+ Meer informatie

IS (WORDT) DE TECHNIEK ONS NOODLOT?

19 minuten leestijd

Inleiding

De vraag in de titel veronderstelt, dat we door de moderne techniek worden bedreigd en dat het gevoel heerst, dat die bedreiging niet kan worden gekeerd. “Worden we het slachtoffer van de techniek?”, zo zouden we ook kunnen vragen. En in welke zin dan?

Merkwaardig genoegen werd die vraag vroeger niet gelsteld. Vandaar misschien ook wel de voorkeur voor de vraag of de moderne techniek ons noodlot wordt, in plaats van dat zij dat is. Vroeger spraken we veel meer lovend over de techniek. We hadden het over ‘de triomf van de techniek”, ‘de wonderen van de techniek’, ‘de eeuw van de techniek’, ‘de vooruitgang van de techniek’. En dat was ook niet verwonderlijk. Heeft de moderne techniek niet vele Verbeteringen gebracht in wonen, werken, gezondheid en onderwijs bijvoorbeeld? Wie onze tijd vergelijkt met een paar eeuwen terug, zal de zegeningen van de techniek niet willen missen. In materieel opzicht is het leven door de ontwikkeling van de moderne techniek ongetwijfeld verrijkt.

In onze tijd wordt de keerzijde echter steeds duidelijker ervaren. De moderne techniek confronteert ons met grote problemen: Is de mens nog wel baas over de techniek? Heeft hij nog macht over de macht van de techniek? Neemt zij niet veel arbeid van de mens af en is zij niet de oorkzaak van veel werkloosheid? Is de mens wel in staat zijn vrijheid en verantwoordelijkheid te dragen? De technische ontwikkeling kent een enorme dynamiek, die opgezweept schijnt te worden. Hebben we niet met een autonome, eigenwettige macht te maken, waaraan de mens weliswaar zijn bijdrage levert, maar waarover hij niets meer te zeggen schijnt te hebben. En dan de dreiging die van bepaalde technieken uitgaat, zoals kernenergie en genetische manipulate. Zijn we er zo zeker van dat die technieken zich niet tegen de mens keren? Gaan ze de maat van de mens niet te boven als bijvoorbeeld radioactief afval van kerncentrales zeker vier eeuwen beschermd moet worden bewaard? En heeft de techniek ook niet veel ontwrichting veroorzaakt in de omgeving van de mens? Het milieu is vervuild en de natuur ontwricht en verstoord. Per dag sterven een paar plante- en diersoorten uit. Ook in het groot wordt de dreiging ervaren. De aantasting van de ozonlaag, de zure regen, het broeikaseffect zullen bij voortgaande ontwikkeling een mondiale dreiging inhouden. Zal de aarde de belasting die door de techniek wordt veroorzaakt, straks nog wel kunnen dragen?

Misschien dat veel mensen buiten de techniek veronderstellen dat niet zij, maar de ingénieurs de techniek wel in de hand hebben. De techniek zal haar eigen problemen toch wel kunnen oplossen? Natuurlijk doen ingénieurs hun uiterste best, maar ook in hun kringen is de vraag naar het noodlottige karakter aan de orde. Ingenieurs zijn vaak specialisten, die een kleine bijdrage aan de ontwikkeling leveren, maar het geheel beslist niet meer overzien.

In elk geval mag duidelijk zijn dat in onze tijd de nadelen de voordelen schijnen te overtreffen. Maar als de vraag aan de orde komt, of we de techniek dan niet zodanig van richting kunnen veranderen dat de balans wordt hersteld, blijkt elk poging om verandering aan de brengen te stranden.

Wat is techniek?

