+ Meer informatie

HET GEZAG VAN DE HEILIGE SCHRIFT

43 minuten leestijd

1. Het onderwerp dat voor deze conferentie gekozen is, is voor de gehele kerk en voor ieder christen van belang. Het was dat altijd al en het is dat zeker ook in deze tijd.

De Heilige Schrift ligt in onze kerken op de kansel en het Woord van God wordt elke zondag verkondigd, maar zou het voor allen, ouderen en jongeren, ambtsdragers en leden van de gemeente, in de praktijk hetzelfde gezag hebben? Hoe functioneert het gezag van de Bijbel onder ons? Als de Schrift gezag heeft, betekent dat dat zij het te zeggen heeft. Als zij volstrekt gezag heeft, heeft zij alles te zeggen.

De keerzijde daarvan is, dat wij ons laten gezeggen. Maar dat doen wij zomaar niet. Hier hebben we al te maken met de voornaamste factor die in het spel is, wanneer tegen de Schrift wordt ingegaan. Het gezag van de Heilige Schrift wordt immers steeds weer betwist en bestreden. Er komen meer en meer kritische reacties van de moderne mens op de boodschap van de Bijbel. Hij acht zich langzamerhand wel in staat om zelf te bepalen, wat hij doen en laten zal. De ontwikkeling heeft in de eeuwen na de voltooiing van het Oude en het Nieuwe Testament niet stilgestaan. De vraag wordt al luider gesteld, of de Bijbel voor ons wel zo geloofwaardig is als voor vroegere generaties. Gezag is voor velen al een woord met een bijsmaak. En dan nog eens het gezag van het oude boek……

Natuurlijk blijft de Bijbel als bron van de christelijke religie van betekenis. Maar in andere religies heeft men ook heilige boeken. Heeft de Islam niet zijn Koran? Als men de Bijbel alleen maar als document van een bepaalde godsdienst ziet, rijst de vraag, waarom deze Bijbel dan gelijk zou hebben. Er zijn misschien genoeg mensen die bij het lezen of bestuderen van de Bijbel op zoek zijn naar argumenten om aan de klemmende kracht van het Woord van God te ontkomen….. De Leidse emeritus-hoogleraar H. Berkhof constateert, dat de Bijbel voor tallozen in onze eeuw een puur menselijk boek is geworden, zonder bijzonder gezag 1). Daar moet nog wel aan toegevoegd worden, dat dit samenhangt met het proces van de ontkerstening, met de vervreemding van het christelijk geloof, die wij om ons heen waarnemen.

Er is trouwens wel eens gesproken van het isolement van de gereformeerde Schriftbe-schouwing. Maar vergeleken bij vroeger is onder hen die zich gereformeerd noemen, veel meer in beweging gekomen of zelfs op drift geraakt. We hebben er concreet mee te doen gekregen in het rapport „God met ons”, de studie over de aard van het Schriftgezag, die in 1980 door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland werd aangeboden „als een handreiking tot een dieper verstaan van de Heilige Schrift”.

Er zijn ook andere tendensen te bespeuren. Nu de kritiek op de Schrift meer en meer om zich heen grijpt, roept elke vorm van kritisch omgaan met de Bijbel - en dus niet alleen de radicale maar ook de gematigde Schriftkritiek - veel verzet op. Daarbij gaat men in zijn reactie niet zelden te ver. Dat gebeurt waar men niet beter weet te doen dan zich krampachtig te houden aan de letter van een vertrouwde vertaling van de Bijbel, terwijl men reële vragen niet tot zich laat doordringen en nauwelijks enige ruimte laat voor een andere dan de eigen mening.

Ook dit verschijnsel moet ons verontrusten. Aan het gesprek mogen wij ons immers niet onttrekken.

Er zijn twee uitersten. Laat ik een voorbeeld geven. Enerzijds ontzegt men aan bijbelse geboden elke blijvende gelding, omdat ze tijdgebonden zouden zijn. Anderzijds ziet men er boventijdse voorschriften in, die woordelijk opgevolgd moeten worden.

