+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

6.

Daar ons reisgezelschap de poel Twijfelzucht achter de rug heeft, zo heeft men daarmee de twijfel van het ongeloof niet voor altijd onder de knie. Al is het wezen des geloofs het onaantastbare leven der genade, daar de innerlijke gemeenschap met Christus niet te breken is, dan heeft men toch nog wel terdege rekening te houden met de kwellingen van het ongeloof.

De Heere geeft Zijn heilzoekend volk een grondige kennis van de boosheid en bitterheid, die er is in het ongeloof. Het is onze grootste vijand waarmee wij te maken hebben bij het zoeken van de dingen der eeuwigheid. In de grond van de zaak staan wij elke dag bloot voor het vallen in de kwellingen van het ongeloof. En maar al te weinig wordt met deze vijand rekening gehouden. Altijd weer zoekt hij ons te verlammen in het zoeken van de Heere. Hij verheugt er zich over als het hem gelukt ons met machteloosheid te slaan. En dat duurt tot de laatste snik toe, waarop wij hebben te letten.

Maar bij deze poel heeft de vijand met al de listen en lagen geen sukses gehad in het hart van de vrouw en kinderen, en dat tot roem van Gods genade.

Doch nu rijzen bij het reizen naar de enge poort bezwaren in het hart van Barmhartigheid. Zij weet niets te vertellen dat haar enig zicht zou kunnen verstrekken voor het gaan door de enge poort.

Christinnen weet dat wel, zij kan zo nodig haar reispas tonen, vertellen wat de Heere gedaan heeft aan haar geest en hoe Hij met ontferming had nedergezien op haar kinderen.

’t Laat zich goed indenken dat deze jongedochter bezwaard tegen het komen bij de enge poort opzag. Niet toegelaten te worden en niet terug te kunnen naar de stad van haar geboorte deed haar staan tussen twee onmogelijkheden in. Bij de wereld kan zij het niet houden, dat leven is haar de dood geworden. Wanneer zij nu eens niet werd opgenomen in de gemeenschap van de reizigers naar Sion, geen plaats ontving bij Gods kinderen, dan zou zij als het ware moeten wegzinken in het verdriet van dat gemis.

Barmhartigheid weet wat het is een vreemdeling te zijn op aarde, geen thuiskomen te hebben, te staan onder de blote hemel, ’t Is om te bezwijken, want in haar hart is zij er van overtuigd de dood verdiend te hebben. En dat zou zeker plaats gehad hebben zo zij in dit alles niet ondersteund was geworden door de verborgen hand van Gods genade.

Ja, met die verborgen ondersteuning trok zij al zuchtende op naar de enge poort. In de gedachte dat bij de Heere uitkomsten zijn tegen de dood, zag zij soms een klein lichtpuntje. Zij heeft er van gehoord en het is waar dat de Heere wonderen doet. En het zal voor haar een groot wonder zijn indien de deur voor haar geopend wordt om op te trekken naar het beloofde land. Die toegangspoort kan haar alleen van binnen uit geopend worden. Wel sprak Christinne zeer tegemoetkomend tot deze jongedochter, zij wilde haar niet nodeloos bezwaren door hetgeen haar geschonken was op de voorgrond te stellen. Maar dat hielp niet. Zij bleef staan in het gemis van hetgeen Christinne toegang zou verschaffen naar de door de Heere gebaande weg. Maar dat gemis is haar toch een levend gemis en niet slechts het gemis van een dorre beschouwing. ’t Wordt toch door haar beweend en betreurd de Heere te missen.

Volkomen waar, het is door genade bij deze jongedochter een levend gemis, een droefheid daarover, die zij voor de hele wereld niet wil missen. Als u met haar spreekt over de keus van het nieuwe leven, dan weet zij er van te getuigen. Maar is dat nu echt en bijblijvend? Zij vreest wel duizend maal dat het over zal gaan.

Wel heeft zij door Gods ontfermende en trekkende liefde haar leven waarmee zij werd geboren verloren, zodat het nu haar leven is de Heere te vrezen, maar daarin is voor haar niet de grond der zaligheid, en terecht.