Wat is er dan toch met de technische ontwikkeling aan de hand? Om op die vraag een antwoord te kunnen geven, moeten we eerst weten wat ‘techniek’ is, wat ‘moderne’ techniek is. In tegenstelling tot de ambachtelijke techniek is de moderne techniek gestempeld door de wetenschap. Dat komt vooral daarin tot uiting dat in de moderne techniek de methode van de wetenschap in de voorbereidingsfase wordt gebruikt, zodat straks de technische dingen en processen zoveel als maar mogelijk is, automatisch verlopen. Moderne techniek omvat dus, zo zou je kort kunnen samenvatten, een wetenschappelijk-technische beheersingsmethode en het geheel van technische dingen en processen. Als er over die techniek wordt nagedacht maakt men meestal geen nadere onderscheidingen en doelt men op het hele complex als men over ‘technologie’ spreekt. In dat woord komt wel vooral tot uiting dat er een verstrengeling heeft plaats gevonden tussen wetenschap en techniek. Vandaar ook dat vele wijsgerige stromingen ten onrechte geen verschil maken tussen wetenschap en techniek. Dat verschil is er wel degelijk. In de wetenschap gaat het om universele kennis van de werkelijkheid, in de techniek om het vormen van de werkelijkheid. In de moderne techniek krijgt die vorming vanwege de wetenschap universele kenmerken. En daar rieht men zijn kritiek dan ook meestal op.

Zo is voor de Franse christen-denker, Jacques Ellul, de techniek als het geheel van Instrumenten en beheersingsmethoden autonoom: zij volgt haar eigen wetten en verplicht degene die ze gebruikt, zich aan haar eisen aan te passen. Die autonome techniek breidt zich uit, versterkt zich in intensiteit, krijgt een totalitair karakter en is als zodanig wereldomvattend. Ellul benadrukt dat de techniek door informatietheorie en computer een systeem van middelen is geworden, waarin elke verandering in één van de onderdelen van het systeem het gehele systeem verandert. Dat komt omdat er geen doelgerichtheid meer aanwezig is. Dit technisch systeem woekert in de maatschappij voort als de kanker. De natuur en de mensen en hun verbanden worden daarvan het slachtoffer. Door de vervreemding die het technische systeem veroorzaakt, merken de mensen dit echter niet op. Integendeel, ze willen alle problemen met de techniek oplossen.

Wijsgerige visies

Verschillende wijsgerige stromingen hebben zich met het verschijnsel van de moderne techniek beziggehouden. Nog altijd zijn er Optimisten die denken dat de mens de problemen met nieuwe technieken, zoals bijvoorbeeld de informatie- en computertechniek, wel zal kunnen overwinnen. Sommigen spreken over de problemen als ‘kinderziekten’ van de techniek. Deze Optimisten vinden we in de kringen van positivisten en systeemdenkers. Hun levensbeschouwing is die van het materialisme. Zij zien zichzelf als de gangmakers of stuurders van de techniek en de anderen als consumenten.

Alle andere wijsgerige stromingen keren zich tegen positivisten en systeemdenkers. Ze zijn met betrekking tot de techniek niet optimistisch, maar pessimistisch gestemd.

Existentialisten zien de technische ontwikkelingen als een noodlot, dat de mens zijn vrijheid ontneemt. De filosoof Heidegger spreekt zeer bewust over de techniek als een noodlot, dat alles en iedereen tot technisch object maakt. Ook de mens zelf wordt meer en meer gemanipuleerd. Heidegger verwijst daarbij naar de technische methoden van de organisatie. Vandaag zou hij kunnen verwijzen naar de zogenaamde reproduktietechnieken - wat een verschrikkelijk technisch woord voor een zo bijzonder wonderlijke zaak als de menselijke voortplanting. In de in vitro fertilisatie - de reageerbuisbevruchting - en streks de genetische manipulatie van de mens, strekt de techniek zich vanaf het begin van de menswording uit naar een zo gezond mogelijk lang leven. Wie de beschouwingen daarover leest, krijgt de indruk dat men mensen wil maken met een garantiebewijs.

Natuurlijk proberen existentialisten aan de greep van de techniek te ontkomen. Ze pleiten voor een - existentiële - vrijheid van de mens, die de grenzen van het technisch manipuleerbare overschrijdt. In zekere zin pleiten ze daarmee voor een mens die zich naar binnen keert, zijn innerlijk zoekt, omdat er buiten hem en in zijn lichamelijkheid niets meer aan de technische beheersing ontkomt.

