+ Meer informatie

Enkele opmerkingen over de beschouwing van de gemeente

7 minuten leestijd

1. Dit artikel wil beslist met meer zijn dan het maken van een paar opmerkingen. Een enigszins afgerond „verhaal” over de beschouwing van de gemeente zou veel meer ruimte vragen dan toegestaan is; het is de bedoeling van de redactie dan ook niet, dat alles in één artikel gezegd wordt, maar gewoon, dat het gesprek wat op gang wordt gebracht of — waar het al (weer) op gang is, nog een enkele stimulans ontvangt.

2. We dienen ons goed bewust te zijn, dat de beschouwing van de gemeente van het grootste belang is voor onze arbeid als ambtsdragers. Het antwoord op de vraag, hoe wij de gemeente beschouwen is sterk bepalend zowel voor de inhoud als voor de methode van onze arbeid in de gemeente.

Hierbij wil ik niet vergeten dat ook de gemeente zelf de methode van bearbeiding ten dele bepaalt; daarmee bedoel ik niet, dat de gemeente ook beslissen moet over de vraag, hoe het werk moet gebeuren — dat aspect blijft hier helemaal buiten bespreking —, maar dat de aard en het karakter van de gemeente ook meebeslissend is.

Om het met een voorbeeld duidelijk te maken: men kan heel mooie theorieën opzetten over de opvoeding van kinderen, maar die opvoeding zal ook mede bepaald worden door het antwoord op de vraag, welke kinderen opgevoed moeten worden: eigen kinderen, weeskinderen, verwaarloosde kinderen etc.

Er wordt in één gemeente soms een serie preken gehouden over de zeven brieven aan de zeven gemeenten — en dat kan best — maar uit die zeven brieven blijkt heel duidelijk hoe verschillend de gemeenten zijn.

3. In dit artikel zou ik het pleit willen voeren voor een confessionele realistische beschouwing van de gemeente. Evenals bij „christelijke gereformeerde” kerk gelieve U beide woorden te zien als bijvoegelijke naamwoorden. Het woord confessioneel is al voldoende, want de belijdenis spreekt realistisch over de kerk. Door het woord realistisch apart te noemen wil ik alleen benadrukken, dat het realisme van onze belijdenis ook in de beschouwing (en dus ook bij de bearbeiding) van de gemeente verdisconteerd moet worden.

4. Zonder ook maar enigszins naar volledigheid te streven, zou ik de volgende punten karakteristiek willen noemen voor de „kijk” van de confessie op de gemeente:

a. de gemeente is een gemeenschap van gelovigen.

b. typerend voor de belijdenis is, dat gelovigen in dit verband gezien worden als mensen, die staan in de activiteit en de strijd van het geloof.

Om — ter illustratie — een paar uitdrukkingen te eiteren, het zijn enerzijds mensen, die getekend worden met een voltooid deelwoord (gewassen zijnde, geheiligd en verzegeld), maar anderzijds ook mensen, die sterk getypeerd worden door woorden, die op een actief bezig zijn wijzen (verwachtende; de zonde vlieden, de gerechtigheid najagen; strijden, de toevlucht nemen etc. (zie art. 27 - 29); die activiteit en strijd komt ook heel duidelijk uit in de Dordtse leerregels.

c. Niet alle bijbelse noties betreffende de kerk komen in de belijdenis even sterk naar voren. Ik denk b.v. aan het feit, dat de Schrift zo dikwijls spreekt over de kerk als „lichaam van Christus”. Ik zou niet graag beweren, dat dit in de confessie helemaal niet aan de orde komt, maar m.i. niet zo naar vorenspringend als in de H. Schrift. Het is dus raadzaam om, wanneer we als ambtsdragers denken over de kerk, óók ons af te vragen, wat de Bijbel ons wil zeggen, wanneer hij spreekt over de kerk als lichaam van Christus, volk van God etc.

d. het réalisme van de confessie is een bijbels realisme;

daarmee bedoel ik, dat de gemeente als geheel gezien wordt vanuit het geloof in het spreken van de Schrift over de kerk; m.a.w. de belijdenis heeft niet eerst naar de gemeente gezien, om dan vanuit de praktijk van het gemeentelijke leven het een en ander te gaan belijden, maar de confessie heeft gesproken nadat ze geluisterd heeft naar de woorden Gods.

Dat aandachtig luisteren maakt het ons juist onmogelijk een afgerond systeem van denken over de kerk op te bouwen uit de belijdenis.

Om maar één ding te noemen: uit het slot van artikel 27 Ned. Gel. Bel. zou men kunnen opmaken, dat alleen de 7000, die de knieën voor Baäl niet gebogen hadden, de kerkuitmaakten, terwijl men ánderzijds toch ook niet vol kan houden, dat de belijdenis alleen de uitverkorenen beschouwt als leden van de gemeente, hoewel we zeker moeten blijven vasthouden aan het feit, dat de verkiezing een zeer belangrijk element vormt in de gereformeerde = confessionele gemeentebeschouwing.