Wij moeten noch in het ene noch in het andere uiterste vervallen. De Bijbel zegt ons, welke weg wij hebben te gaan, waarbij wij leren te onderscheiden waarop het aankomt. Nog een vooi beeld. Als het over de toekomst gaat, zijn er die zich laten leiden door menselijke verwachtingen, hetzij optimistisch, hetzij pessimistisch. Alsof het Woord van God ons niets over de toekomst te zeggen had en alsof het laatste boek van de Bijbel niet het boek van de toekomst bij uitnemendheid was! Er zijn er echter ook die het boek Openbaring van Johannes lezen als een schets van de toekomst van de wereld, waaruit zij kunnen opmaken, wat er binnenkort zal gaan gebeuren.

Maar heel de Bijbel en daarmee ook het boek Openbaring is ons gegeven, opdat wij in het geloof, dat het koninkrijk van God komt in al zijn heerlijkheid, de dag van onze Here Jezus Christus zullen verwachten.

2. In de inleidende opmerkingen is het eigenlijke thema al aan de orde gesteld: het gezag van de Heilige Schrift.

Dit onderwerp wordt in de dogmatiek of in de geloofsleer meestal zo behandeld, dat het eerst over de openbaring van God gaat, dan over de openbaring in de Heilige Schrift, de inspiratie van de Schrift en de eigenschappen van de Schrift. Gezag is de eerste eigenschap van de Heilige Schrift. Behalve gezaghebbend is ze noodzakelijk, duidelijk en volkomen of genoegzaam.

Het zou nu ook mogelijk zijn deze weg te volgen. Alleen komen wij dan op heel veel punten theologische vragen tegen, die ons ophouden. Dan duurt het langer, voordat wij bij het Schriftgezag zelf zijn. Er is een kortere weg. We gaan uit van het feit, dat de Bijbel gezag heeft in de christelijke kerk.

De boeken van het Oude en Nieuwe Testament zijn immers als canon, d.w.z. als richtsnoer of regel voor geloof en leven erkend. Om met artikel 5 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: Al deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is.

In de Paasbrief van Athanasius uit het jaar 367 komt al een lijst voor van de boeken van het Nieuwe Testament, zoals wij die hebben. Maar daarmee werd de canon niet vastgesteld. Die stond voor de kerk al eerder vast, al is er over de grenzen van de canon enige tijd verschil geweest.

De boeken van het Oude Testament hadden voor de christelijke kerk van het begin af hetzelfde gezag als voor de joodse gemeente. Dat blijkt daaruit, dat het Nieuwe Testament niet alleen naar het Oude verwijst met „David zegt” of „Jesaja zegt”, maar ook met „de Schrift zegt”, „de Here zegt” of „de Heilige Geest zegt”. De apostel Paulus leidt een citaat dikwijls in met: Er staat geschreven. Maar dat deed de Here Jezus reeds. Zo wordt aangeduid, dat een beslissend woord gesproken is.

Terwijl bij de Joden de Thora het middelpunt van de gegeven openbaring van God was en zij gewoon waren te spreken van de wet, de profeten en de geschriften, ontstond in de kerk de term „het Oude Testament”. We vinden die al in 2 Korintiërs 3: 14. Het Oude Testament is een eenheid.

Voor de eenstemmigheid waarmee de kerk de Heilige Schrift als canon erkent en herkent, hebben wij geen andere verklaring dan dat de Heilige Geest haar de boodschap van deze boeken deed verstaan en haar er daardoor toe bracht ze te aanvaarden als door God aan haar gegeven als zijn gezaghebbend woord.

Het woord „Bijbel” is eigenlijk een meervoud: boeken. De 66 boeken vormen een kleine bibliotheek. Het is een verzameling boeken van verschillende omvang en uit verschillende tijden. Er is ook genoeg verscheidenheid in te ontdekken. Vergelijk het boek Leviticus met zijn wetten maar met het boek van de Psalmen, en het Evangelie naar Marcus met de Brief aan de Romeinen of met de Openbaring van Johannes.

