+ Meer informatie

Samenwonen

10 minuten leestijd

Een probleem

Het komt steeds vaker voor dat jongelui zonder getrouwd te zijn met elkaar gaan samenwonen. De statistieken maken duidelijk dat het aantal huwelijken in Nederland afneemt. Dat zal niet het gevolg daarvan zijn, dat men elkaar niet meer nodig heeft of elkaar niet meer zoekt als levenspartner. Het zal veeleer gevolg zijn van het toenemend aantal echtscheidingen en van het feit dat men het niet meer nodig vindt om officieel te trouwen. In allerlei kringen wordt hierover gesproken. Onlangs stond er in het blad voor hervormde ambtsdragers een artikel, dat geschreven is door de rector van het Seminarie in Driebergen, dr. F. O. van Gennep. Hij besprak het verschijnsel onder de titel „Plaats voor hokken in huis?” Zijn antwoord was dat men tegen het samenwonen van twee mensen geen onoverkomelijke bezwaren hoeft te hebben. Het gaat er veeleer om wie met wie gaat samenwonen. Met andere woorden: of het gebeurt vanuit oprechte genegenheid en met het verlangen om elkaar werkelijk te dienen.

Daarmee is de vraag naar het voortbestaan van het huwelijk in onze samenleving gesteld. Het huwelijk ontleent namelijk zijn kracht mee daaraan dat het tot heden een bij de wet erkende regeling is die algemene geldigheid heeft. Er is geen andere verhouding van twee mensen in onze samenleving, die dezelfde rechtskracht heeft. Men kan in concubinaat leven. Dan heeft men niet dezelfde status voor de wet als wanneer men gehuwd is. Het laat zich moeilijk denken dat er twee regelingen zouden komen: een voor mensen die gesteld blijven op het huwelijk; en een regeling voor hen die het huwelijk niet meer willen. Wat is immers de rechtsgrond voor het gehuwd zijn? De vrijwillige belofte van twee mensen aan elkaar, bezegeld met een handtekening onder de huwelijksakte, die in het stadhuis in het bijzijn van getuigen wordt opgemaakt. Eerst dan hebben gehuwden de status van getrouwde mensen. Dan kunnen ze tegenover de overheid zich erop beroepen dat ze getrouwd zijn.

Daarmee hangt uiteraard samen: de namen van de kinderen die uit het huwelijk geboren worden; de regeling van het gemeenschappelijk bezit, hoe beperkt in omvang ook; erfeniskwesties en het recht om kinderen op te voeden. Ik noem zo maar enkele dingen.

Voor mijn besef is met de kwestie van samenwonen de vraag gesteld of in onze Nederlandse samenleving het huwelijk de enige wettelijk erkende vorm zal zijn voor het samengaan van twee mensen. Wie het samenwonen als wettig en wettelijk alternatief erkent, ontbindt daarmee het huwelijk als ordening.

De kerk krijgt hiermee ook te maken. Langs verschillende wegen. In de eerste plaats door de vraag wat ambtsdragers moeten zeggen tegen jongeren die ongehuwd gaan samenleven. Of moeten ze daarover misschien helemaal niets zeggen? Moeten ze het zwijgen eraan toe doen? Dat zou gelijk staan met: het samenwonen van ongehuwden goed te keuren. Kan de kerk het aanvaarden dat het huwelijk vermeden, ja zelfs bestreden wordt, en dat men zich toch als gehuwden gedraagt? Met andere woorden: heeft de kerk niet op te komen voor het huwelijk als een instelling van God?

Dat is een punt dat in de catechese en de prediking aan de orde moet komen. Het raakt niet minder de kerkelijke tucht. Immers, in geval van overspel of hoererij is de zuiverheid van het huwelijk in het geding. De kerk heeft, overeenkomstig hetgeen we in de Schrift over de reinheid en de heiligheid van het huwelijk lezen, overspel en hoererij zonde genoemd. Zij heeft hen die zich daaraan schuldig maken, te vermanen. Wanneer mensen in dit kwaad volharden zullen ze volgens de kerkelijke tucht behandeld moeten worden.

De kerk kan nog op een andere manier met het vraagstuk van het samenwonen te maken krijgen. Stel dat twee jonge mensen reeds geruime tijd samengewoond hebben, en daarna besluiten te gaan trouwen. Is de kerkeraad dan verplicht een eventuele aanvrage voor kerkelijke bevestiging van dit huwelijk in te willigen? Of moet de kerkeraad zulk een verzoek weigeren?