Uiteraard kan ook dit gegeven nog weer naar twee kanten uitgewerkt worden, zoals de geschiedenis heeft aangetoond, maar dat laten we nu ook rusten.

5. Kortheidshalve zou ik deze opmerkingen willen besluiten met een waarschuwing tegen een drietal gevaren; dat lijkt mogelijk wat negatief, maar het is mede zo gedaan om het juiste midden te houden; en dan niet het kleurloze juiste midden, waarvandaan je dan ook nog alle kanten op kunt, maar het bijbels juiste midden, vanwaaruit de bearbeiding van de gemeente zoveel mogelijk tot haar recht komt en geen eentonige, kleurloze zaak is, maar een rijke, boeiende en hoogst verantwoordelijke bezigheid.

a. Het eerstc gevaar is het verwaarlozen van het realisme, dat onze confessie typeert. Men ziet de gemeente meer in zijn totaliteit dan als gemeente van Christus en trekt daaruit de conclusie, dat nu ook elk van die leden aangesproken moet worden op zijn christen zijn in de diepe en volle betekenis van dat woord. Bekering is dan alleen nog maar nodig in de zin van voortgaande bekering; strijd is dan alleen maar strijd tegen de zonde en geestelijke groei verschraalt dan tot een groeien in het vervullen van de regel der dankbaarheid.

(Uiteraard kan men ieder van deze woorden ook goed, bijbels uitleggen, maar een goed verstaander heeft hier maar een half woord nodig).

Het is een gevaar, waarop in onze kerken vaker gewezen is. Dat houdt echter niet in, dat deze waarschuwing nu overbodig zou zijn.

b. Het tweede gevaar is, dat men precies het omgekeerde doet, en van de gedachte uitgaat, dat slechts enkele mensen in de kerk de wezenlijke gemeente van Christus vormen en dat de anderen, ondanks hun gedoopt zijn en ondanks de belijdenis, die ze aflegden, in feite toch maar onbekeerde wereldlingen zijn. Een appel op hun belijdenis wordt door deze beschouwing onmogelijk gemaakt; maar wat nog veel erger is, dikwijls wordt ook ons appel op Gods onwankelbare beloften onmogelijk gemaakt! Ook deze beschouwing is niet van gisteren of eergisteren, maar men kan daarvan evenmin zeggen, dat ze uitgestorven is. Het kan hier heel heilzaam zijn eens biddend en aandachtig te lezen, hoe de Here zijn volk aanspreekt. Niet alleen in het nieuwe —, maar ook in het oude testament.

c. Een derde gevaar, dat — hoewel het ook zijn wortels in een ver verleden heeft — in deze tijd bijzonder acuut is, is het gevaar, dat men de gemeente beschouwt als een verzameling mensen, die wat moeten gaan doen; gelovig zijn betekent dan alleen of vrijwel alleen, Christus navolgen. Dit is een beschouwing, die momenteel zijn duizenden verslaat en naar mijn vaste overtuiging verwoestend is voor de kerk.

Uiteraard kan ook deze beschouwing maar summier worden aangeduid.

Ik weet, dat Jakobus — en niet hij alleen — ook geloofsgehoorzaamheid vraagt. Maar dat is dan ook geloof sgehoorzaamheid; waar het wezenlijke van het geloof niet meer gezien wordt, wordt ook het wezenlijke van de gehoorzaamheid niet meer gezien.

Het is mij ook bekend, dat deze beschouwing in allerlei variaties voorkomt: vanaf bijna confessioneel tot bijna-niet-meer-christelijk, maar we moeten het bij deze grove typeringen laten.

6. Wie er wat dieper over nadenkt komt tot de slotsom, dat de drie genoemde gemeentebeschouwingen één ding gemeenschappelijk hebben, namelijk, dat ze mensen het evangelie ontrooft en hen terugbrengt onder de wet.

In het eerste geval wordt een onbij-bels Sterke nadruk gelegd op wat wij wel moeten doen.

Wie het serieus neemt, moet permanent op de tenen lopen of wordt geestelijk overspannen.

In het tweede geval moet een bepaalde wettisch getinte traditie de mensen bijeen houden, omdat een innerlijke gemeenschap ontbreekt.

In het derde geval is het evangelie helemaal weer vervangen door de wet.

Is het een wonder, dat de vreugde gaat verdwijnen???

De wet is een harde meester.

Daarom zou men — al is het misschien wat al te simplistiseh gesteld — kunnen zeggen: dáár is de juiste, bijbelse gemeentebeschouwing, waar heel de ambtelijke arbeid, ook van de ouderlingen en de diakenen, doortrokken is van het brengen en doorgeven van het heii in Christus.

Van die Christus, die vrij en blij maakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.