In de nieuwe theologie hoort men niet zelden, dat de Bijbel geen eenheid is. Om dat te bewijzen stelt men de theologie van Paulus b.v. tegenover de visie van Jakobus. Men zegt bovendien wel, dat wat Paulus leerde een verandering was van de boodschap van Jezus. Men ontdekt zelfs allerlei tegenstrijdigheden in de boeken van de Bijbel.

We kunnen bij bepaalde auteurs lezen, dat we in de boeken van het Oude en Nieuwe Testament als de bronnen van de joods-christelijke boodschap te maken hebben met zeer gevarieerde getuigenissen van ervaringen van enkelingen en gemeenschappen met God en met elkaar. Omdat er diverse „lagen” in te onderscheiden zijn, wordt het legitiem geacht om er selectief mee bezig te zijn. Het zijn woorden van visie en appel in concrete historische situaties, die niet de onze zijn. Onze vragen zijn niet rechtstreeks aan de orde, waardoor onze conclusies uit deze „teksten” gerelativeerd worden en hooguit indirect gewettigd zijn 2).

Toch is de Heilige Schrift een geheel. Hoe die eenheid wordt omschreven, is een tweede. Men zou kunnen spreken van het boek van het verbond, want het gaat in de Schrift over het verbond van God met mensen, al bestaat er verschil tussen de oude en de nieuwe bedeling van het verbond.

Men kan zeggen, dat de Bijbel het boek is van de grote daden van God. Het begint met de schepping, gevolgd door de onderhouding van het geschapene. Dan is er na de zondeval Gods genadig handelen zoals dat aanvangt met de belofte van de verlossing, waarvan we al horen in Genesis 3. Dan het verbond met Abraham en zijn nageslacht, de bevrijding van het volk Israël uit Egypte, de afkondiging van de wet van het verbond op de berg Sinai', de schenking van het heilige land, het wonen van de Here bij zijn volk in de tabernakel en de tempel, later het oordeel vanwege de zonden van het volk en de verlossing uit de ballingschap. Dan de vervulling van de heilsbelofte in de geboorte van de Messias, zijn woorden en werken waarin God Zich openbaart, de beslissende heils-feiten van zijn dood, opstanding en hemelvaart. Dan de uitstorting van de Heilige Geest en het voortgaand werk van Christus en van zijn Geest door middel van de prediking van het evangelie. Dat alles strekt zich uit naar de volkomen openbaring van het koninkrijk van God, die wij nog verwachten mogen.

Omdat alles wat God na de schepping en de zondeval gedaan heeft, gericht is op het heil van de mens en de wereld, mogen we samenvattend spreken van Gods verlossende daden, waarvan het middelpunt wordt gevormd door de verlossing die Christus tot stand gebracht heeft door zijn middelaarswerk.

Eerst dan zijn wij goed thuis in de Bijbel, zoals dat van alle ambtsdragers verwacht mag worden, als wij zicht hebben op de grote lijnen van de heilsgeschiedenis.

Dan is de Bijbel voor ons meer dan het boek waarin ons waarheden worden meegedeeld, die wij moeten kennen en die wij niet mogen loslaten. Vroeger werd die term wel gebruikt. Wilhelmus à Brakel beschreef in zijn „Redelijke Godsdienst” de waarheden van het genadeverbond. Abraham Hellenbroek noemde zijn catechisatieboekje „Voorbeeld der Goddelijke waarheden”.

Waarheden vragen erom erkend en met het verstand verwerkt te worden. Maar de bijbelse waarheid - juist het gebruik van het enkelvoud van het woord is bijbels - wil beslag op ons leggen. Jezus noemt Zichzelf de waarheid. God heiligt de zijnen in zijn waarheid. Zij wandelen dan ook in de waarheid (Joh. 14 : 6, Joh. 17 : 17, 2 Joh. 4). God werkt door zijn Woord en Geest het wonder, dat mensen zo door zijn waarheid gegrepen worden, dat zij er nooit meer van loskomen.

