+ Meer informatie

TER OVERWEGING

7 minuten leestijd

J. Clement, Een met God. Christelijk holisme. Uitg. Kok, Kampen 1992. 118 biz. f 19,90. De auteur geeft in dit boek de raakvlakken aan tussen het bijbelse en het holistische denkmilieu. Volgens de auteur ontmoeten christendom en holisme elkaar in het eenzijn met God, met onszelf, met onze medemensen en met de hele kosmos. Het is een denkwijze die, hoe vriendelijk de taal ook is, niet correspondeert met de reformatorische taal (zonde, Godsbeeld, het verlossingswerk van Christus, het als mens staan in deze wereld). Het is dan ook een denkwijze die niet de onze mag zijn. De schrijver poogt in zijn boek christenen warm te maken voor het holisme. Hij doet dat op een aardige wijze en een niet-kritische lezer zal al gauw aangeven dat er inderdaad veel overeenkomsten in zitten. De inhoud van het boek geeft goed weer waaruit het holistisch denken bestaat.

Ds. Jan Mudde, Kostbaar en kwetsbaar. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1992. 67 blz. f 13,50.

De auteur, van Nederlands-gereformeerde huize, heeft een uitermate goed boek geschreven over de liefde tussen een jongen en een meisje en alles wat daarmee samenhangt. Onderwerpen die aan de orde komen zijn: verkering, omgang met seksualiteit, seksualiteit in verkeringstijd, trouwen of samenwonen. Hij bespreekt deze onderwerpen op een openhartige, moderne wijze, zonder een moment klef te worden of te moraliseren. De taal is hedendaags en is aansprekend. Het uitgangspunt is de Bijbel en de overtuiging dat de bijbelse leefregels nog voluit het naleven waard zijn. Een goed boek voor onze kinderen, die met al deze dingen geconfronteerd worden of reeds zijn.

Drs. K. Exalto, De bekering. Een pastorale benadering. Uitg. Kok, Kampen 1992. 87 blz. f 19,50.

In dit boekje, voortgekomen uit lezingen gehouden voor leden van de hervormd-gereformeerde bond, stelt de schrijver een aantal zaken aan de orde over bekering. Wat is bekering; welke verscheidenheid is er in bekeringen; moeten wij het tijdstip van bekering weten en wat is ware bekering en schijnbekering. Het begrip bekering wordt eerst vanuit de Bijbel bekeken en daarna vanuit de kerkhistorie. Zowel de bekering van Augustinus als van Luther, Calvijn en Bunyan komen aan de orde. Bekeringen met eigen karakter. In het laatste hoofdstuk gaat hij nader in op de vraag:’Ben ik wel ècht bekeerd?’ Hoe kan ik zeker weten dat ik gelovig en bekeerd ben?

Ds. J.H. Velema, Veelvuldig vragen naar de weg (7e deel). Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1992. 142 blz. f 22,50.

Op de radio, in de EO-rubriek ‘vragen naar de weg’, geeft ds. Velema iedere week antwoord op hem gestelde vragen. Uit de vele vragen is een selectie gemaakt naar vier thema’s (Bijbeluitleg, rondom de leer van de kerk, geloofsleven en christelijk leven) die in dit boekje worden behandeld. Elke vraag, het zijn er in totaal twintig, krijgt een beantwoording van enkele bladzijden. Aan het eind staan enkele gespreksvragen. Veel vragen die gesteld worden, zullen allicht ook leven bij ons. Het is dan interessant om te zien hoe de auteur op die vragen ingaat. De beantwoording is vaak opbouwend. Het boek leent zich goed voor persoonlijke bezinning of bespreking in gespreksgroepen.

Drs. A. Tol en dr. K.A. Bril, Vollenhoven als wijsgeer. Inleidingen en teksten. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1992. 378 blz. f 59,50.

Vollenhoven (1892 - 1978) geldt, te zamen met H. Dooyeweerd, als grondlegger van de reformatorische wijsbegeerte. Vollenhoven was een zelfstandig denker, hetgeen geldt voor zowel zijn visie op de geschiedenis van de wijsbegeerte als voor zijn eigen standpunt, de systematische wijsbegeerte. In het eerste deel van deze uitgave stelt drs. A. Tol de systematische wijsbegeerte aan de orde. Kernthema’s daarbij zijn de antropologie, de leer van de tijd, de evolutie en de geschiedenis. In dit deel zijn tien artikelen van Vollenhoven opgenomen, waarvan er vier nooit eerder werden gepubliceerd. Elk artikel wordt door een inleiding toegankelijk. In het tweede deel introduceert ds. K.A. Bril de specifieke visie van Vollenhoven op de geschiedenis van het wijsgerig denken, die bekend is als de probleemhistorische methode. Na een uitvoerige inleiding, die deze als moeilijk bekend staande methode doorzichtig maakt, volgen twee artikelen van Vollenhoven, die successievelijk een schets bieden van de opeenvolgende perioden in de wijsbegeerte en van de achtergronden van de moderne mensbeschouwing.

