+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

38

Toen nu de morgen gekomen was en de gevangenen tot de Prins zouden afgebracht worden, kleedden ze zich in rouwgewaad met koorden om hun halzen. De ingezetenen van de stad kwamen ook op de muren, allen in treurklederen gekleed, opdat zij van de Vorst ontferming zouden mogen krijgen.

Maar hoe gedroegen zich de IJdele Gedachten, de lieden van deze wereld die in de stad waren? O, die liepen hier en daar door de straten van Mensziel met hele compagnieën, roepende terwijl ze liepen met een groot rumoer, de één dus en de ander weer juist het tegendeel, bijna tot de uiterste ontsteltenis van Mensziel. Denk niet dat het gaan tot Vorst Immanuël om ontferming het niet wedergeboren deel van Mensziel kon behagen. Al de boosheid die opwelt uit de onzalige fontein van het inwonend verderf staat dat tegen. Satan, zonde en ongeloof spannen saam en zoeken alles op de been te brengen om, was het mogelijk, de verzoening met God in Christus te verhinderen. Als deze dag des gerichts voor het smekende volk een gezegende dag moge worden, dan is de uitkomst geheel in het nadeel van de driehoofdige vijand. En uit al de tegenstand die het boetvaardig gaan naar Vorst Immanuël ontmoet, moet die zaak wel gezond zijn. Reken er op dat de vijand het heel goed weet welk hart de Heere aankleeft, hongert en dorst naar Zijn gerechtigheid. Laat u dan door al die tegenstand niet afhouden van de troon der genade, maar roep des te harder om ontferming. Toen de gevangenen nu tot het leger afgingen om voor de Vorst te verschijnen, ging kapitein Boanerges met een troep voor hen heen en Overtuiging volgde hem na, de gevangenen geboeid met ketenen in ’t midden. De troepen die voor en achter gingen marcheerden met vliegende vaandels, maar de gevangenen gingen droevig en traag voort in rouwklederen, koorden om de hals dragende, op de borst slaande, zonder dat ze hun ogen ten hemel durfden heffen. Zo gingen ze door de poort van Mensziel tot ze in ’t midden van des Konings leger kwamen, waar ’t gericht der heerlijkheid van al wat hen omringde, hun droefheid zeer vermeerderde; zij konden zich nu ook niet langer bedwingen, maar riepen luidkeels uit: „O ongelukkige mensen! o ellendige mannen van Mensziel!” ’t Gerammel der ketenen vormde, verenigd met het gekrijt der gevangenen, inderdaad ook een beangstigend geluid.

Eindelijk kwamen zij aan de deur van des Prinsen paviljoen, waar ze zich plotseling lieten nedervallen. Nadat iemand ingetreden was om zijn heer te zeggen dat de gevangenen daar waren, klom de Vorst van Zijn troon en liet de geboeiden binnenbrengen. Dezen beefden zeer en hun gelaat gloeide van schaamte. Genaderd aan de plaats waar de Vorst zat, vielen ze voor Hem neder. Maar Hij zeide tot Boanerges: „Beveel de gevangenen te staan op hun voeten.” Zo stonden zij al bevend voor Hem, toen Hij vroeg: „Zijt gij de mannen die eertijds dienaren van El-Schaddai waart?” Zij antwoordden: Ja Heer, Ja.” De Prins vervolgde: „Zijt gij de lieden, die toelieten dat de gruwelijke Diabolus u bevlekte en verdierf?” Zij antwoordden: „Heere, wij deden meer dan toelaten, want wij verkozen het met onze eigen zin.”

De Prins voer voort: „Zoudt ge wel hebben gewild, dat deze uw slavernij onder zijn geweld zolang geduurd had als gij leefdet?” De gevangenen antwoordden: „Ja Heere, ja, want zijn wegen waren aangenaam voor ons vlees en wij waren vervreemd geworden aan een betere staat”. „Maar toen Ik tegen Mensziel optrok,” zo vervolgde Hij verder, „wenste gij toen van harte dat Ik de overwinning niet krijgen mocht?” „Ja Heere, ja,” antwoordden ze. Toen hernam de Prins: „En wat straf meent ge dat gij om deze en andere hooggaande en zware zonden wel verdiend hebt?” Waarop zij zeiden: „Beide de dood en de afgrond, Heere; minder verdienden wij niet.”

Hij vroeg verder of ze ook iets in te brengen hadden waarom dat vonnis dat zij naar hun eigen bekentenis verdiend hadden, niet over hen zou uitgevoerd worden. En zij zeiden: „Wij kunnen niets zeggen, Heere, Gij zijt rechtvaardig, want wij hebben gezondigd.” De Vorst vroeg: „En wat doen deze koorden om uw hoofden?” De gevangenen antwoordden: „Deze strikken zijn de strikken van onze overtreding om ons te binden ter plaatse der executie, zo barmhartigheid te bewijzen niet aangenaam is in Uw ogen.”

Verder vroeg Hij of al de lieden in Mensziel zulk een belijdenis deden. Zij antwoordden: „Al de ingeborenen, Heere, maar van de Diabolisten die in de stad kwamen, toen de tiran ons in bezit nam, kunnen wij dat niet zeggen.”

Het is een ootmoedige belijdenis, een diepe vernedering voor het aangezicht des Heeren, die weldadig aandoet. Door de genade des Heeren is deze onvoorwaardelijke overgave verkregen en zijn de wapenen van op- en tegenstand ingeleverd.

Toen beval de Prins dat er een heraut geroepen zou worden en dat die door het ganse leger van Immanuël met het geluid der trompetten zou uitroepen dat de Prins, de Zoon van El-Schaddai, in Zijns Vaders naam tot Zijn Vaders heerlijkheid een volkomen overwinning op Mensziel had behaald en dat de gevangenen deze heraut zouden volgen en zeggen: Amen. Dit werd gedaan zoals het bevolen was. Terstond liet zich de muziek die in de bovenste hemelen was, heugelijk horen. De kapiteins in het leger juichten en de soldaten zongen de Vorst overwinningsliederen toe, de vaandels werden in de wind gestoken en alom was er grote vreugde. Alleen ontbrak die vooralsnog in ’t hart der lieden van Mensziel.

Het is een heerlijke gestalte des harten te mogen buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid. Uit liefde tot Zijn heilige wet een welgevallen te hebben in de straffen van onze ongerechtigheid. Dan wordt het verstaan dat Gods goedertierenheid roemt tegen een welverdiend oordeel. En uit de kracht daarvan gedenkt de Heere aan Zijn verbond.

Daarna beval de Vorst dat de gevangenen voor zouden komen, weshalve ze toetraden en bevende voor Hem stonden. Hij zeide hierop tot hen: „Aangaande de zonden en ongerechtigheden, die gij van tijd tot tijd tegen Mijn Vader en Mij bedreven hebt, Ik heb macht en last van Mijn Vader om de stad Mensziel die alle te vergeven. En op grond daarvan vergeef Ik u die ook.” Dit gesproken hebbende, gaf Hij hun een breed en algemeen pardon, geschreven op perkament en met zeven zegels verzegeld. De heer Majoor, de heer Wil en de heer Registreerder daarbij gebiedende die door de ganse stad de volgende morgen als de zon op kwam af te kondigen.

Gekomen met het vonnis des doods in het hart, mochten zij in het ootmoedig zwijgen voor de majesteit van Gods recht, de vrijspraak van Zijn vergevende liefde ontvangen in het hart met verwondering en aanbidding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.