Bij het vertrek van Scherpzinnigheid was het onze zeer geachte schrijver en dromer, als zag hij Christinne en Barmhartigheid en de jongens de poort naderen. En daar gekomen, overlegden zij wat zij doen zouden om gehoor te krijgen en wat zij zouden zeggen tot hem, die de poort zou openen. Nu kwamen zij overeen dat Christinne, als de oudste, zou aankloppen en uit naam van allen het woord doen.

Christinne klopte dus aan en evenals haar man voor haar gedaan had, klopte zij herhaaldelijk. Maar in plaats van antwoord te krijgen, meende zij een geluid te horen alsof een grote hond blaffend op hen afkwam. Dat joeg vooral de vrouwen schrik aan en zij durfden bijna niet meer kloppen uit vrees dat een bulhond op hen zou aanvliegen. Ze waren dus een wijle besluiteloos wat te doen.

Aankloppen durfden zij niet, uit vrees voor de hond; teruggaan evenmin, denkende dat de deurwachter dit zien zou en dit kwalijk zou nemen. Eindelijk besloten zij de klopper nog eens te laten vallen en zij lieten hem met meer kracht neerkomen dan de eerste keer. Nu riep de deurwachter: „Wie is daar?” Toen hield de hond op met zijn geblaf en de deur werd geopend.

Gelukkig zijn de vrouwen in deze beproeving niet bezweken, niet op de vlucht geslagen. De helse bulhond is met al zijn lawaai beschaamd gesteld tegenover het zwakke geloof van het zwakke geslacht. Want dat zwakke geloof droeg het echte stempel van de Heilige Geest en dat is: volharden.

Christinne neeg nu diep en zei: „Mijnheer duide het zijn dienstmaagden niet ten kwade, dat wij aan zijn vorstelijke poort hebben geklopt”. En dat deed hij dan ook niet, want de man heeft een hart vol liefde tot de pelgrims, die langs de koninklijke weg wensen in te gaan.

Hierop vroeg de deurwachter: „Waar komt gij vandaan, en wat is er van uw begeren?” Een vraag, die ingrijpend is voor het leven en van een hartdoorzoekend karakter. Het gaat hier om de afkomst en het doel van deze reizigers. „Wij komen — zo sprak Christinne — van dezelfde plaats als de Pelgrim en wij hebben hetzelfde doel als hij. Wij zouden — zo sprak zij verder — gaarne door u worden binnengelaten ten einde op de weg te komen, die naar de Hemelstad voert. En dan wil ik u zeggen, mijnheer, dat ik Christinne ben, eens de vrouw van de Pelgrim, die nu daarboven leeft”.

Op het horen van deze woorden gaf de deurwachter zijn verbazing te kennen, zeggende: „Wat hoor ik? Wil zij nu een pelgrim worden, die nog slechts voor korte tijd dit leven zo zeer verafschuwde?”

Toen boog zij het hoofd en zei: „Ja, en mijn kinderen ook”.

Daarop nam hij haar bij de hand, leidde haar binnen en sprak: „Laat de kinderkens tot Mij komen”, en dit zeggende sloot hij de poort. Toen wendde hij zich tot een man, die boven de poort gezeten was met een bazuin en hij gaf hem last om Christinne en haar kinderen te verwelkomen met bazuingeschal. Dit geschiedde nu en weldra weerklonk een heerlijke en liefelijke muziek in het rond.

Hoe hartelijk toch is Christinne met haar kinderen ontvangen. Wij denken hier, al kunnen wij het niet met de nodige klaarheid bewijzen, dat de edele heer Verborgenheid op een voor ons verborgen wijze aan de heer van deze poort van zijn bezoek aan dit gezin kennis gegeven zal hebben. Ge weet wel, van zijn bezoek toen zij zich gereed maakte de stad te verlaten. Anders zou hij zijn onderzoek wel meer uitgebreid hebben.

Maar een voorspraak in de goede zin des woords wordt door de Schrift niet veroordeeld. En bovendien wordt het de pelgrims nooit nodeloos moeilijk gemaakt.

Aan uw vriendelijk verzoek nog iets te zeggen van de enge poort der waarachtige bekering, hopen wij de volgende keer te voldoen.

N

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.