+ Meer informatie

WEDERGEBOORTE EN BEVINDING IN DE PREDIKING

13 minuten leestijd

1. Wedergeboorte

De wedergeboorte is volgens de Dordtse leerregels ‘de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt en die God zonder ons in ons werkt’, een ‘volstrekt bovennatuurlijke, zeer krachtige en tegelijk zeer tedere, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking… niet zwakker of geringer van aard dan de schepping of de opwekking van de doden’ (DL 3/4, 12). Dat maakt bescheiden in het spreken erover. Er zijn een paar invalshoeken van waaruit we met elkaar het gesprek kunnen voeren over wedergeboorte en prediking. Van het onderlinge gesprek over wedergeboorte, en over bevinding, is nog het meeste te verwachten. We moeten elkaar op het niveau van deze thema’s echt ontmoeten.

GEMEENSCHAPPELIJKE ACHTERGROND

Natuurlijk is er tussen beide kerken verschil in cultuur, gewoonten en beleving, maar er is ook een gemeenschappelijke achtergrond. Het kostte tijd voor we elkaar goed gingen begrijpen. Toch was er bij voorbaat in feite meer overeenstemming dan verschil.

Dat ligt natuurlijk in de belijdenis, maar onze gemeenschappelijke achtergrond strekt zich nog verder uit dan de confessie. Dat werd mij duidelijk bij een bespreking in Kampen met collega Maris een aantal jaren geleden, naar aanleiding van een doctoraalscriptie over de discussie tussen christelijke gereformeerden en gereformeerden over de toe-eigening van het heil1. Professor Maris maakte duidelijk, dat onze eenheid en ons verschil goed te begrijpen zijn vanuit ons gemeenschappelijk verzet tegen de leer van de ‘veronderstelde wedergeboorte’ van A. Kuyper. Daar voelden noch de CGK noch wij als GKV zich ooit bij thuis. Het verzet daartegen delen we dus!

Het ging echter verschillende kanten uit. Van gereformeerde (vrijgemaakte) kant ging het vooral om de zekerheid van de verbondsbelofte. Wat God belooft in de doop is een volstrekt betrouwbare belofte, die in de doop betekend en verzegeld is. Het is bij God niet ‘ja’ en ‘neen’, maar het is in Christus ‘ja’; daarom is ook door Hem het ‘Amen’ (2 Kor. 1,20).

Het verzet van chr. geref. kant ging om een ander aspect, dat in Kuypers theologie gemist wordt: de overtuiging dat de belofte nog niet hetzelfde is als de vervulling. Hoe betrouwbaar Gods belofte ook is, de vervulling is daarmee nog niet gegeven. Die vervulling is er alleen in de weg van het wonder van de we-dergeboorte, waardoor wij gaan geloven en ons bekeren.

Je kunt zeggen: de dreigende oppervlakkigheid van de veronderstelde wedergeboorte werd aan weerskanten herkend, maar met heel verschillende accenten. En zoals dat gaat: het kostte moeite elkaar daarin te verstaan.

Daar komt bij dat wij ieder onze eigen risico’s liepen. Extreem gezegd: aan vrijgemaakte kant het risico van de vastgestelde wedergeboorte, aan chr.geref. kant dat van de veronderstelde niet-wedergeboorte. U herkent zich daar waarschijnlijk niet in, en dat is maar goed ook. Toch waren ze dreigend op de achtergrond aanwezig. En ze bepaalden wel mede het beeld dat wij van de ander hadden. Daardoor stond wat we gemeenschappelijk hadden onder druk.

In de loop van de jaren vonden we vanuit onze gemeenschappelijke belijdenis en geschiedenis bruggen over de kloof tussen ons.

Door beiden wordt met overtuiging de noodzakelijkheid van de wedergeboorte benadrukt. Daarbij zoeken wij niet in onszelf een houvast voor onze zekerheid. Nee, ons houvast is alleen Gods belofte in Jezus Christus. Maar om uit die belofte te kunnen leven moeten we opnieuw geboren worden. God moet met ons een radicaal nieuw begin maken, want wij en onze kinderen zijn in zonden ontvangen en geboren.