De neomarxisten komen op voor een maatschappelijke revolutie, om op die wijze de technische overmacht weer ondergeschikt te maken aan de revolutionaire ideeën van de mens. Na een korte en hevige belangstelling behoort deze stroming al weer tot de verleden tijd, want hun revoluties bleken weinig succesvol. Terecht heeft hun leider Marcuse al vroeg geconstateerd dat de technische manipulatiedrift zo sterk is, dat ze zich ook zal keren tegen elk verzet ertegen en wel zodanig dat ze dat verzet in haar beweging opneemt, zodat de manipulatie toeneemt en de gemanipuleerde werkelijkheid wordt versterkt en uitgebreid.

Denkers van de tegencultuur, van een cultuur die alternatief is in verhouding tot de technische cultuur, willen die technische cultuur niet revolutionair omverwerpen, maar ondermijnen. Een daadwerklijk alternatief voor de grootschalige, dynamische en universele techniek moet zich kenmerken door kleinschaligheid, stabiliteit en het unieke en bijzondere. Zo’n tegendraadse cultuurhouding blijkt het echter niet verder te brengen dan een enclave in het grote technische geheel. Per slot van rekening verandert er weinig.

De vertegenwoordigers van de New Age-beweging keren zich scherp tegen de oppervlakkigheid van het materialisme dat met de technisch gemanipuleerde werkelijkheid samengaat. Zij zoeken geestelijke diepgang en gaan daarbij te rade bij alle mogelijke religies en ideeën, die mensen hebben bedacht. Soms zijn ze echter nog zo technisch ingesteld, dat ze materiële techniek willen aanvullen met - wat ze dan noemen - geestelijke technieken. De westerse cultuur is volgens hen te eenzijdig materieel technisch. Daar komen de problemen en dreigingen vandaan. Indien de technische methode zich ook rieht op de beheersing van de geest, zal de materiële techniek ondergeschikt worden gemaakt en zullen we van haar dreiging worden verlost.

De allerlaatste beweging in de ontwikkeling van de filosofie - het postmodernisme -keert zich af van de bewegingen die de technische cultuur hebben voortgebracht. Men keert zich vooral tegen de Verlichting. Tegenover grootse vooruitgangsconeepties en daarmee een voorstelling of voorspelling van de toekomst van de cultuur, met veel aandacht voor de ontwikkeling van wetenschap en techniek, vraagt het postmodernisme aandacht voor de mens in al zijn verscheidenheid, voor zijn subjectiviteit en individualiteit. Het postmodernisme lijkt zich zo te keren tegen het modernisme. Maar wie enigszins dieper kijkt, komt tot een merkwaardige conclusie. De industriële cultuur met een overwegende invloed van de wetenschap via de techniek op die cultuur, is een genivelleerde en gefragmentarisserde cultuur. De oorspronkelijke verbanden in de samenleving zijn verscheurd. Dat is de achtergrond van de maatschappelijke verbrokkeling. Vanuit het modernisme gezien is dit een debâcle. Het postmodernisme maakt van deze nood echter een deugd. En sluit daarom ook uitstekend aan bij de nieuwste technische mogelijkheden van de informatietechniek zoals de digitale snelweg en de “Virtual Reality”. De overweldigende hoeveelheid informatie, die aangeboden wordt, mist samenhang, is gefragmentariseerd en leidt tot desoriëntatie. Werd vroeger van een centrale technocratie gesproken, nu is er eerder reden om te spreken van een anarchistische technocratie. De technische macht is overal present, maar vindt nergens meer een centrum. De technische ontwikkeling schijnt verantwoordelijke mensen uit te sluiten. In de struetuur van de moderne techniek ligt voor het postmodernisme de aanleiding om verantwoordelijkheid voor die techniek te ontlopen, maar de mogelijkheden van die techniek tegelijk wel ongenormeerd of normloos uit te buiten. Ook deze postmoderne ‘ervaring’ werkt de visie in de hand dat we met de moderne techniek als een noodlot te maken hebben.

Techniek en secularisatie

In zekere zin zoeken al deze wijsgerige stromingen een oplossing voor de bedreiging van de moderne techniek. Het uitgangspunt daarvoor is echter de mens zelf. Al wordt dat uitgangspunt dan ook weer verschillend ingevuld. Wat dat betreft kun je zeggen dat het allemaal seculier georiënteerde reacties zijn op de technisch gemanipuleerde werkelijkheid en de problemen en dreigingen daarvan. Hoe verschillend ook, ze blijven uitgaan van de autonome, eigenmachtige mens.