Het is een feit, dat men de Bijbel kan lezen en herlezen en alles voor kennisgeving aannemen, dat men Schriftgedeelten met elkaar kan bespreken en het bij een discussie laten en dat men een bijbelse prediking kan aanhoren en weer overgaan tot de orde van de dag.

Maar daar is de Bijbel niet voor. Wie zegt, dat hij of zij zodoende toch eerbied genoeg toont voor het gezag van de Bijbel, vergist zich. Dan ontbreekt het aan het werkelijke ontzag voor het Schriftgezag.

De Bijbel is het Woord van God, dat door de dienst van mensen tot ons komt. God heeft Zich erin willen uitspreken. Zijn Woord vraagt ons antwoord. God is de God die nu tot ons spreekt, en wil dat wij nu ook gehoor geven.

De Bijbel is wel eens vergeleken met een brief die voor ons persoonlijk bestemd is. Een brief van God aan ons adres mag niet onbeantwoord blijven en zeker niet, nu daar zo duidelijk in staat, wie Hij voor ons wil zijn.

Als wij de inhoud van de Bijbel samenvatten, zeggen wij wel: Dat is de bijbelse leer. Dat is een belangrijke bijbelse term (didache), maar niet de enige.

Wat vooropstaat, is wat ons in de Schrift verkondigd wordt. Verkondiging is nog niet eens de beste weergave van het nieuwtestamentische woord (kèrygma). Het gaat om een aankondiging, een proclamatie. Aangekondigd en geproclameerd wordt het heil dat God in Christus schenkt. Het is de proclamatie van het koninkrijk van God. Daar vloeit de oproep tot geloof en bekering direct uit voort. In Marcus 1:15 staan de woorden van Jezus: De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.

Deze heilsproclamatie van God is terwille van ons schriftelijk vastgelegd. Het nieuwtestamentisch kèrygma draagt vóór alles daarom openbaringskarakter, „omdat het zelf, ook in zijn schriftelijke vorm, de door de Geest toebereide proclamatie is van het heilsgebeuren in de volheid des tijds” 3).

Er is in dit verband nog een bijbels woord te noemen: getuigenis (martyria).

Wel wordt dit woord in onze tijd dikwijls in een andere zin gebruikt dan in de Heilige Schrift. Er bestaat een onbijbels begrip getuigenis in de nieuwere theologie.

We denken dan vooral aan de leer van Karl Barth. Volgens hem is de Heilige Schrift op een indirecte wijze het Woord van God. Als zodanig bevatten de boeken van de Bijbel een menselijk getuigenis van de openbaring van God. Dat is een feilbaar getuigenis, want het is echt menselijk.

Het menselijk getuigenis is echter Gods Woord, wanneer het Gods Woord voor ons wordt. Dat gebeurt, als het God behaagt.

Er is alle ruimte voor Schriftkritiek. Het wetenschappelijk onderzoek is met betrekking tot de Bijbel volkomen vrij. Historische kritiek en literaire kritiek zijn geoorloofd, maar ook kritiek op de religieuze en theologische inhoud van de Bijbel.

Nu het woord getuigenis een gangbare term geworden is, maar dan in deze zin, hebben wij wel te bedenken, dat het in de Bijbel het getuigenis is van mensen achter wie de Here staat, die de zijnen tot getuigen maakt. Hij doet dat door hen te machtigen en te bekwamen om het heil in Christus te proclameren. Dat is het middel waardoor velen tot het geloof in Christus komen.

De nadruk valt niet op het menselijke van het getuigenis, wat men dan wil opvatten als het gebrekkige en tijdgebondene, maar op de betrouwbaarheid van het getuigenis van de Schrift, waar de kerk zich voor altijd aan te houden heeft (vgl. 2 Tess. 2 : 15 en Op. 22 : 18 en 19).