VERNIEUWING, RADICAAL EN TOTAAL

Daarbij moeten we letten op het onderscheid tussen wedergeboorte in ruimere zin en wedergeboorte in engere zin. Bij wedergeboorte in ruimere zin gaat het om een spreken, zoals bijv. van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in art. 26: ‘Wij geloven dat dit ware geloof… de mens… doet wedergeboren worden en maakt tot een nieuwe mens; het doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem van de slavernij van de zonde’. Dan gaat het om wedergeboorte door het geloof, tot een leven in heiliging en goede werken. Zo spreekt ook Calvijn over wedergeboorte.

De wedergeboorte in engere zin vinden we in de Dordtse Leerregels: het wonder van God waardoor “Hij, die zowel het willen als het werken, ja alles in allen werkt, in de mens de wil om te geloven en ook het geloof zelf tot stand brengt” (3/4, 14). Dan gaat het dus niet om wedergeboorte door geloof, maar om geloof door wedergeboorte. De Leerregels leggen daar tegenover het remonstrantse hu-manisme nadruk op. Die zien het geloof niet als een gave van God, maar als een daad van de mens (3/4, vdd 6).

Ik heb de indruk dat in de GKV het accent meer ligt op de wedergeboorte in ruimere zin en in de CGK meer op de wedergeboorte in engere zin.. Dit hangt in de geschiedenis van de GK samen met de Vrijmaking: het onjuist omgaan met de gedachte van de wedergeboorte in engere zin, zoals in de leer van de veronderstelde wedergeboorte, heeft ons voorzichtig gemaakt in het spreken daarover, ik denk te voorzichtig. Toch betreft het een nuanceverschil. Immers, beide wijzen van spreken komen in onze belijdenis voor. Ook in de bijbel zelf is dat trouwens het geval. In Titus 3,5 wordt met het bad van wedergeboorte en vernieuwing duidelijk op de heiliging gedoeld, maar onze Heiland spreekt in Johannes 3 over de nieuwe geboorte die het pas mogelijk maakt dat een mens het woord van de Here aanneemt.

‘Wedergeboorte’ is geen vaste term voor één bepaalde gang van zaken. Nee, het is een heel concreet beeld voor de radicale vernieuwing die wij nodig hebben en die niet bij ons vandaan kan komen. Zo radicaal als een nieuwe geboorte. Die vernieuwing is niet alleen radicaal, maar ook totaal. Ze heeft met het geloof te maken: om te kunnen geloven moet je een volkomen ander mens worden. Dat kan alleen God je geven: ‘wedergeboorte in engere zin’. Maar leven uit dat geloof betekent ook dat je helemaal een ander mens moet worden. Ook dat komt alleen van God: ‘wedergeboorte in ruimere zin’.

Het gaat zelfs nog verder. Gods vernieuwing raakt uiteindelijk alle dingen. Daarom gebruikt de Here Jezus in Matt. 19,28 het beeld van de wedergeboorte ook voor de volkomen vernieuwing van hemel en aarde bij zijn komst.

Dit alles raakt het diepste geheim van het evangelie: God alleen is onze Verlosser in Jezus Christus. Zijn heil gaat heel diep: tot in het binnenste van mijn wezen. Zijn heil reikt ook heel ver: heel mijn leven wordt erdoor veranderd, nu al in beginsel, straks volkomen. Zijn heil omspant alle dingen: vol verwachting zien wij uit naar “de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon van zijn heerlijkheid zal zitten”.

2. Bevinding

GELOVEN DE DOMINEES HET ZELF WEL?

In de synodaal gereformeerde kerk klonk enige tijd terug een klacht van (o.a.) jongeren, dat de preken over hun hoofden heen gingen. Het liep uit op de onthutsende en onthullende vraag: ‘Geloven de dominees zelf wel wat ze zeggen?’ Dat mag je wel verwachten. Dat is zelfs het eerste als het gaat over bevinding in de prediking. Het is mooi als we elkaar kunnen vinden in uitgewogen formules over de plaats die daarvoor moet worden ingeruimd. Nog mooier als wij werkelijk op de goede manier bevindelijk preken en dat van elkaar kunnen leren. Maar het is allemaal niets als wij zelf (de bevinding van) het geloof mis-sen. Paulus zegt in 1 Kor. 13 dat de mooiste gaven van God niets baten zonder de liefde. Alle profetische wijsheid en pastorale gevoeligheid en theologische kennis zullen ons niets baten in het gesprek over bevinding in de prediking zonder (de ervaring van) het geloof. Als één gesprek niet vrijblijvend gevoerd kan worden, dan is het dit wel.