Daarmee ben ik toegekomen aan een beslissend punt. De vraag namelijk: hoe reageren christenen in de technische maatschappij? Weinig christen-filosofen en -theologen houden zich met de technische maatschappij bezig. En voorzover ze dat doen, benadrukken zij dat de technische maatschappij ook een geseculariseerde maatschappij, een goddeloze maatschappij is. Terecht, er is een onontkoombare relatie tussen de hoge vlucht van de techniek en de godloosheid of secularisatie van de cultuur. Indien over ontkerkelijking, godsverduistering, verberging van God of het zwijgen van God wordt gesproken zonder de relatie te leggen met de diepste achtergrond en motieven van de technische cultuur, zijn we wereldvreemd bezig. Of misschien beter gezegd: indien we de secularisatie niet onverbrekelijk zien samengaan met de technische cultuur, zijn we waarschijnlijk in de greep van de technische cultuur.

Dat zullen we moeten analyseren. Ik begin daartoe met de geestelijk-historische achtergrond van de technische cultuur te schetsen en eindig met de vraag hoe wij als christenen meestal in die cultuur staan en erin zouden moeten staan.

Geestelijk-historische achtergrond

Vanzelfsprekend is het hier niet de plaats om uitvoerig in te gaan op de geestelijk-historische achtergrond van onze technische cultuur. Samengevat komt die erop neer dat de filosofen en wetenschappers van na de Middeleeuwen zich steeds meer los hebben gemaakt van God en Zijn Woord. De filosoof wilde autonoom, eigenmachtig en onafhankelijk zijn. In die positie van ‘heer en meester’ keek hij naar heel de werkelijkheid als een te beheersen, een in de greep te krijgen werkelijkheid. Hij ging de werkelijkheid interpreteren alsof zij een ‘machine’ is. Zo keek de eerste moderne filosoof Descartes naar de natuur. Later wordt ook de staat als een machine of mechanisme gezien, weer later wordt de maatschappij geïnterpreteerd als een ingewikkelde machine, en nog weer later, in onze tijd, wordt de mens als zodanig geïnterpreteerd en bijvoorbeeld vergeleken met een informatieverwerkend systeem of met een computer.

Aanvankelijk bleef deze ‘technische blik’ beperkt tot de kringen van filosofen en wetenschappers. Maar die grondhouding werd in de geschiedenis van filosofie en wetenschap in de loop van de tijd wel uitgebreid en versterkt. Pas in onze tijd, na de Tweede Wereldoorlog, breekt die geesteshouding door naar de praktijk van alle dag. Pas dan ook worden de resultaten ervan zichtbaar in de gigantische ontwikkeling van de moderne techniek. Omdat velen zich aan de resultaten ervan vergapen en als het ware voor het eerst - en dat geldt in elk geval voor de grote massa - de vruchten van de technische ontwikkeling plukken, voegt men zich kritiekloos. Men wordt er volledig door in beslag genomen. Een materialistische gezindheid maakt zich meester van velen.

In deze benadering heb ik tot nu toe geen aandacht gegeven aan de economie. Meer dan eens wordt de economische ontwikkeling gezien als de drijvende kracht achter de technische cultuur. Vanzelfsprekend valt de invloed van de economische ontwikkeling niet te miskennen. Maar dan moet wel worden ingezien dat die economie zelf door het wetenschappelijk-technische beheersingsdenken al gestempeld is. We spreken daarom ook wel van de ‘tunneleconomie’ of van het ‘mechanisme’ van de moderne economie. In die terminologie wordt aangegeven dat de economie een wetenschappelijktechnisch stempel draagt, en dus het economisch proces geredueeerd wordt tot het technische produktieproes. In die economie wordt vergeten dat we ook economisch behoren om te gaan met mensen, met de natuur en het milieu. Juist omdat we dat vanuit de invloed van de ‘technische blik’ niet hebben gedaan, worden we in onze tijd met zulke grote problemen geconfronteerd, zo groot dat het schijnt dat we er geen invloed meer op kunnen uitoefenen of macht over kunnen krijgen.

