+ Meer informatie

De relatie tussen organist en predikant

7 minuten leestijd

Dat er tussen de organist(e)(en) en de predikant een relatie moet zijn, is — dacht ik — een vrij duidelijke zaak. Bei den nemen — hoe verschillend dan ook — een belangrijke plaats in in de ere dienst. Moeilijk kun je van een relatie spreken als het onderling contact be perkt blijft tot het afgeven — en afwer ken van het psalmbriefje en het gehoor zamen aan het befaamde belletje of sig naallampje. We zitten dan helemaal op een onpersoonlijke-, formele- en zake lijke toer.

Er is pas sprake van een relatie als er op zijn minst gesprekken worden ge voerd. Uiteraard behoeft dit niet elke maand te geschieden. Aan te bevelen valt een contact na de datum van be noeming, aan het begin van een nieuw kalenderjaar en tijdens de voorbereiding van bijzondere diensten op hoogtijdagen. Daar de predikant in de eredienst uit eindelijk de liturg is, heeft het alles voor dat van hem het initiatief uitgaat. Ove rigens kan het geen kwaad als van de zijde van de organisten om een gesprek wordt gevraagd.

Zo’n contact kan heel gemakkelijk mis lukken. Ergens kan het al gevaarlijk zijn als de predikant zelf wat muzikaal is. Het gevaar wordt vergroot als hij zich als een betweter voordoet. Bestaat er een team van organisten, dan werkt een aanwezige — veelszins verborgen — naijver eveneens belemmerend.

Wat zou er in zo’n gesprek aan de orde kunnen komen ? Ik meen heel het com plex van de functie van het orgel, het orgelspel en de organist.

Van oorsprong een wereldlijk instru ment en na Trente geaccepteerd in de rooms-katholieke kerk, kreeg het orgel in de calvijnse reformatorische kerken pas in de zeventiende eeuw een plaats in de eredienst. Aan deze verlate in trede staat mede schuldig de onjuiste gedachte van Calvijn, dat „men zich er voor moet hoeden dat de oren meer aan dacht schenken aan de schone melodieën dan de harten aan de geestelijke zin der woorden”. Uitspraken van Dordrecht 1574, Dordrecht 1578 en Middelburg 1581 zijn daarop geënt. Het orgel kwam er om de gemeentezang te begeleiden, te ondersteunen. Met andere woorden: het gaat bij het orgel niet om het orgel maar om de zingende gemeente ! Prin cipieel bezien kan daarom de gemeente zang ook door andere instrumenten wor den begeleid. In Hoogeveen kende men vroeger trompetten ! In onze tijd zijn er kerken die gebruik maken van een groep blokfluiten. Dit is beslist geen princi piële zaak. In onze kerkformatie is het orgel nog steeds ingeburgerd.

Ik dacht dat het goed was om in het onderling gesprek via een kort inleidend praatje de dienende functie van het or gel voor de gemeentezang onder de lou pe te nemen. Logischerwijze vloeit daar uit voort, dat het spel de gemeentezang nooit mag overheersen, de organist re gistreert naar de te zingen woorden, op punten en komma’s let en bij een onbe kende wijs extra hulpdiensten verricht door een duidelijk uitkomende stem. On getwijfeld vraagt dit van de functionaris een beheersing en kennis van zijn in strument. Vandaar dat een goede orga nist — gelijk een goede dominee thuis — thuis en in de kerk studeert. Voor genoemde begeleiding is het wenselijk als de organist onder het spelen steeds de tekst voor zich ziet.

Wat heb ik willen verduidelijken ? Dit namelijk, dat begeleiden meer is dan en kel noten spelen. Psalm 86 vers 6 b eist De relatie tussen organist en predikant een andere ondersteuning dan de eerste helft. Gewoonlijk kiest de voorganger de te zingen liederen met zorg uit. Het is voor hem enkel een zaak van vreugde als de organist in de lijn blijft en met al de krachten die in hem en naar het ge geven in het instrument zijn, de gemeen te doet zingen.

