+ Meer informatie

Huisbezoek door de gemeente

10 minuten leestijd

Over het huisbezoek dat door en namens de kerkeraad gebracht wordt aan de gemeente, zijn reeds vele artikelen geschreven in ons blad. Wie over dit onderwerp boeken wil lezen, kan o.a. terecht bij de bekende boeken van W. A. Wiersinga („Weid mijne schapen” en „Waak over mijn huis”) of van C. Vonk („Huisbezoek in Gods gemeente” en „Huisbezoek naar Gods geboden”). Hoewel deze boeken reeds ruim 30 jaar oud zijn, kan elke ambtsdrager deze lectuur nog met vrucht doorwerken, hoeveel er ook in deze periode veranderd moge zijn. Iedere ambtsdrager die weet dat „huisbezoek” onmisbaar is voor het welzijn van de gemeente en voor het getrouw vervullen van het ambt, hetzij predikant, hetzij ouderling, hetzij diaken, zal de noodzakelijke toerusting voor dit deel van zijn ambtswerk ook vinden in het serieus kennisnemen van lectuur als de genoemde boeken. Zonder die noodzakelijke toerusting gesteund door persoonlijke aanleg om met mensen om te gaan en vooral zonder persoonlijke omgang met de Here zou het wel eens kunnen gebeuren dat zij die het bezoek ontvangen, het als een bezoeking ervaren, zodat de bezochten blij zijn er weer voor een jaar af te zijn. Het huisbezoek moet geen geestelijke bevoogding zijn, maar bijstand aan de gemeente. Dat zal ook „terugwerkende” kracht hebben voor de ambtsdrager. Bekend is de opmerking van een oudere predikant aan een aankomend predikant: „Je moet je preek in de geméénte gaan halen!” Mutatis mutandis geldt dat ook voor de andere ambtsdragers. Geen wonder dat de kerk van de Reformatie zoveel waarde hechtte aan het huisbezoek. Het Convent van Wesel (1568) bepaalde zelfs dat de ouderlingen „van huys tot huys, die onder haar opsigt staan, ten minsten eens alle weken, en voorts na het elke Kerke voor gebruyk heeft, besoeken” (IV, 2). Een wekelijks bezoek moge een „bezoeking” betekenen voor beide partijen, bezoekers en bezochten, deze Weselse bepaling onderstreept wèl het belang van huisbezoek! Ook al was dit onuitvoerbaar, er zijn kerken — ik meen o.a. de Zuid-Afrikaanse kerken — die vasthouden aan wat Wesel ook als ideaal c.q. regel stelde: „voornamelyk omtrent den tydt van het houden des Nachtmaals”; dus vier maal per jaar, soms zelfs zes keer mocht (mag) de gemeente de ambtsdragers verwachten. Bij ons is dit aantal gereduceerd tot èèn in de regel (en dan zijn de meeste kerkeraden nog blij dat ze in èèn jaar „rond” komen!). Natuurlijk kan er onderscheid gemaakt worden tussen een werkelijk pastoraal gesprek onder vier ogen, èn het huisbezoek wanneer het gaat om het „huis” in de Bijbelse betekenis van het woord. Maar welk aspect ook in geding gebracht wordt, het belang van goed huisbezoek zal wel door niemand ontkend worden, een belang dat wederkerig is.

Dat het huisbezoek als zodanig ook „wederkerig” is, staat waarschijnlijk minder sterk voor de geest van gemeente en ambtsdragers. Immers ook de ambtsdragers kunnen object van bezoek zijn, nl. van de kant van de gemeente. Dan gaat het niet om de door ambtsdragers gebrachte bezoeken, maar om de bezoeken die hij „krijgt”, die hij ontvangt uit de gemeente. Immers, wanneer huisbezoek in de bovengenoemde zin van het woord — de eigenlijke zin — intensief en goed wordt „beoefend”, dan zal het gevolg zijn dat de gemeente van haar kant ook het contact met de amtsdrager zoekt; dan is „huisbezoek door de gemeente” een uit de ontstane relatie voortvloeiende, vanzelfsprekende zaak, nl. „huisbezoek” aan de ambtsdragers. Ga hier nu niet meteen over „ambtelijk karakter” etc. spreken. Natuurlijk is hier bij de „bezoekers” niet een ambtelijke kwaliteit, bevoegdheid of wat dan ook in het geding, hoogstens iets van het „ambt der gelovigen”. Maar daarom kan de ontvangende ambtsdrager wel het besef hebben dat hij althans „ambtelijk” ontvangt. Waarschijnlijk zal deze kant van het „huisbezoek” meer aan de orde zijn bij de predikanten dan bij de ouderlingen en diakenen, maar ook zij hebben hiermee te maken.

