+ Meer informatie

Het boek over de ouderling voor ouderlingen 2

9 minuten leestijd

3. Een boeiende interpretatie

Men kan niet ontkennen, dat dr. Van Ginkel geen visie heeft. op het ambt van ouderling en op de kerkregering. Hij heeft een uitgesproken mening hierover en houdt deze ook vol door heel zijn dissertatie heen. In zijn aan de promotie voorafgaande persconferentie — een unicum in de theologische wereld?7) — bleek deze visie al onomwonden. O.i. heeft Van Ginkel niet de stof laten spreken tot vorming van een visie, maar laat hij eigen visie buik spreken bij de verzameling van de stof en bij het trekken van conclusies uit die verzameling en blijft hij overal aan zijn voorafingenomen standpunt trouw. Dat geeft inderdaad iets boeiends aan zijn interpretaties, want zijn visie loopt als een rode draad door alle hoofdstukken heen. Daarom kan hij het eerste en laatste hoofdstuk niet missen en kan deze dissertatie die niet missen.

Zijn visie nu is: De gemeente moet alle gelegenheid gegeven worden verantwoordelijkheid te dragen voor haar eigen functioneren naar binnen en naar buiten. Dit doet ze via haar ouderlingen. Want de ouderlingen zijn de typische vertegenwoordigers van de gemeente. Trouwens, dit is volgens Van Ginkel het principe van de presbyteriale kerkregering. Daarom moet aan de ouderlingen een breder erkenning van hun ambtelijke verantwoordelijkheid gegeven wordenen. Het niveau van de kerkregering moet verlaagd en zo het zichzelf regeren van de gemeente verhoogd worden. De hoge opleiding en vorming van vele gemeenteleden in deze tijd én de in de maatschappij bestaande tendens tot democratisering zullen bepaald bijdragen om langs deze weg een structuur te scheppen, waarin de gemeente waarlijk het onderwerp wordt van haar regering en haar activiteiten. Dit kan als 1. aan de ouderlingen ook de bediening van Woord en sacramenten wordt toevertrouwd, 2. de ouderling meer deskundig kan worden, 3. de terminering, dat is de beperking van zijn ambtswerk tot enige jaren vervalt, en 4. de honorering mogelijk wordt (blz. 298). Zo zal er een verandering van de bestaande vormen van het ouderlingenambt in de kerken ontstaan (blz. 299). Vooral de positie van de kerk in de huidige wereld brengt mee, dat een andere structuur gewenst is. De kerk moet het democratiserings-, wil men nivelleringsproces, dat zich in de maatschappij voltrekt, kunnen volgen (blz. 309, 310). Dat dit alles mogelijk is en op verantwoorde wijze realiseerbaar binnen kerken van het gereformeerd protestantisme, komt door de ruimte die de presbyteriale kerkorde in haar eigenlijke opzet biedt. Want deze kerkorde ziet juist de ouderling opkomen als tegenwicht tegen elk hiërarchisch streven in de kerken en als vertegenwoordiger van de gemeente en drager van haar activiteiten. Dat deze ruimte er in het presbyteriale systeem van kerkbesturing is, wijst Van Ginkel aan met de gegevens van heel zijn boek. In het licht hiervan is boeiend te zien, hoe hij met de gegevens van de openbaring der Schriften opereert en met de gegevens in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme én hoe hij niet passende gegevens weg-interpreteert.

Wie eenmaal de visie van Van Ginkel heeft ontdekt, merkt ook hoe boeiend hij dan omgaat met zijn materiaal en ze op interessante wijze op deze ene noemer weet te zetten. Nu bestrijden we hem het hebben van een eigen visie niet, maar wel de pretentie, dat in dit licht alle gegevens gezet moeten worden en dat er geen andere visie mogelijk en zelfs meer verantwoord is.