Ds. Tj. Boersma, Midden in de Eindstrijd. Een praktische uitleg van Openbaring. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1992. 220 blz. f 27,50.

De auteur heeft de bedoeling gehad om met dit boek een praktische verklaring te geven van het boek Openbaringen. Hij beschrijft dat we midden in de eindtijd leven en dat de kerk bezig is met de eindstrijd, aangevoerd door Koning Christus. De opzet is zodanig gekozen dat het boek ook leesbaar is voor jongeren en dat het gebruikt kan worden in gesprekskringen of bijbelstudiegroepen. Het is een prettig leesbaar boek, waarbij er telkens sprake is van een duidelijke uitleg van teksten. Het lezen van dit boek is erg plezierig en voor hen die nog met veel vragen zitten over het boek Openbaringen is het aanbevelenswaardig.

J.D. Brouwer-de Boer e.a., Een eeuw Christelijk Gereformeerd in Kampen 1893 - 1993.

Uitg. Chr.Geref.Kerk, Kampen. 187 blz. f 39,-.

Het is langzamerhand haast een gewoonte geworden om bij een herdenking van het zoveel-jarig bestaan van een gemeente een gedenkschrift uit te geven waarin de geschiedenis van die gemeente meer of minder breed en diepgaand wordt behandeld. De kerk van Kampen stelde een exemplaar van haar gedenkboek ter aankondiging beschikbaar voor ons blad. Allereerst: hartelijk dank voor deze geste! Niet elke jubilerende kerkeraad denkt in dezen aan ambtelijk contact via ons blad! Dan: het boek is keurig uitgegeven en inhoudelijk interessant niet alleen voor de leden en oud-leden van de gemeente, maar ook voor allen die het belang van de plaatselijke kerkgeschiedenis ter harte gaat. Zes scribenten laten ieder een facet van die geschiedenis zien, doorgaans op een boeiende wijze, merkbaar op een eigen wijze. Opmerking: de compositie had iets sterker gekund, want vooral de eerste drie hoofdstukken tellen nog wel eens doublures. De ‘frontale aanvaring’ op blz. 18 wordt op blz. 55 een ‘verrassende ontmoeting’ genoemd, maar de desnoods verkorte inhoud van wat de Kamper Kerkbode en De Wekker in dezen publiceerden, ontbreekt. Hier en daar was enige correctie ook nodig geweest: ds. B. van den Berg ‘volgde de predikantenopleiding’ zeker niet ‘in Apeldoorn’ (16). Een nadenkertje: ‘Wanneer er extreem naar een bepaalde richting werd getrokken, ontstonden er spanningen in de gemeente’ (59). Dat er in deze honderd jaar lieden zijn geweest die de kat in de kerkelijke gordijnen wisten te krijgen, blijkt helaas ook in de Kamper gemeente het geval te zijn geweest. De ‘kleine’ kerkgeschiedenis laat al evenzeer als de ‘grote’ zien dat God wel mensen inschakelt, maar dat mensen hun moeiten met elkaar hebben! En de kerk blijft een teken van Gods genade en trouw!

L.J. van Valen, De Rotssteen van mijn hart. Het leven van ‘Rabbi’ Duncan. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen. 187 blz. f 42,50.

Dit boek beschrijft het leven en het werk van een in ons land vrijwel onbekende Schotse theoloog (1796 - 1870), die jarenlang de Free Church als hoogleraar diende en ook onder de joden in Hongarije heeft gewerkt. Met kennis van zaken geeft de schrijver een biografie van deze geleerde die nogal eens last had van ‘mentale afwezigheid’ (127). Soms is het moeilijk te onderscheiden waar de schrijver aan het woord is en waar hij de beschrevene aan het woord laat. De ‘hang naar zelfbespiegeling’ (37) en wat dat voor de beleving van het geloof betekent, wordt breed en van vele kanten beschreven. Telkens weer komen de ‘kenmerken’ aan de orde. Volgens de schrijver bewaarde Duncans ‘hang naar de mystiek hem voor een doorvloeien in zijn logische denkkracht en omgekeerd behoedde zijn intellect hem voor verzanding in onbestendige gevoelsuitingen’ (129). Interessant is ook wat er over Duncans werk in Hongarije wordt verteld (49 - 61) en over diens visie op Israël (152 - 161). Al wordt vrij consequent alleen over joden en joods gesproken, Duncan had hen beslist niet afgeschreven. De hem blijkbaar gegeven bijnaam ‘Rabbi’ wordt op bijna elke bladzijde gebruikt, maar de reden om die te geven wordt nergens toegelicht. Was het om zijn ‘baardig’ voorkomen (126) als van ‘een Joodse rabbijn’ (55)? De bijnaam heeft in elk geval nogal indruk gemaakt getuige de nergens ontbrekende aanhalingstekens.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.