiding in de ambtelijke vakken”: wie ’laagker-kelijk’ het ambt maakt tot een bestuursfunctie uan de gemeente, miskent de roeping van Christus en maakt de gemeente tot een zelfgenoegzaam religieus genootschap. De gemeente wordt dan een vereniging, met leden die uiteindelijk de dienst uitmaken en een bestuur dat alles in goede banen moet leiden. Maar zo spreekt de bijbel niet. Ambtsdragers zijn geen bestuursleden of representanten van de gemeente. Een ambtsdrager is geen knecht van de gemeente, maar knecht van Christus! En in eerste en laatste instantie aan zijn Zender verantwoording schuldig.

Hiermee samenhangend is er in de gemeenten ook een democratische manier van denken gekomen. Bijvoorbeeld in de gedachte dat de kerkenraad in zijn beleid toch eigenlijk wel gebonden is aan wat de meerderheid van de gemeente wil. De emancipatie- en democratiseringsgolf die de samenleving overspoeld heeft, heeft de kerk niet overgeslagen. Als echte postmoderne mensen hebben ook kerkmensen grote moeite met gezagsverhoudingen. In de samenleving is het onaanvaardbaar dat een kleine elite de dienst zou uitmaken: ieder heeft recht op medezeggenschap. In het verlengde daarvan zie je dat de als elitair ervaren positie van ambtsdragers onder kritiek ligt: in plaats van een nadruk op de ambten zou het ambt aller gelovigen veel meer moeten functioneren! Die gedachte sluit aan bij de visie van de gemeenteopbouw-beweging die de laatste jaren een steeds grotere plaats in de gemeenten heeft gekregen. Die heeft enerzijds bijbelse noties onder de aandacht gebracht (zoals het gebruik maken van de in de gemeente aanwezige gaven en talenten), maar anderzijds een stuk onbijbels denken in de gemeente bevorderd. De oorspronkelijke beweging heeft namelijk een aantal invloeden uit de samenleving in zich opgenomen, zoals de al genoemde nadruk op bestuur en management, maar ook een stuk individualisering en democratisering. En hiermee heeft zij naar mijn overtuiging een aanzienlijk aandeel gehad in een langzamerhand veranderende visie op het ambt. Want het zijn juist deze twee elementen, democratisering en een bestuurlijke manier van denken, die belangrijke componenten van die veranderde visie zijn.

EIGEN AANDEEL VAN DE KERKENRAAD HIERIN

De vraag is of kerkenraden die veranderende visie soms niet zelf bevorderen. Bijvoorbeeld door in het pastoraat steeds meer gebruik te maken van wijkteams, waarin ambtsdragers en gemeenteleden door elkaar heen bezoeken afleggen en waarin het onderscheid tussen ambtelijk bezoek en een bezoek in het kader van onderlinge gemeenschap steeds minder gevoeld wordt. Of, wat ook gebeurt, waarin ouderlingen zelf geen pastoraat meer doen, maar alleen nog maar de wijkteamleden aansturen in hun bezoekwerk. Hoe zouden zij zo herder kunnen zijn zoals de bijbel daarover spreekt? Of door bestuurlijk werk van pastoraal werk te scheiden: een moderamen met vergaande eigen bevoegdheden; of een splitsing tussen bestuurlijke en wijkouderlingen. Bevorder je daar niet mee dat (zeker de bestuurlijke) ouderlingen in de praktijk toch gaan functioneren als bestuur van de kerk? Maar zo is er een wezenlijk deel van hun ambt verloren gegaan!

HOE OM TE GAAN MET DE VERANDERDE VISIE OP HET AMBT?

Het is in ieder geval van belang om op het wezenlijke bijbelse spreken over het ambt te blijven letten. Dat betekent in onze tijd waarschijnlijk in de eerste plaats een stuk onderwijzing. Zowel richting gemeente als binnen de kerkenraad. Het is als ambtsdrager goed om helder voor ogen te hebben hoe het ambt bedoeld is. Dat is een bemoediging voor jezelf, maar het is ook nodig om op een goede manier geestelijk leiding te kunnen geven. In de tweede plaats betekent het ook: als ambtsdragers het goede voorbeeld als herder in de naam van de Here geven, ook al is de gemeentelijke praktijk soms weerbarstig. En in de laatste plaats zal een kerkenraad ook gewoon rekening moeten houden met de tijd waarin we leven. Dat wil zeggen: geen regenteske houding, geen vanzelfsprekendheden, maar een principiële doordenking van besluiten en veel uitleg en verantwoording aan de gemeente. Daar is niets mis mee. Net zomin als met het gebruik maken van de gaven die er binnen de gemeente zijn. Integendeel, de Here geve het dat het zo in de gemeente mag functioneren!

Mevr. Renkema is lid van de gemeente van Haarlem; zij is afgestudeerd aan de Theol. Universiteit in Apeldoorn, met het vak kerkrecht als hoofdvak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.