3. Wie in onze tijd het oor te luisteren legt, hoort in de theologische wereld en ook in kerken met een gereformeerde belijdenis in allerlei toonaarden beweren, dat het gezag van de Bijbel als een beperkt gezag te beschouwen is, omdat het een verzameling geschriften is van auteurs die in hun denken en hun geloof en ook bij wat zij schreven feilbare mensen waren.

Laat ik met enkele sprekende voorbeelden beginnen. „Modern bijbellezen” is een boek van de rooms-katholieke theoloog L. Grollenberg (1971). Hij noemt de uitdrukking „De Bijbel is het Woord van God” voor gewone gelovigen misleidend. „Er komen in de Bijbel alleen maar mensen aan het woord”. Het is niet juist, dat God Zich onmiddellijk richt tot degene die de Bijbel leest of hoort lezen 4).

Van de Groningse hoogleraar C.J. Labuschagne is er een geschrift met de titel „Wat zegt de bijbel in GODS naam?” (1977). Hij doet daarin radicale uitspraken over het menselijke van de Bijbel. Hij meent dat de Heilige Schrift in haar volle omvang een menselijk produkt is. Als wij bij de profeten lezen: Zo zegt de Here, is dat absoluut niet letterlijk te verstaan. „Woorden van God in eigenlijke zin bestaan niet. Het spreken van God krijgt pas gestalte in menselijke formuleringen en woorden”. De bijbelse boodschap is een diep menselijk getuigenis van geloofsinzichten betreffende God en zijn handelen 5).

Een theoloog die we beter kennen en die ook veel meer invloed heeft dan de zojuist genoemde exegeten, is H.M. Kuitert. Er is van hem een hele reeks uitspraken aan te halen die voor ons onderwerp van belang zijn. Wat we er ook van denken en hoe we er soms ook van schrikken, ze zijn in elk geval duidelijk.

Om niet te ver terug te gaan begin ik bij zijn veelbesproken geschrift „Verstaat gij wat gij leest?” Het verscheen in 1968. Het is een van de „Cahiers voor de gemeente”, waarvan gezegd is: Er is behoefte aan Cahiers uit de gemeente tegenover de Cahiers voor de gemeente 6).

Kuitert wil de vraag beantwoorden, waarom er vandaag zoveel verandert - en moet veranderen - in de manier waarop wij de Bijbel lezen. Hij komt tot de conclusie, dat het geloof niet van ons vraagt tegen alle wetenschappelijke klaarblijkelijkheid in vast te houden aan het eerste ouderpaar uit Genesis als historische figuren, evenmin als het van ons vraagt wit zwart te noemen.

Men moet onderscheiden tussen de heilsboodschap en de verpakking, want de bijbelschrijvers vertolkten de boodschap als kinderen van hun tijd. Wie moet dan beslissen over de vraag, of wij iets als wel of niet gebeurd zullen opvatten? Wij zelf. Wij doen dat in vrije verantwoordelijkheid voor God en de mensen zelf, o.a. met behulp van het wetenschappelijk historisch onderzoek.

Kuitert vervangt de „traditionele voorstelling” van schepping, zondeval en verlossing, die opeenvolgen, door de voorstelling van een ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid zonder paradijstoestand als historisch begin en met de dood als functionele factor midden in het leven.

Hij wordt het niet moe te wijzen op de rol van de mens in de openbaring. In wat mensen over God zeggen, komen deze mensen zelf mee. Dat blijkt volgens hem overduidelijk uit het Oude en Nieuwe Testament. In wat door hen over God gezegd wordt, weerspiegelen zich de historisch bepaalde verlangens, verwachtingen en opvattingen van zichzelf, die zij meebrengen.

Het is niet mogelijk om op eenvoudige wijze van de Bijbel als maatstaf te spreken, al zouden wij er als christelijke kerk niet zijn zonder de eerste getuigen van Jezus. De christelijke kerk gaat de weg van het gesprek met de bijbelschrijvers met alle respect dat daarbij past. Maar de kerk is een instantie die óók de Geest heeft en die zich daarom ook wel eens kan en mag verwijderen van het getuigenis van de eerste getuigen, als zij daarvoor gegronde redenen meent te hebben. Waarheid over God moet daaraan te herkennen zijn, dat zij mensen vrijheid schenkt en toekomst opent. Maar niet alles wat de bijbelschrijvers over God zeggen, beantwoordt aan deze norm 7).

