+ Meer informatie

OUDSTE OF DIAKEN?

7 minuten leestijd

In Handelingen 6 lezen we van de aanstelling van de ‘zeven’, wanneer zich in de gemeente van Jeruzalem een acuut probleem voordoet. De weduwen van de Grieks sprekende leden van de gemeente werden bij de dagelijkse bediening overgeslagen. De apostelen onderkennen het probleem en grijpen in. Zeven Grieks sprekende mannen worden aangesteld. Zijn deze zeven de eerste diakenen? In ons formulier voor de bevestiging van ambtsdragers wordt die lijn getrokken. Stellig heeft het probleem dat zich uoordoet een diaconaal aspect. Maar is met de aanstelling van de zeven alleen een diaconaal probleem opgelost?

ACHTERGROND

Om Handelingen 6 te kunnen begrijpen, doen we er goed aan dit bijbelboek vanaf het begin te lezen. D.J. Karres laat de lijn op dit punt helder uitkomen (De gemeente en haar diakonaat, ’s-Gravenhage 1969, blz. 20–42).

De eerste fase zien we in Hand. 2:41–47. We lezen daar dat ‘zij die tot het geloof gekomen waren, alles gemeenschappelijk hadden; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden’ (vs 44v). Het roept het beeld van een gemeentediaconaat dat spontaan gestalte krijgt. Zonder dat er iets aan georganiseerd is, zorgt men dat niemand tekort komt. We lezen opnieuw over de diaconale instelling van de gemeente in Hand. 4:32–37. Op het eerste gezicht lijken die verzen het in Hand. 2:41–47 beschrevene alleen maar te herhalen, maar als we precies lezen zien we kleine verschuivingen. Waren het in Hand. 2 nog ‘telkens’ enkelingen, nu is er ‘niet één’ die zegt dat iets ‘zijn persoonlijk eigendom’ is (vs 32), en in vers 34 wordt met nadruk gesteld, dat ‘allen’ hun eigendommen verkochten en ter beschikking van de gemeente stelden.

Hoe zullen we dat duiden? Is het van de Heilige Geest, dat een initiatief van enkelingen wordt overgenomen door heel de gemeente, en er een nieuwe levensvorm ontstaat? Daar lijkt het wel op. Dat neemt niet weg dat de vraag gesteld mag worden of het niet in de praktijk door sommigen ervaren wordt als groepsdwang. Hand. 4:32–37 loopt over in Hand. 5:1–11, waar we horen van Ananias en Saffira. Ze gaan mee in wat anderen doen, maar ze houden een deel achter. Dat is op zichzelf geen probleem, maar wèl dat ze erover zwijgen en het doen voorkomen alsof ze het hele bedrag afstaan.

HANDELINGEN 6

Dit alles hebben we gehoord, als we Hand. 6 opslaan. Wat is daar aan de hand? De jonge gemeente groeit, en de leiding van de gemeente vraagt steeds meer van de apostelen. In Hand. 4:34 staat immers dat men de opbrengst ‘aan de voeten van de apostelen’ legde. Er is ‘dagelijkse voorziening’ (vs 1), en dat is: ‘voorziening van de tafels’ (vs 2), wat een ander woord is voor verdeling van voedsel en andere levensbehoeften.

Er vindt echter een verwaarlozing plaats van weduwen van Grieks sprekenden. Wat zit daar achter? Nu, uit heel het gebied rond de Middellandse Zee kwamen joden graag voor hun oude dag, hun levensavond, naar Jeruzalem en omgeving, om dichtbij de tempel te zijn, daar te leven en te sterven. Ze waren de jongsten niet meer, als ze daar kwamen, en velen van hen maakten het ook niet zo lang. Met als gevolg, dat hun weduwen — soms een stuk jonger — achterbleven. Niet altijd hadden deze weduwen een appeltje voor de dorst. Ze vormden een fors sociaal probleem. Ze behoorden niet tot de eigen, oorspronkelijke bevolking van Jeruzalem, die elkaar kende. Ze spraken een andere taal, hadden andere leefgewoonten, en zoals dat altijd vanzelf gaat: je hebt eerder diegenen in het oog, met wie je van huis uit vertrouwd bent. De apostelen waren Galileeërs, niet uit de diaspora afkomstig, en zo kon het onbedoeld zomaar gebeuren, dat die weduwen van Grieks sprekenden tekort kwamen bij de dagelijkse bediening.

De werkwoordsvorm ‘verwaarloosd’ spreekt volgens J.P. Versteeg van een ‘over het hoofd zien’ van deze weduwen. Gezien de nadruk die de aanstelling van de ‘zeven’ in Handelingen krijgt, vermoedt Versteeg dat er meer aan de hand is dan alleen een diaconaal probleem. Hij denkt aan de kwestie van cultische reinheid; dan ging het om de vraag ‘wie niet aan de gemeenschappelijke maaltijden mocht deelnemen, gezien vanuit het standpunt van de joodse reinigingswetten. In ieder geval heeft de uitdrukking “de dagelijkse bediening” meer betrekking op de gemeenschappelijke maaltijden als zodanig dan op de hoeveelheden van het dagelijks te verdelen voedsel.’ (J.P. Versteeg, ‘Nieuwtestamentisch profiel van de ouderling’, in: D. Koole en dr W. H. Velema (red.), Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente. Een handreiking aan de ouderling, Kampen 1982, blz. 20).