Nu kennen wij ook voorspelen, tussen spelen en naspelen. Welke plaats mogen zij innemen ? Voorop staat het princi pieel uitgangspunt, dat het orgel er is om de gemeentezang. We hebben geen orgel om daarop in de eredienst te con certeren. Grootse- en pompeuze kerk orgels behoren in onze kerkgebouwen niet thuis, tenzij zij in de week voor uit voeringen worden gebruikt. In alle an dere gevallen dienen zij meer de naam van de orgelbouwer dan de gemeente zang.

Alle genoemde spelen van zoëven die nen kort te zijn. Niet terwille van de spreektijd van de predikheren, maar omdat het gaat om de gemeentezang. Daarnaast moeten zij ter zake zijn. Het spel dient de richting aan te geven. In deze situatie is het onjuist om het éne in het boek afgedrukte voorspel voor alle verzen te gebruiken. De gemeente moet in het spel aanvoelen, dat men aan stonds bijvoorbeeld niet vers 26 maar vers 3 van psalm 106 zingt. Dat houdt mede in, dat de voortgebrachte muziek — hoe modern wellicht ook — herken baar moet zijn. De muziek vervult in onze eredienst een sociale functie.

Naast deze spelen in de eredienst wordt er ook vòòr en na de dienst gespeeld. Persoonlijk ben ik de gedachte toege daan, dat ook in dit spel de organist zijn dienende functie niet te buiten mag gaan. Het is geen verkapt concert, al wordt het door een bepaalde categorie wel begeerd en bemind. De gemeente worde op de eredienst voorbereid en te ruggeworpen. Daarom moet er een be trekking bestaan tussen spel en woordverkondiging, spel en kerkelijk jaar. Daartoe is belangrijk, dat de organist zich bijtijds over de liturgie kan buigen en als elke kerkganger de woorddienst tenvolle meemaakt.

Ik stipte dus reeds aan het grote be lang van het tijdig-op-de-hoogte-zijn. De organist kan zich op de begeleiding pre pareren, zo nodig voor-, tussen- en na spelen met zorg uit zijn voorraad selec teren en zich bezinnen op de muziek vòòr en na de dienst.

In een open gesprek kunnen alle ge noemde — en ook ongenoemde elemen ten ter sprake komen. Er moet van ge dachten gewisseld worden.

De pastor dient „zijn medewerkers” te kennen. Hij moet er oog voor hebben, dat leeftijd, karakter, minderwaardig heidsgevoelens, begaafdheid, opleiding en niet het minst kennis van geestelijke zaken zich in het orgelspel openbaren. Bij een team trachte hij ongemerkt be grip te kweken voor het feit, dat er een maal verscheidenheid van gaven bestaat, dat het tot de volwassenheid behoort zichzelf en de ander te aanvaarden in zijn kundigheden en beperkingen en dat allen zich te houden hebben aan het door de kerkeraad bepaalde tempo en ritme van de gemeentezang.

Niet minder neme de predikant nota van de kritiek en de wensen die men ten aanzien van de gevolgde liturgie heeft. Het opvullen van de tijd die gebruikt wordt voor de dienst der offerande, kan menige serieuze organist hoofdbrekens kosten. Verdiepen we ons daarin wel eens ? Je kunt prijsstellen op een geva rieerde registratie. Maar is zij in één vers technisch wel uitvoerbaar ? Wat zijn de mogelijkheden en onmogelijk heden van ons kerkorgel ?

Tenslotte poge de pastor zichzelf en de organisten te stimuleren om het maxi male naar vermogen in de eredienst des HEREN te geven en te exerceren in het dienen, wat juist voor hen die hoog staan en hoog-zitten soms zo moeilijk kan zijn.

Van tijd tot tijd bidde hij in de kerk dienst, dat de Geest des HEREN onze organisten bekwame, leide en vervulle. Dit kan de relatie tussen organist en predikant alleen maar ten goede komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.