+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

22

De oude edelman Consciëntie, die registermeester was toen Diabolus Mensziel innam, begon nu ook weer openlijk en overluid te spreken. En zijn woorden waren nu in de oren van de burgers als grote donderslagen. Bij al het gebrek, dat hem sinds de val van de stad aankleefde, bleef het toch zijn aard het voor de Koning en Zijn rechten op te nemen. Geen stem was er nu, na het geluid dat de soldaten en de juichende kapiteins van de Koning maakten, zo vervaarlijk voor Mensziel als juist de zijne.

Al de burgers waren er door van streek; aan het gaan naar de plaatsen van de ijdelheid om vreugde te bedrijven kwam men niet toe. De gedachte van door Diabolus bedrogen te zijn werd wel niet uit angst voor hem uitgesproken, maar dat bracht in hun binnenste toch heel veel kwellingen teweeg. En dat vooral als men de gedachte aan het gericht van El-Schaddai maar niet van zich kon zetten tot in het holle van de nacht.

Erger nog werd het, want de kapiteins zonden ook door de trompetter van Boanerges in ’t diepst van de winter een sommatie aan de stad, om zich aan de Koning over te geven.

Ze zonden die één, twee, drie malen; niet wetende of niet de één of andere tijd Mensziel gewillig mocht worden om zich over te geven.

Ja, naar men kon nagaan zou de stad zich nu al overgegeven hebben, was het haar niet belet door de tegenstand van de oude Ongeloof en de ongestadige gedachten van de heer Wil. Diabolus raakte ook gaande, dus waren ze niet eensgezind met betrekking tot de overgave van de stad. En zo bleef Mensziel onder al deze beroeringen zonder enig uitzicht op bevrijding.

Maar hoe verward en afkerig de stad ook was, de opdracht van Boanerges trompetter moest door hem uitgevoerd worden, want dat wilde de Koning.

De eerste maal dat de trompetter heenging, sprak hij woorden van vrede, zeggende dat de kapiteins zich over de stad zouden ontfermen en besef hadden van de ellende waarin het uitterende Mensziel verkeerde. Betuigd werd het de stad, dat zij met behoud van haar leven in de dienst van Diabolus geen verlossing kon bekomen. Want dat kon alleen in de weg van verootmoediging en bekering. En dat niet komen tot boetvaardigheid was een bewijs, dat de rijkdom van Gods goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid door de stad veracht werd. Mensziel zou er niet meer geweest zijn, zo met haar gehandeld was naar de regel van Gods wrekende gerechtigheid.

De tweede maal sprak de trompetter met nog meer kracht door de stad te wijzen op de dwaasheid, die het bedreef door niet te luisteren naar de stem van Gods ontfermende liefde, maar wel naar die van het ongeloof en van onwil, die als trawanten van Diabolus de stad zochten te verderven. Zeg mij, wat heeft het ongeloof en de onwil u voor goeds aan te bieden? Het onuitblusselijke vuur en de eeuwige duisternis is het deel van allen, die gehoor geven aan de stem van hem, die air ede bekend is als de engel van de afgrond.

Op de derde reis naar de stad werd gesproken van de zekerheid, dat allen die in deze schrikkelijke ongehoorzaamheid kwamen te volharden, het in de hel eeuwig op hun knieën zouden moeten bekennen daar te zijn door niet naar Hem te luisteren in Wiens naam tot hen gesproken werd van bevrijding in de tijd der genade.

Deze drie opeisingen, in het bijzonder de twee laatste, ontstelden de stad zodanig, dat terstond de raad samen kwam. Deze vond goed, dat de heer Wil zich naar de Oorpoort zou begeven om daar de kapiteins van het leger tot een samenspreking te verzoeken. Zich op de wal vertonende, kwamen de kapiteins in hun harnassen met de tienduizenden, die hun voetstappen volgden.

De stedelingen zeiden, dat zij hun sommatiën gehoord en overwogen hadden en wel een accoord met hen en hun Koning El-Schaddai wilden aangaan en dat op zulke condities, artikelen en voorstellingen, als zij namens hun vorst zouden voorstellen. Hij wilde n.l. 1e. Dat de tegenwoordige overste Ongeloof met de heer Vergeet-het-goede en de heer Wil onder Koning El-Schaddai bestuurders der stad zouden blijven en in hun tegenwoordige ambten bevestigd worden.

2e. Dat niemand van Diabolus bedienden door die van El-Schaddai uit zijn huizen, hoven en vrijheden, die hij tot nog toe in de beroemde stad Mensziel had bezeten, zou mogen uitgezet worden.

3e. Dat aan de burgers der stad zekere privilegiën en voorrechten vergund zouden worden.

Namelijk zulke, als hun voor deze vergund waren onder de regering van hun tegenwoordige koning Diabolus, die zo lang geweest was en nog was hun heer en grote beschermer.

4e. Dat geen nieuwe wetten, officieren, executeurs of ambten enige kracht over hen zouden hebben buiten hun toestemming. „Dat zijn onze vredesvoorwaarden en op deze willen wij ons” (zeiden zij) „aan uw Koning onderwerpen.”

Hierop werd door de kapiteins van het leger bij monde van de vrome heer Boanerges aldus aan Mensziel geantwoord: „Inwoners van de stad Mensziel, ik kan zeggen, dat ik waarlijk zeer verblijd was, toen ik ’t geluid van uw bazuin hoorde om met ons te onderhandelen.

En ziende, dat gij u gewillig toondet u aan de Koning te onderwerpen, Die het waardig is gediend te worden, verheugde ik mij des te meer. Doch nu gij door uw zot geklap en dwaze voorslagen het struikelblok van uw onrust voor uw eigen aangezicht legt, is al mijn blijdschap in droefheid veranderd. Ik acht dat Kwaderust, de oude vijand van Mensziel, de voorslagen die gij ons nu aanbiedt als voorwaarde van vrede, heeft opgesteld. Maar hij verdient niet gehoord te worden in de oren van iemand, die voorgeeft El-Schaddai te dienen. Want dit woord: „Die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid”, werd door niet één burger ter harte genomen.

Maar wilt u alsnog tot bezinning komen, door ’t met ernst te overdenken dat de ware boetvaardigheid nodig is om te komen tot die onvoorwaardelijke overgave aan de grote Koning. En dan valt het altijd mee. Maar zo het u niet goed dunkt dat biddende in overweging te nemen, terwijl het recht en redelijk is dat van u te vragen, dan zijn de zaken niet nader dan voorheen en wij weten wat ons te doen staat.”

Wat zal ’t groot zijn, ja een wonder van Gods genade, wanneer het wachtwoord „Gij moet wederom geboren worden” door de stad Mensziel zal aangenomen worden.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.