Dat het „huisbezoek door de gemeente aan de ambtsdragers” bijzondere eisen stelt behoeft geen betoog. Het „gewone” huisbezoek vergt van het gezin van de ambtsdrager — vooral als er opgroeiende kinderen zijn — het een en ander. Dat weet u allen wel uit de praktijk! Maar dit huisbezoek vergt zo mogelijk nog meer: Huisvesting, huiselijke omstandigheden, zelfs geografische spreiding van de gemeente, kunnen van die aard zijn dat het erg moeilijk wordt dergelijk bezoek te ontvangen. Maar de bereidheid om te ontvangen moet m.i. buiten kijf zijn. Gesteld echter dat alles zò mee „zit”, mee „werkt” dat er geen enkel bezwaar is om als „ambtelijk” gastheer op te treden — dat het dus voor vrouw en kinderen geen „bezoeking” wordt! — dan nog is er veel takt en wijsheid nodig om bij schuchtere gemeenteleden de „drempelvrees” (vooral voor de pastoriedrempel) te overwinnen, en bij opdringerige en onbescheiden lieden het gemak waar mee men „tijdig en ontijdig” aanbelt, af te remmen zonder te kwetsen. Vooral de pastorie moet altijd „open” staan (en de koffie klaar!) ook al weet (en ervaart) men dat er mensen zijn die er misbruik van maken. Dat de „pastoorse” (met nadruk deze voortreffelijke benaming van de dominees vrouw) hier een buitengewoon belangrijke functie vervult, zal ieder duidelijk zijn. Met name zij moet wel begenadigd zijn met meer dan gewone gastvrijheid, geduld, takt om het bezoek te ontvangen en op z’n gemak te stellen zò dat men zich „thuis” voelt. Tenzij er speciale moeilijkheden en bijzondere omstandigheden zijn, past een „spreekuur” misschien wel bij het „gemak” van de „ontvangende” partij, maar minder goed in het kader van de pastorale bewogenheid. Een „herder” (pastor) kent toch geen „spreekuur” voor de „kudde”? Nogmaals, het kan voor het „gemak” van de gemeente dienstig zijn, maar anders: taboe!

Er zijn twee soorten van deze „huisbezoeken”. Men kan een „boodschap” hebben en onverwacht aanbellen om kennis te geven van geboorte, ziekte of van welk spoedgeval ook. De ene keer kan de bezoeker of „boodschapper” in de familiekring ontvangen worden om het zijne te zeggen. De andere keer is het nodig hem even alleen te spreken, desnoods „op de mat” om het zijne vrijuit te zeggen. Maar als de bezoeker (natuurlijk ook -ster) niet „binnen” kan komen, dan is het alleen al eis van beleefdheid hem of haar mee te delen waaròm dat niet kan, maar ook: de onmisbare vertrouwensrelatie eist het.

Evenwel of het gesprek nu „op de mat” of in de huiskamer (studeerkamer of waar dan ook) plaats vindt, laat niemand de indruk krijgen dat hij/zij niet welkom is, en dat zijn/haar boodschap als een bagatel wordt beschouwd. En al is het dan aan de deur als ’t niet anders kan, laat elke ambtsdrager — gesteld natuurlijk dat hij thuis is — de onverwachte bezoeker te woord staan, want ’t is van te voren nooit te zeggen of te vermoeden hoe belangrijk de zaak is waarvoor men komt; belangrijk in elk geval voor degene die de „moeite” (in meer of mindere mate natuurlijk) neemt met z’n zaak „even” aan te wippen.