Je kunt ook zeggen dat de geestelijke achtergrond van onze cultuur zich eeuwenlang heeft kunnen versterken en in onze tijd een zodanig massaal stempel zet op bijna alle ontwikkelingen, dat én vanwege die massaliteit en de daarmee inherente dynamiek, én vanwege de lange tijd unkritische houding er tegenover, er nu geen duidelijke invloed ten goede meer op kan worden uitgeoefend. Daarbij komt dan nog eens dat men ook die geestelijke-historische achtergrond niet onderkent, en daar dus zelf van in de greep is. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat men alle problemen van onze tijd meestal weer met de wetenschappelijk-technische beheersing wil oplossen.

Positie christenen in de technische cultuur

Ook christenen hebben zich meer dan eens - veelal onwetend en onbewust - bij de ontwikkeling van de cultuur aangesloten. De belangrijkste reden daarvoor ligt in het feit dat de moderne techniek het leven in materieel opzicht enorm heeft verrijkt en men dit zonder meer als zegen aanvaardde. Ondertussen werd met het zich toeëigenen van de vruchten van moderne wetenschap en techniek de geest ervan niet kritisch of niet kritisch genoeg op afstand gehouden. Ook christenen kwamen daardoor meer en meer in de greep van wat ik dan kortheidshalve maar noem, de ‘technische blik’. Alles en iedereen werd daarvan het object. Het voert te ver om dat bijvoorbeeld duidelijk te maken van heel wat moderne theologie. Maar mijn stelling is dat zelfs de theologie in alerlei moderne varianten het stempel draagt van de mens die pretendeert ‘ heer en meester’ van de werkelijkheid te zijn en in zijn theologisch denken orde op zaken meent te moeten stellen in Gods Openbaring. Meer dan eens blijkt die theologie het resultaat van een construetief, technisch denken te zijn, in plaats van een resultaat van gelovend en dankend denken, wat zij zou behoren te zijn.

Indien deze tendens inderdaad als de werkzame wordt gezien, wordt duidelijk dat de secularisatie of de Godsverduistering te maken heeft met de infectie van de christelijke grondhouding met een technicistische geest. Wordt die geest niet als oorzaak onderkend, dan wordt de technische ontwikkeling en wat daarmee samenhangt - heel onze technische cultuur! - als een onontkoombare ontwikkeling of zelfs noodlottige ontwikkeling beschouwd of ervaren, waaraan geen ontkomen mogelijk is.

Heroriëntatie

Daarmee zijn we aan onze laatste vraag toegekomen. Wat behoort de positie van de christenen in de technische cultuur te zijn en kan die ook worden geëffectueerd, zodat de ontwikkeling van de techniek een andere loop neemt?

In plaats van de positie van de mens als die van ‘heer en meester’ te aanvaarden, behoren we terug te keren naar de positie van de mens als verantwoordelijk tegenover God, de mens als dienstknecht, als een door God geroepene.

De hoofdbeweging in onze cultuur is dat alles om de mens cirkelt; God is dood. En vanuit die positie wordt ook alles op de mens betrokken. Hij wil alles naar zijn hand zetten en met de techniek alle problemen oplossen en zo in materiële welvaart toenemen. Alle dingen moeten uit en tot de mens zijn.

De Bijbel wijst ons een andere richting. Alles is uit, door en tot God (Rom. 11:36). De mens onvangt alles van God, om vervolgens in liefde tot God en in liefde tot de naaste alles in dienst van God te stellen. Dat is een tegenovergestelde levensbeweging. In zo’n beweging wordt de techniek niet als een noodlot aanvaard. Ook de techniek is een gave van God en dient in het licht van de gerechtigheid van het Rijk van God ontwikkeld te worden. Dat wil zeggen, omdat alles van God afhankelijk is en gericht behoort te zijn op Zijn Rijk, wordt er afstand gedaan van de verabsolutering of verafgoding van de techniek. De mens kan door de techniek niet verlost worden. Een technisch paradijs ligt niet in het verschiet. Een christen leeft niet van de techniek, maar behoort er dienstbaar mee te zijn. “Wat baat het een mens indien hij de hele wreld won ( - en dat is de geest van het technicisme - ES), maar schade leed aan zijn ziel?” (Markus 8:36).