Nu zijn we voor geloof en voor bevinding afhankelijk van de genade van God. We mogen in de naam van Christus vragen om dat werk van zijn Geest. Goede, bevindelijke prediking is een zaak van aanhoudend gebed. Ik las dat dominees voor wie de werkdruk te groot wordt, in de eerste plaats op de studie bezuini-gen en in de tweede plaats op het gebed. Dat zou wat de studie betreft niet moeten. Hoe kun je dat evangelie goed prediken als je de kennis en het inzicht verwaarloost?

Het zou ook niet moeten ten aanzien van het gebed. Als onze prediking niet door gebed gedragen wordt en omringd, dan roepen we die pijnlijke vraag op: geloven de dominees het zelf nog wel? Een dominee die erg druk is — en dat zijn er velen — moet beseffen dat hij te druk is om niet te bidden.

SUBJECTIVISME EN OBJECTIVISME

Ons gemeenschappelijke en toch verschillende verzet tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte kan ook op het punt van de bevinding duidelijk maken waarom er een zeker uiteengroeien kwam.

In de GKV leeft vanouds een afkeer van subjectivisme, zoals herkend in de leer van de veronderstelde wedergeboorte, die in de oorlogsjaren bindend werd opgelegd: niet de belofte van God, maar de wedergeboren mens kwam centraal te staan. Van daaruit werd over de geldigheid van de belofte en over de echtheid van de doop beslist. De vrijgemaakten wezen dat beslist af. De God van het verbond moet centraal staan, die altijd trouw is, omdat Hij Zichzelf niet verloochenen kan (2 Tim. 2,13)!

Dit verzet tegen het subjectivisme is waardevol geweest. Als de mens centraal komt te staan, komt het evangelie — van: ‘genade alleen, en Christus alleen’ -nooit ten volle tot zijn recht. Dat verzet is daarom nog altijd van belang. Het subjectivisme zit sinds Renaissance en Verlichting diep in onze cultuur ingebakken, met alle gevaren van dien. Ook binnen het christendom steekt het steeds weer de kop op, soms in zeer orthodoxe verschijningsvorm.

Toch zit er ook een andere kant aan. Verzet tegen subjectivisme kan uitmonden in objectivisme. Het ‘buiten ons’ en ‘zonder ons’ van de verlossing in Christus kan zo benadrukt worden, dat het ‘voor ons’ en ‘in ons’ niet tot zijn recht komt. De aandacht voor de wijze waarop God zijn heil in ons werkt en voor de ervaring daarvan door de gelovige moet niet bij voorbaat al verdacht zijn. Roept de Schrift ons niet op onszelf op de proef te stellen (2 Kor. 13,5)? Spreken de Dordtse Leerregels niet over het in jezelf waarnemen van de vruchten van Gods verkiezing (DL 1, 12)?

Op een synode (van Heemse 1984/5) kwamen n.a.v. de taalkundige herziening van de Dordtse Leerregels voorstellen DL 1, 12 ook inhoudelijk te herzien. Het artikel zou teveel gericht zijn op de verzekering die de gelovige aan zichzelf kon ontlenen, in plaats van op de belofte van God. Aan die wens is niet voldaan, maar ze toont wel het risico dat je verzet tegen subjectivisme omslaat in objectivisme.

De ontwikkelingen in de GKV hebben laten zien dat het onmogelijk is de mens buiten beeld te houden. Gods genade in Christus kennen moet ook betekenen: oog krijgen voor wat die genade in een mens doet. Voor de weerstanden die de genade moet overwinnen, voor de worsteling van de gelovige om van genade alleen te leren leven.