4. Een duidelijke misgreep

Zo bijvoorbeeld, als hij weergeeft, wat het N.T. leert t.a.v. de oudsten of ouderlingen. Heeft Van Ginkel hier een juiste tekening van de situatie in de eerste christelijke gemeenten gegeven? Is het waar, dat Paulus de organisatie van de synagoge niet heeft willen overnemen vanwege haar nog sterke verbondenheid met het joodse wetticisme? Heeft Paulus inderdaad de doorbraak bewerkt naar een zuiver democratische structuur van de gemeente en alleen zijn eigen apostelambt als een monarchisch element zien staan tussen de Heer en zijn gemeente? (blz. 34). Is het juist, dat naar Paulus’ brieven uit de eerste tijd de oudsten niet functioneren als door de apostel aangestelde ambtsdragers? (blz. 36). Wat dan met de mededeling van Lukas in Hand. 14: 23, dat Paulus oudsten aanstelde in elke gemeente van Galatië? Van Ginkel redeneert dit weg door te zeggen, dat we reden hebben te twijfelen aan de historische betrouwbaarheid van Lukas’ mededeling, maar hij noemt die reden niet! Wat ook te zeggen van die gegevens uit Paulus’ brieven, die t.a.v. de oudsten niet-democratisch klinken? Dan luidt de oplossing, dat Paulus zich in de helleenschristelijke gemeenten op den duur heeft aangepast aan de organisatie van de joods-christelijke gemeenten en via deze aan die van de synagoge!! (blz. 36).

Zo wordt een democratiseringsprincipe en een aanpassingselement al ingelezen in de gegevens van het N.T. en zo worden hier al openingen gemaakt om eigen visie in te passen. Binnen een andere benadering echter spreken dezelfde gegevens een andere taal8).

Dit geldt ook t.a.v. de historische overzichten in het boek. Hij stelt dat alle reformatoren zich min of meer aanpasten aan de bestaande situatie, dat zij de ouderling zagen als een tegenwicht tegen de hiérarchie en als een echt gemeenteambt en dat zij het ouderlingenambt niet instelden vanwege gevoelde schriftuurlijke noodzaak, maar dat het in de praktijk ontleend werd aan bestaande structuren in het maatschappelijke leven en dat het pas achteraf bekleed werd met een gezag, dat gedekt moest worden met een beroep op de Schrift. Er is al aangetoond, hoe dit t.a.v. Bucer toch anders ligt9). Wij willen dit aanwijzen t.a.v. Calvijn uit wat Van Ginkel zelf over hem zegt. Op blz. 132 luidt het: Calvijn interpreteert de praktijk van de eerste eeuwen naar zichzelf toe, alsof inderdaad de bisschop en de presbyter van toen dezelfde waren als de dienaar des Woords en de ouderling van Genève. In zijn gebruik van de N.T.se gegevens projecteert hij de situatie, waarmee hij in Genève worstelde, in de teksten die hij behandelt. Op blz. 144 staat te lezen: Het ouderlingenambt, zoals het in Genève is gerealiseerd en doordacht, waarna het vele kerken tot voorbeeld heeft gediend, is niet tot stand gekomen, omdat men het als een gebod van God zag om het in te stellen … Men kan zeggen, dat de bijbelse fundering van dit ambt op misleiding berust. Dit zijn van Van Ginkel niet-mis-te-verstane woorden. Maar is deze tekening juist? Zo ja, hoe kan hij dan op blz. 135 schrijven: Calvijn heeft zijn ambtsleer verstaan als op goddelijk gezag gegrond en daarmee ook het ambt van ouderling. Dit laatste is te duidelijk voorgeschreven in de Schrift, dan dat hij het op een lijn zou hebben willen stellen met al die andere zaken, die voor hem goddelijke én menselijke instellingen zijn. De presbyteriale kerkorde is voor hem echt wel een instelling van God! Ook willen we wijzen op wat Van Ginkel zegt op blz. 146: Ten aanzien van het ouderlingenambt valt tegenover Boon nog aan toe te voegen, dat dit én bij Bucer én bij Calvijn een echt ambt bedoelt te zijn, niet voortkomend uit het algemene ambt der gelovigen — daar spreken zij nooit van —, maar uit de roeping Gods.