Met het oog op dit probleem worden de ‘zeven’ aangesteld. Zijn dat dus een soort diakenen, tegenover de apostelen als ouderlingen? Zegt Hand. 6 dan ook dat de verkondiging van het Woord belangrijker is dan de dienst van de tafels (vs 2)?

WAT DOEN ZE?

Er zijn een paar opvallende dingen aan de orde. Deze zeven hebben — om te beginnen — stuk voor stuk Griekse namen. Daaruit mogen we afleiden, dat ze zelf ook tot deze groep van Grieks sprekenden behoorden. Misschien mogen we daar de conclusie aan verbinden, dat je wel één gemeente bent en blijft, één kerk, maar dat het goed is, als de dagelijkse zorg wordt gedaan door mensen, die de taal spreken en de gewoonten kennen. Dan gaat het dus niet enkel om aanstelling van diakenen.

Dat blijkt ook uit het feit, dat deze zeven preken, en dat is het ook het enige wat we van hun werk lezen! Stefanus voorop, maar ook Filippus brengt het Woord in Samaria, en wordt door de Geest gebracht bij een Ethiopische minister, die uit Jeruzalem op terugreis is. De Heilige Geest stuurt op die man geen Hebreeuws sprekend lid van de gemeente van Jeruzalem af, maar de Grieks sprekende Filippus — en Grieks was het Engels van die dagen.

Deze zeven waren al met al eigenlijk meer ‘oudsten’, ouderling en diaken tegelijk zegt Versteeg (blz. 21). Het besturen is echter niet een kwestie van management, maar van bijstaan in de dienst van de apostelen.

ONDERWAARDERING VAN HET DIACONAAT?

Maar waarom staat er dan, dat de apostelen zich zullen wijden aan de verkondiging van het Woord? Is dat toch niet een onderwaardering van de dienst van de diakenen? We doen er goed aan voor ogen te houden, dat de apostelen een bijzonder ambt vormden. Zij waren getuigen van wat Christus heeft verkondigd en gedaan, en van wat God in Hem heeft gedaan, in kruis en opstanding en hemelvaart en uitstorting van de Heilige Geest. Zij moeten het fundament leggen, waarop de gemeente wordt gebouwd. Paulus, de laatste apostel, schrijft aan de Korinthiërs, dat hij niet gezonden is om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen (1 Kor. 1:17). De apostelen moesten zich concentreren op hun unieke, door God gegeven taak: de verkondiging van Jezus Christus.

Er zit dus geen onderwaardering voor de dienst van de diaken achter, als de ‘zeven’ hier worden aangesteld. En als Petrus zegt, dat hij en de andere apostelen zich zullen concentreren op de verkondiging, dan bedoelt hij daarmee niet, dat dat veel belangrijker is. Nee, er worden zeven Grieks sprekende kerkenraadsleden aangesteld, er treedt een organisatievorm op, de kloof tussen Grieks en Hebreeuws sprekenden moet overbrugd worden, maar die verschillen in de gemeente van Jeruzalem moeten samen worden overstegen door het éne Woord.

ZEGEN

Het blijkt een goede beslissing te zijn geweest. Het ‘Woord groeit’ (vs 7). In vers 1 lazen we dat de gemeente groeide. Maar dat wil nog niet zeggen, dat het Woord ook groeit, dat is: in kracht en betekenis voor de mensen toeneemt. En dat moet wèl. Want alleen als dat Woord verkondigd wordt als levende verkondiging van Jezus Christus, blijft dat geheim van het nieuwe leven bewaard. Dat Woord brengt eenheid van Woord en daad met zich mee. Het is het Woord, dat de apostelen tot inzicht brengt, dat het niet goed gaat.

In Hand. 6 komt het werkwoord ‘dienen’, waarvan het woord ‘diaken’ is afgeleid, in de verzen 1 en 2 voor. De Australische theoloog J.N. Collins heeft het bijbelse begrip ‘diakonia’ in de context van de tijd van het Nieuwe Testament opnieuw vanuit de bronnen onderzocht, en betoogd dat de kern ervan gelegen is in de ‘tafeldienst’ (vgl. Luc. 22:27). Daarbij — en dat zien we precies ook in Hand. 6 — ligt de nadruk niet op het verachtelijke van de dienst als werk van slaven. De ‘diakonos’ is een bruggenbouwer, die mensen opzoekt die uit het oog geraakt zijn, en hen bij de anderen, bij de kudde, terugbrengt. Het is goed, dat alle ambten in de gemeente van Christus in onze kerkorde ‘diensten’ worden genoemd. Dit is de kern van het werk, in navolging van Christus, die als Goede Herder zoekt wat verloren is. Vandaag doen wij er goed aan om óók in onze multiculturele samenleving te zoeken naar wegen en middelen om mensen te bereiken, om zó op een levende manier in dienst van Christus te staan. Met woord en daad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.