Achtergrond

We willen eerst enige aandacht geven aan de achtergrond van dit verschijnsel. Het ligt voor de hand erop te wijzen, dat we leven in een geestelijk klimaat dat als anti-institutioneel kan worden gekenschetst. Daarmee bedoelen we dat de mensen niet meer van bindingen houden. Alles wat lijkt op een instelling die verplichtingen meebrengt, wordt van de hand gewezen. Men wil zich niet vastleggen. Men wil geen verplichtingen hebben. Men wil vrij zijn. Dit laatste hoort er echt wel bij. Het gaat immers niet alleen erom dat men geen verplichtingen heeft. Men vindt verplichtingen lastig, onnodig en overbodig. Wie echt vrij is, kan zich niet tot iets verplicht gevoelen. Verplichtingen strijden met het zich werkelijk vrij voelen. Het anti-institutionele van onze tijd is dan ook de keerzijde van de moderne vrijheidsgedachte.

Enige jaren geleden werd over het samenwonen nog wel gesproken in de zin van een experiment. Men wilde het eens proberen. Lukte het niet dan kon men uit elkaar gaan. Het experiment was vrijblijvend. Dat motief komt tegenwoordig veel minder voor, lijkt me. Wie zijn oor te luisteren legt, zal meestal als argument voor het niet trouwen horen; we willen niet gebonden zijn.

Toch moeten we” nog iets dieper doorstoten. De ontbinding van de huwelijksgedachte moeten we in een nog breder kader zien staan. Zij is onderdeel van de grote revolutie die gepredikt wordt. Veelal wordt het huwelijk gezien als teken van de huidige maatschappelijke orde. Daartegen verzetten velen zich. Ze hebben er geen vrede mee. Erger nog, de inrichting van de huidige maatschappij is de oorzaak van heel veel kwaad. Wie deze maatschappij weet te veranderen, die zal ook een ander leven, en zelfs andere mensen krijgen.

De maatschappijkritiek is uit op een totale omwenteling. Het loslaten van het instituut van het huwelijk is onderdeel van die grote omwenteling, welke men gerust revolutie kan noemen. Ik zie in het pleidooi voor het samenwonen met voorbijgaan aan het huwelijk dan ook het signaal van de hier bovenbedoelde revolutie.

De Bijbel en de kerk

Het probleem waarover we schrijven, is zo samen te vatten: kunnen we met de Bijbel in de hand het huwelijk opgeven? Is er een alternatief voor het bijbelse huwelijk? Dr. Van Gennep schreef: men kan het samenwonen als een nieuwe huwelijksvorm zien. Hij zal er mee bedoelen: ook degenen die het huwelijk als instelling verwerpen, moeten toch tot zoiets als een huwelijk komen. Welnu, het samenwonen — zonder overigens getrouwd te zijn — is de nieuwe vorm die men nodig heeft, als het gehuwd zijn wegvalt. Nu moeten we toch wel eens rustig nadenken. Immers, wat is het geval? Het huwelijk als instelling wil men niet meer. Men wil wel een vervanging ervan. Hoe ziet die vervanging eruit? Zij kent wel de rechten, maar niet de plichten die het huwelijk meebrengt. Men kan doen alsof men getrouwd is, maar men heeft niet de plicht om bij elkaar te blijven.

Men kan het ook nog anders zeggen: dit alternatief is helemaal niet zo nieuw als het wordt voorgesteld. Het was vroeger evenzeer bekend. Toen noemde men het concubinaat. Dat is het samenwonen van twee mensen die niet wettig getrouwd zijn, maar doen alsof ze getrouwd zijn. In het verleden werd concubinaat niet gezien als een huwelijk. Het is het doen alsof. Wat we nu beleven is, dat de reeds bekende vorm van samenwonen wordt uitgegeven voor een alternatief huwelijk. Er wordt een andere naam gebruikt, maar de zaak is dezelfde als die van vroeger. Toen werd het samenleven zonder getrouwd te zijn afgewezen; nu wordt het aanvaard. De zaak is er niet door veranderd. De naam is alleen anders geworden. En daarmee lijkt de zaak gewettigd te zijn.

Het wil mij voorkomen dat we met deze ontrouw aan het huwelijk voor de zoveelste aanval op het bijbelse denken komen te staan. Er zit achter deze aanval een duidelijke strategie. Dat is de strategie van het omverwerpen van alles wat aan het christelijk geloof en het christelijke leven herinnert. De taaie resten van het christelijke leven moeten uit de samenleving worden weggedaan. Dan komt de baan vrij voor een heel nieuw levenspatroon, waarin niets meer aan God en de door Hem gegeven inzettingen herinnert.