Een andere vorm van „huisbezoek” is het afgesproken bezoek. Natuurlijk kan dat bezoek niet bij de deur afgewerkt worden. Al naar de aard van het bezoek, het doel waarvoor men een afspraak heeft gemaakt, wordt zo’n bezoek in de huiskamer of in de studeerkamer ontvangen (natuurlijk het laatste geval doet zich met name voor bij de dominees onder de ambtsdragers). Het maken van dergelijke afspraken onderstelt uiteraard enige ervaring in het onderscheiden van de belangrijkheid en noodzakelijkheid z’n tijd voor een bepaald geval te geven. De subjectieve beoordeling van dat geval sta echter niet voorop! Het ontvangen van het bezoek in de huiskamer nadert het sociale contact dat in de vorm van „visite” beoefent wordt. Dat behoeft als „theevisite” of als „koffiepraatje” zonder meer niet minderwaardig of verachtelijk te zijn. En zeker mogen deze afspraken niet beperkt blijven tot een „vriendenkring” met wie een persoonlijke vriendschap wordt onderhouden. Het is voor het ambtswerk van de grootste betekenis dat er een vertrouwensrelatie aanwezig is. Een vertrouwensrelatie groeit nu eenmaal slecht als er geen „sociaal contact” bestaat. Wie alleen maar kan omgaan met mensen van „gelijke standing” verleend zichzelf een testimonium paupertatis, een bewijs van geestelijke armoede! Wie een dergelijke relatie wil bouwen nodige bijv. eens enkele echtparen of alleenstaanden of wat jongelui uit voor een bezoek bijv. op zondagavond, hetzij uit heel de gemeente, hetzij uit de eigen wijk, zonder onderscheid te maken in welkome en minder welkome gasten. Zonder ook het roemruchte of befaamde „gezelschap” van weleer te doen herleven.

Al deze vormen van huisbezoek raken de „binnenkant” van de gemeente. We zouden ook over „huisbezoek door de gemeente” naar buiten kunnen spreken. Misschien ligt dit meer op het terrein van de evangelisatie. Maar het is toch de moeite waard in dit kader hieraan aandacht te schenken. Onlangs circuleerde in de pers een bericht van een amerikaanse gemeente die in 1961 tot 17 belijdende leden geslonken was. De plaatselijke predikant zat er mee dat ledental en kerkbezoek al maar terugliep. Huisbezoek vond hij een van de moeilijkste zaken van zijn werk, want hij wist eigenlijk nooit wat hij moest zeggen. Op zekere dag nam een evangelist hem mee op huisbezoek. „Wat hij in de drie jaar op het seminarium niet geleerd had, leerde deze evangelist hem in enkele weken … Vanaf dat moment begon hij een actie in zijn eigen gemeente. Hij had begrepen dat de gemeenteleden het werk moesten doen en dat hij tot taak had hen daarvoor te trainen. Hij zette een cursus op van zes weken. Do weinige gemeenteleden voelden er wel voor en kwamen trouw. Na zes weken gaf hij hen de opdracht om er op uit te gaan en mensen te gaan bezoeken. In plaats daarvan gingen zij naar huis en deden niets meer. Opeens besefte hij echter waarom de gemeente faalde. Had hijzelf niet drie jaar op een theologisch seminarium gezeten, maar het afleggen van huisbezoeken pas in de praktijk geleerd? … Vanaf dat moment nam hij gemeenteleden mee op huisbezoek. Zo leerde hij hen in de praktijk in huiskamers voor hun geloof uit te komen en mensen voor Christus te winnen. Al spoedig waren de mensen die hij eerst meenam zover, dat zij andereen mee konden nemen op huisbezoek. Langzaam maar zeker ging zijn gemeente zich specialiseren in huisbezoek door gemeenteleden.” Het werk in deze gemeente werd gezegend. Alleen al in 1968 legden 1600 mensen er belijdenis van hun geloof af. Een nieuwe kerkzaal werd gebouwd die plaats biedt aan 2500 mensen, onderdeel van een kerk die 21 miljoen gulden kost (in de oude kerk werden vijf diensten per zondag gehouden). Men heeft een eigen christelijke lagere school, onderhoudt 20 zendelingen en heeft vijf predikanten! Het financiële budget bedroeg in 1969 niet minder dan 2.2 miljoen gulden. Het geheim van deze enorme groei is: huisbezoek door de gemeente! Of zo iets hier mogelijk is? Wie zal het zeggen? Maar zoveel is wel zeker: het herderlijke werk is geen specialiteit van enkelen, ambtsdragers geheten, maar van heel de gemeente, intern en extern!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.