+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

5 minuten leestijd

Michael Servet. Deze Antitrinitariër was een buitengemeen ontwikkeld man, in 1511 te Villanuova in Arragon geboren, een Spanjaard dus.

Als arts ontdekte hij de bloedsomloop, maar interesseerde zich ook zeer voor theologie c.a.

Dit laatste zou zijn ongeluk worden. Hij was namelijk een bespiegelende geest, die de geheimen van het Goddelijk Wézen in verhouding tot het geschapene, trachtte te doorgronden.

Op die weg ontmoette hij het leerstuk der Drieëenheid, voor: Protestant en Katholiek beide fundamenteel, maar door Servet beslist van de hand gewezen.

Had hij nu deze beschouwingen slechts voor zich gehouden; in 1531 verscheen echter zijn Detrinitatis erroribus (— Over de dwalingen aangaande de Drieëenheid.)

Hij zocht dit werk ingang te doen vinden, maar met ontzetting wees men het af. In Bazel dwong de Overheid hem zijn dwalingen te herroepen.

Zogenaamd deed hij dat; in werkelijkheid hield hij ze vast.

In 1532 ging hij te Parijs medicijnen studeren en vestigde zich daarna onder de schuilnaam Villeneuve (de Inquisitie zocht hem) als arts te Vienne.

Hier arbeidde hij aan een nieuw werk tegen de 'leer der Drieëenheid: Restitutio Christianismi (= Herstel van het Christendom). Het verscheen in 1553.

Hij noemt die leer „een philosofische pest"; men maakt, volgens hem, van God een „driekoppige hellehond (Cerburus)", zoals die in de griekse mythologie voorkomt.

Servet blijkt volslagen pantheïst. God (Vader) alleen is „tota substantia", de Zoon en de Heilige Geest zijn maar „disposities" van God.

Want al verwerpt hij de Wezensdrieëenheid, hij spreekt toch van een openbaringsdrieëenheid ten behoeve van de verlossing. Zodra deze voltooid is, is ook die openbaringsdrieëenheid er niet meer. Wie de Wezensdrieëenheid leert, zegt hij, leert een Driegodendom. De ongelukkige man wilde met zijn rede afdalen in

de ondoorgrondelijke diepten van het Goddelijk Wezen.

Reeds vóór de verschijning van dit vreselijke boek had Servet zich in briefwisseling gesteld met Calvijn. Jaren te voren hadden zij elkaar al ontmoet en had hij getracht hem terecht te brengen. De hervormer was zeer verontwaardigd en waarschuwde hem, niet naar Genève te komen.

Nu schijnen er van die brieven van Servet, gericht aan Calvijn plus enkele bladen van het boek, via Calvijn's secretaris en van deze door diens roomse neef in handen van de Inquisitie gekomen te zijn. Deze had nu een draad in handen en Servet werd te Vienne in hechtenis genomen. Hij wist echter te ontvluchten en trok, op doorreis naar Italië, Genève door(!), maar werd gegrepen.

Het is dus niet waar, dat Calvijn hem opzettelijk aan de Inquisitie verraden heeft. Hij had altijd gezegd, dat hij Servet met het zwaard des Geestes d.i. Gods Woord heeft willen bestrijden.

Toch was het onvoorzichtig van hem geweest, zij hel ook na lang aandringen, een paai-van die brieven in handen van zijn secretaris te geven.

De gevangenneming is geschied op aandringen van Calvijn. Dit is wel te begrijpen; hij wist hoe buitengewoon gevaarlijk Servet was voor de Kerk, waar hij één der grondzuilen van haar leer loochende. De Overheid heeft daarna deze zaak in handen genomen en de ketter tot de brandstapel veroordeeld. Calvijn had dit laatste niet gewild; de predikanten waren voor onthoofding.

Op 27 October 1553 werd het vonnis uitgevoerd.

Beoordeling van Servet's' terechtstelling.

Over deze terechtstelling is in de jongste tijd heel wat stof opgejaagd en Calvijns tegenstanders hebben er gebruik van gemaakt dit feit tegen hem uit te spelen. (Praamsma p. 185 v.v.)

Een hedendaags tegenstander noemt in dit verband de naam van Torquemada, Groot-Inquisiteur van Spanje (15e eeuw), die 9000 auto-da-fé's op zijn rekeninghad staan. Hij bestempelt de terechtstelling met moord.

In de tijd van Calvijn dacht men in het reformatorisch kamp er echter anders over.

Melanchton, bekend als een zeer zachtmoedig man, schreef aan Calvijn: „Ik dank de Zoon van God, die in deze uw strijd de beslissing heeft gebracht. Ook aan u is de kerk dank verschuldigd en ze zal hem u in alle toekomst schuldig blijven. Ik zeg u, dat uw Overheid goed gehandeld heeft, toen ze deze lasteraar na behoorlijke rechterlijke uitspraak ter dood liet brengen." (Pr. p. 184).

Zelfs roomse tegenstanders schaarden zich in dezen aan de zijde van Calvijn.

Men bedenke ook, hoe arrogant Servet in dit proces optrad. Gewaarschuwd door Calvijn verschijnt hij toch in Genève. Gevangen genomen, eiste hij de verbanning van Calvijn en dat diens vermogen hem zou worden gegeven!

Toch was het geen persoonlijke haat die Calvijn dreef, deze gevaarlijke ketter onschadelijk te maken, maar louter het belang der kerk. Men heeft ook de andere Zwitserse steden om advies gevraagd en allen drongen aan op een strenge straf.

Blijft nu de wijze van onschadelijk maken. Het kan o.i. niet ontkend worden, dat die gang enigszins rooms gekleurd is. Wij kennen de uitdrukking der roomse kerk uit de Middeleeuwen: De kerk dorst niet naar bloed. Maar zij gelastte dan toch maar de Overheid de taak van het berechten der ketters op zich te nemen.

Wat zien wij hier gebeuren? De Overheid neemt hier ook die taak over en Calvijn heeft geen protest laten horen over deze wijze van onschadelijk maken.

Laat de Overheid toch zijn handen uit de zaken der kerk houden; en ook laat de kerk de Overheid buiten haar zaken laten. Anders gaat het zeker verkeerd. Of de Overheid dan niet een roeping heeft ten opzichte van de kerk ? Gewis. Dat blijkt wel, als de kerk die Overheid soms tot de orde moet roepen, tot het richtsnoer-van Gods getuigenis, om zich te onthouden van dingen die der kerke schadelijk zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.