Door terugkeer naar het Woord als bron van alle wijsheid, het Woord dat de schepping tot aanzijn heeft geroepen en verlost, wordt de moderne techniek gerelativeerd. Niet de wensen, de mogelijkheden en verlangens van de mens, maar de erkenning dat de moderne techniek mogelijkheden in Gods schepping biedt, geeft een zinvol perspectief. De mens behoort zich met die techniek te voegen naar de goddelijke wereldorde Daaraan is in de Reformatorische Wijsbegeerte door de analyse en ontsluiting van de normatieve struetuur van de werkelijkheid veel aandacht gegeven. In de hypertechnologische cultuur zal de actualiteit daarvan steeds groter blijken te zijn. De implicaties ervan zijn dat de techniek wordt gerelativeerd en tegelijk in een breder ethisch kader wordt geplaatst dan gangbaar is. Dit implieeert een groot aantal normen, die ik nu niet de revue zal laten passeren.

Wel moet de vraag aan de orde komen of die positie van de christen een keer ten goede in de technische ontwikkeling kan veroorzaken. Om op die vraag een goed zicht te krijgen zou ik willen zeggen dat een christen zowel realistisch als radicaal dient te zijn. Christelijk realisme houdt in dat niet de mens, maar God zelf het Koninkrijk brengt. Deze interventie van God voorkomt dat de christen zowel realistisch als radicaal dient te zijn. Christelijk realisme houdt in dat niet de mens, maar God zelf het Koninkrijk brengt. Deze interventie van God voorkomt dat de christen te hoge gedachten koestert; hij houdt zich verre van door de mode of de tijdgeest voortgebrachte ideologieën en afgoden. De christen leeft weliswaar in de wereld, maar is niet van de wereld: zijn blik is gericht op het hemelse Jeruzalem. Hij zoekt hier geen blijvende stad (Heb. 13:14).

Het christelijk radicalisme bestaat in het trouw blijven aan het mensbeeld dat Christus ons heeft geopenbaard. Niet de liefde van de macht, maar de onmacht van de overgevende liefde dient de mens te beheersen. Door deze radicaliteit wordt het kwade overwonnen door het goede. De christen biedt weerstand en houdt afstand tot de machten, en loopt op het goede moment vooraan als de machten kwetsbaar zijn geworden, om dan de scheef gegroeide situatie recht te trekken. Juist in zulke situaties moeten we ons op God richten, want Zijn schepping is in het geding. Hij regeert en oordeelt. En moeten de dreigende catastrofes van de technische maatschappij niet als oordelen van God verstaan worden? Oordelen die de mens oproepen om een andere weg met de techniek te gaan? Niet ervan weg vluchten. Dan bevorder je wat je bestrijdt. Daaraan ontkomen christenen m.i. meer dan eens niet.

Een andere houding in de techniek aannemen in noodzakelijk. We leven niet voor die techniek, maar kunnen er toch dienstbaar mee zijn? Dan komt er ruimte voor de zin van de techniek en een heroriëntatie in de richting van die zinvolle techniek.

Samengevat, zoals overal in het leven gaat het ook in de techniek om de doorwerking van het christelijk geloof en om een strijd van motieven en normen. Daarom: zou een ethiek van de techniek niet meer aandacht moeten vragen voor normen voor een gezonde techniek en voor de menselijke verantwoordelijkheid om aan die normen te beantwoorden?

Ten diepste gaat het in ons werk om het eschatologisch perspectief, dat niet gebonden is aan menselijke activiteiten, verbeteringen en perfectionisme. Met Christus is de eeuwigheid doorgebroken in de menselijke wereld: de genade wint het in Hem van de noodzakelijkheid van deze wereld, van de ervaren noodlottigheid van de techniek. Aan het eind van de geschiedenis zal er de totale doorbraak van Godswege zijn. Wie zich aan die zin van de geschiedenis oriënteert, vat moed om het mislukte werk op elk moment opnieuw op touw te zetten, anders valt hij ten prooi aan noodlottigheid, aan zinloosheid en nihilisme.

Uitgebreider dan in dit artikel kon gebeuren, wordt het onderwerp belicht in mijn “Het ‘technische paradijs’ - om de gebrokenheid van heel de schepping”, Kok, Kampen 1995, 2de druk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.