Het is mijn overtuiging dat het in het anti-christelijke rijk niet enkel om het christelijk geloofsgetuigenis zal gaan. Het zal evenzeer om het christelijke leven gaan. Daarop zal het juist aankomen.

We hebben in deze weken moeten meemaken, dat een absolute meerderheid van de Tweede Kamer voor het vrij geven van abortus was. Geen wettelijke belemmeringen mogen er meer zijn. Ieder die om welke reden ook, een kind niet wenst, mag de vrucht doden. Dat is naar mijn oordeel een teken dat we in de tijd van een anti-christelijk systeem leven.

Men moet de aanval op het huwelijk door middel van een pleidooi voor gelijk recht van samenwonen in dezelfde lijn zien. Daarmee wordt een van de ordeningen van God ondergraven.

Het is immers onmogelijk om én het huwelijk én het samenwonen als gelijke vorm te erkennen. Het huwelijk wordt gekenmerkt door de belofte, die men met een handtekening bezegelt. Het samenwonen is uitdrukking van een verlangen om het met elkaar te kunnen vinden. Er zit echter geen wettelijke, en zelfs geen morele verplichting achter. Men gaat het samenwonen immers aan met de gedachte dat, als het niet gaat, men uit elkaar gaat.

God heeft met de instelling van het huwelijk mensen willen beschermen tegen willekeur. Hij heeft hun vastheid gegeven. Je weet wat je eraan hebt, wanneer je trouwt. Je belooft elkaar trouw. Op die belofte kun je aangesproken worden. In plaats van die door God beoogde vastheid komt nu de wens, dat men er iets van zal maken. Als dat niet lukt, mag het met een ander geprobeerd worden.

Tegen deze morele ontwikkeling zal de kerk neen moeten zeggen. Het is een morele ontwrichting. Elke morele ontwrichting brengt voor een volk groot gevaar mee. Het verblindende karakter van de zonde brengt mee, dat men het gevaar niet ziet.

Het meest ontstellende vind ik, dat men in kerkelijke kringen zo gemakkelijk meegaat met deze nieuwe huwelijksmoraal. Ik kan haar geen moraal meer noemen. Het is zedelijk bederf.

De kerk zal in prediking en catechese hiertegen moeten waarschuwen.

Het komt mij voor dat jongelui die reeds korter of langer tijd samen gewoond hebben, en alsnog hun huwelijk kerkelijk willen laten bevestigen, daarvoor niet zonder meer toestemming kunnen krijgen. Zij hebben getoond het huwelijk te minachten. Zij hebben reeds gedaan alsof ze gehuwd waren. Kan een kerkeraad dan met een eerlijk geweten de gemeente samenroepen om een zegen van God te vragen voor een bruidspaar, dat getoond heeft het samenwonen al in praktijk gebracht te hebben, zonder dat ze in de tijd van het samenwonen daarvoor Gods zegen gevraagd hebben? Men kan het nog anders zeggen: wanneer de kerk het huwelijk van mensen die reeds ongehuwd hebben samengewoond, kerkelijk bevestigt, werkt ze zelf mee aan de ondergraving van het huwelijk. Daarvan gaat een slecht getuigenis uit op d’e gemeente, en ook naar de wereld. De kerk zal de naam krijgen, dat ze zowel het een als het ander als mogelijkheid erkent.

Het kan verdriet doen, wanneer een kerkeraad weigert het huwelijk van mensen die reeds hebben samengewoond, te bevestigen. Ik denk aan de ouders van zulke jonge mensen. Ik denk aan de verwikkelingen die daaruit in een gemeente kunnen voortvloeien.

Toch zal een kerkeraad hier een duidelijke lijn moeten volgen. Er mag niet de mogelijkheid zijn van een zigzag koers.

Natuurlijk blijft er de mogelijkheid dat jonge mensen die samengewoond hebben, bij het sluiten van hun huwelijk tot het inzicht komen dat hun samenwonen in strijd was met de ordening van God. Dat moet dan erkend en — op welke wijze ook — naar buiten duidelijk worden. Wanneer die gezindheid er is van berouw over het schenden van de ordening van God, kan een huwelijk kerkelijk bevestigd worden.

Misschien hebben nog niet veel kerkeraden met deze vraag te maken gehad. Het zou kunnen zijn, dat ook in ons kerkelijke leven deze dingen acuut gaan worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.