+ Meer informatie

God moede noch mat

3 minuten leestijd

Het is ons echter tot onze troost gezegd, dat onze God noch moede noch mat wordt, omdat wij hier gedurig het tegendeel zien van Gods toezeggingen, en er zich in de gedachten onzer harten allerlei moedeloosheid openbaart, als ware God moede en mat geworden. De Heere kent zodanige gedachten wel; Hij weet wel, dat wij dit van Hem denken; daarom juist zegt Hij: „Waarom zegt gij dan, o Jakob, en spreekt gij, o Israël: Mijn weg is voor de. Heere verborgen en mijn recht gaat voor mijn God voorbij”? (Jes. 40 : 27) Daar zien wij wat wij van onze God en getrouwe Heiland denken en zeggen. Daar zien wij, hoe diep het ongeloof en de twijfelmoedigheid in onze harten zit. Daar zien wij echter ook, welke zorg Hij voor ons heeft en hoe Hij noch moede noch mat wordt, zulke boze gedachten aangaande Hem uit onze harten weg te nemen en ons te vervullen met Zijn troost, dat Hij ons niet verlaten zal, hoewel wij zulks in onze bedruktheid menen. Daarom zegt Hij niet alleen, dat Hij noch moede noch mat wordt, maar ook welk een God Hij is, Die noch moede noch mat wordt.

Immers, Hij noemt Zich hier tot onze troost: „De eeuwige God”. En omdat Hij nu eeuwig is, kan ons niets van Zijn liefde scheiden, welke is in Christus Jezus. Want Hij is en zal wel blijven de Eerste en de Laatste; evenals Hij de 1 eidsman, de Aanvanger des geloofs geweest is, zo is Hij ook de Voleinder. Evenals Hij een goed werk in ons begonnen heeft, zo zal Hij ook wel Zijn Woord gestand weten te doen: „Ik geef hun het eeuwige leven en niemand zal hen uit Mijn hand rukken” (Joh. 10 : 28). Onze God weet bijgevolg niet alleen wat over ons komen zal, maar Hij heeft ook van eeuwigheid af alles zó naar Zijn raad vastgesteld en verordend, dat alle ding ons ten goede moet medewerken, t.w. ons, dienaar Zijn voornemen geroepen zijn; en dat is Zijn voornemen: onze heerlijkheid in Hem. Alles heeft ten laatste een einde. De zonde kan een mens niet eeuwig plagen; aan allerlei ongemak en tegenheden, aan allerlei lijden, angst en nood komt ook een einde; der mensen vijandschap, haat, smaad, hoon, spot en leugen, waarmede zij de rechtvaardige vervolgen, moet ook een einde nemen; maar God blijft en God blijft Dezelfde, de oude trouwe God, en weet te Zijner tijd liefelijk te troosten met Zijn gerechtigheid en waarheid. Alles moet ten laatste toch daartoe dienen, dat Zijn eeuwige waarheid en gerechtigheid, waarin de Zijnen geborgen zijn, op het heerlijkst aan het licht komen, en aan alle ongerechtigheid de mond gestopt zij. En gelijk Hij Zich van de beginne af betoond heeft als de trouwe Herder, Die een heerlijke uitweg gegeven heeft uit dit jammerdal, zo zal Hij Zich ook wel als zodanig blijven betonen, totdat Hij de laatste der Zijnen binnen gebracht heeft.

Uit een preek over Jesaja 40 : 28–31.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.