Juist vanuit dit besef zijn de reformatoren steeds bezig geweest om het gegeven van het N.T., de wil van God, gerealiseerd te krijgen tegenover de overheden, die het anders wilden. Nooit aflatend hebben de reformatoren gevochten voor de inrichting van de kerkregering naar het gebod van God. Dat ze zich aanpasten aan de mogelijkheden in hun tijd en in het toenmalige maatschappelijk bestel, was uit nood en tijdelijk, doch als het enigszins kon structureerden ze het gemeentelijke leven naar het N.T.se model.

5. Algemene beoordeling

Is het ouderlingenambt inderdaad situationeel gebonden, zoals Van Ginkel ons tracht te doen geloven met zijn behandeling van de bijbelse en historische gegevens, dán kan hijzelf zijn gang gaan met de in (= aan)passing van dit ambt in de huidige mee door de maatschappij bepaalde opvattingen over de structuren van kerkorde en -regering.

Hierbij verliest dan het N.T. door een moderne herinterpretatie zijn normatief karakter en wordt weggeschreven het feit, dat de reformatoren een onaflaatbare strijd hebben gestreden om, wat zij in het N.T. lazen als ouderlingenambt, verwerkelijkt te krijgen in hun tijd tegen de wil van de overheid en tegen de nawerkingen van de Roomse hiérarchie onder eigen tijdgenoten. Het was bij hen geen aanpassing, maar een worsteling tot realisering van Christus’ wil ten aanzien van de besturing van zijn gemeente door de ambten, waaronder de ouderlingen. Juist het ouderlingenambt is er van Christus’ wege tot toerusting van de gemeente. Wie het ouderlingenambt verlaagt, ontneemt de gemeente haar gezagvolle toerusting. In de structuren van Christus’ kerk zijn termen als democratisering of nivellering vreemde zaken, die er naar haar aard niet thuis horen en nooit in te passen zijn. In de gemeente geeft Christus de ambten tot toerusting. Die zetten de gemeente nergens op non-activiteit, maar geven de gemeenteleden juist de volle ruimten, de sterkste stimulansen (namens Christus) tot hun dienstbetoon onderling en hun christelijke levenswandel naar buiten tot zegen der naasten 10).

Zo zet het boek van Van Ginkel ouderlingen aan tot een hernieuwde bezinning op hun eigen plaats en functie overeenkomstig de wil van Christus en midden in zijn gemeente. We achten dit de grote waarde van het doornemen van dit boek. Het roept weerspraak op, maar prikkelt ons tegelijk tot nadere bezinning.

Door de voortreffelijke samenvattingen aan het eind van elke belangrijke uiteenzetting wint het boek aan waarde en dient het de genoemde bezinning.

Al is onze visie en ons uitgangspunt een andere nl. dat het ouderlingenambt naar het N.T. door Christus is ingesteld om namens Hem de gemeente te besturen, te vermanen, op te wekken enz. en deze lijn hebben de gereformeerden trachtten door te trekken in hun tijd, toch zijn we dankbaar voor het materiaal dat Van Ginkel geeft tot nadere opscherping van ons denken over de ouderling en de presbyteriale kerkorde.

7) Zie over deze persconferentie: Ned. Dagblad, 31 Jan. 1975.

8) Zo heeft prof. dr. L. Floor, Die presbiter by Lukas en Paulus, in: Theol. Ref. Jrg. XVIII no. 1 maart 1975, blz. 21 vv., erop gewezen dat er ten deze geen tegenstelling tussen Paulus en Lukas geconstrueerd mag worden. Vgl. voor een totaal andere verwerking van de N.T.se gegevens dan bij Van Ginkel Ph. J. Huijser a.w. blz. 7 vv.

9) Zie prof. dr. W. van ’t Spijker a.w. pag. 14, kol. 4 vv.

10) Vgl. mijn: Onderlinge Dienst, Utr. 1969, blz. 22 vv.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.