Niet voor niets begon in de jaren tachtig prof. C. Trimp te schrijven over Klank en weerklank: niet alleen aandacht voor de klank van Gods Woord, maar ook voor de weerklank daarvan in het mensenleven2. Niet alleen subjectivisme is een gevaar, maar ook objectivisme.

‘Bevinding’ is onder ons niet meer een bijna verdacht begrip. We hebben voorheen onrecht gedaan aan hen die op een gezonde gereformeerde wijze over bevinding spraken en daaruit leefden, ook aan onze chr. geref. broeders. Het is een grote winst van de samensprekingen geweest dat we dat hebben leren inzien.

NADERE REFORMATIE

Daarmee kom ik op de CGK. Ik spreek daarover veel bescheidener. Ik zie hier de lijn doorlopen die vanaf de Nadere Reformatie over de afgescheiden kerken heen loopt. Op die lijn is steeds aandacht geweest voor de bevinding van Gods werk in ons.

De Nadere Reformatie was nodig, omdat de ontdekking van de Reformatie -het sola fide, sola gratia — misbruikt dreigde te worden door de natuurlijke mens. In de volkskerk leek het of er niets met een mens hoefde te gebeuren om het heil in Christus te ontvangen. Terecht riep men toen op tot een reformatie die niet uiterlijk was, tot reformatie van hart en leven, tot echte kennis van Gods heil en van het eigen hart, met zijn vele schuilhoeken, tot werkelijk zelfonderzoek. Terecht wilde men in prediking en pastoraat leiding geven aan de gelovigen op de weg die God met hen ging. Deze gezonde bevindelijkheid heeft voor velen zeer veel betekend.

Ik moet wel zeggen: gezónde bevindelijkheid. Er is ook ongezonde bevindelijkheid, namelijk daar waar de zekerheid van het evangelie ondergraven wordt en mensen worden teruggeworpen op zichzelf. Het anker van een schip is zinloos als het wordt uitgeworpen in het ruim, zo is het zinloos het anker van de ziel uit te werpen in de diepten van de eigen ziel. Het anker van de ziel, de vaste hoop op God en op zijn beloften, is veilig en vast, niet omdat het reikt tot in ons binnenste, maar omdat het reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan (Hebr. 6,19). Het heil van God voor ons en in ons ligt buiten ons vast. Zodra dat vergeten wordt, wordt de bevinde-lijkheid ongezond.

Ook in het gesprek rond bevinding bleek hoe belangrijk het is samen op de bodem van de gereformeerde belijdenis te willen staan. We hebben elkaar met al onze verschillen in geschiedenis, traditie en spiritualiteit herkend rondom met name de Dordtse Leerregels. De schriftuurlijke wijsheid waarmee daarin over de geloofservaring gesproken wordt, pastoraal teer en tegelijk zeer indringend, verbond ons. Wat zijn de Leerregels genuanceerd! Enerzijds volle aandacht voor al de verschillende wegen die God met zijn kinderen gaat (bijv. DL 1, 16). Anderzijds het krachtige accent op de eenheid van de verkiezing voor allen die behouden worden (DL 1, 8). Enerzijds de herkenbaarheid van de sluitrede van het geloof: we worden verzekerd door de vruchten van de verkiezing die we in onszelf mogen opmerken (DL 1, 12). Anderzijds het centraal stellen van Gods beloften, die Hij in zijn woord overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard, als bron van alle houvast DL 5, 10). Ziende op de rijkdom die God ons in deze belijdenis heeft geschonken moet het mogelijk zijn van elkaar te blijven leren, eikaars eenzijdigheden niet alleen te verdragen, ook te corrigeren en samen verder te komen in de dienst van het evangelie van onze Here Jezus Christus.

1 R. Kelder, De toeëigening van het heil in discussie. Een dogmatisch onderzoek van de discussie tussen christelijke gereformeerden en gereformeerden over de toeëigening van het heil (ongepubliceerde doctoraalscriptie Theologische Universiteit Broederweg Kampen, 1994)

2 C. Trimp, Klank en weerklank. Door prediking tot geloofservaring, Barneveld, 1989

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.