Wat gebeurt hier? Met een betuiging van respect voor de schrijvers van de boeken van de Bijbel wordt een deel van hun getuigenis afgewezen. De Bijbel is niet tot criterium te verheffen voor wat christelijk mag heten of niet. Er wordt een eigen criterium ingevoerd en tot norm gemaakt: wat mensen vrijheid schenkt en toekomst opent!

Dit is een totaal verkeerde weg. Kuitert wil wel, dat de christelijke kerk in gesprek zal zijn met de bijbelschrijvers, maar de Bijbel heeft het in de kerk dan niet meer te zeggen. In die zin - en dat is de eigenlijke zin van het woord - heeft de Heilige Schrift geen gezag meer.

Iemand zou kunnen tegenwerpen, dat de Schrift wel niet formeel als gezaghebbend erkend wordt, want formeel gezag heet bij Kuitert leeg gezag, maar dat het mogelijk is, dat zij zich materieel als gezaghebbend getuigenis laat gelden. Maar blijkt dat soms uit de formulering, dat wat vrijheid schenkt en toekomst opent de norm is? Dat is zo vaag en algemeen, dat het christelijke er niet meer in te herkennen is. Of blijkt het uit die andere formulering: Christen-zijn is kiezen voor een manier van mens-zijn, die menselijkheid voor alle mensen ontsluit? 8). Dat is minstens even vaag en algemeen!

Wie het gezag van de Schrift beperkt of laat wegvallen en als theoloog toch denkt iets te zeggen te hebben, voert altijd andere gezagsinstanties in. Die zijn er bij Kuitert inderdaad:

1e de mens als bondgenoot van God;

2e de Geest die in alle waarheid leidt;

3e de kerk die ook de Geest heeft;

4e de ervaring, heel algemeen opgevat, die het geloof bevestigen moet.

Hij schreef in 1981 in een kort en belangrijk artikel over „Kerk en waarheid”: „De H. Schrift als hoogste gezag kan niet meer zoals vroeger, de paus als hoogste gezag kan ook niet meer zoals vroeger” 9). Alsof dat op één lijn staat! Maar dat laat ik in dit verband rusten. Nu gaat het erom, dat er volgens hem voor de christelijke kerk niets anders overblijft dan de lange weg van het onderlinge gesprek.

Het gezag van de Heilige Schrift heeft dus plaats moeten maken voor een gesprek met de bijbelschrijvers en dat weer voor het onderlinge gesprek, al is dat een gesprek met de Bijbel erbij.

Er moet nog een naam genoemd worden: die van H. Berkhof, de auteur van het bekende boek „Christelijk geloof”, dat voor het eerst werd uitgegeven in 1973. Zijn theologie heeft indruk gemaakt en dat niet alleen in Nederland.

Zijn opvatting kan korter weergegeven worden. Er is overeenkomst met Kuitert, b.v. bij het beroep op de Heilige Geest, die in alle waarheid leidt. Toch is er ook verschil.

Er zijn in het werk van Berkhof passages waarin bijbelse gedachten op verdienstelijke wijze worden samengevat, maar er zijn ook gedeelten die door de Schriftkritiek worden beheerst.

De Heilige Schrift is voor Berkhof de menselijke reactie op de openbaring van God. Is de woord-combinatie „Schriftgezag” dan wel juist? De Bijbel is de geleider van het Woord van God. Het Schriftgezag is van indirecte aard.

Het is in onze eeuw niet meer mogelijk bijbelse bewijsplaatsen voor de leer te geven, zoals men dat eeuwenlang gedaan heeft. Wij zijn kritischer geworden. Het beroep op de Bijbel werd selectiever en daardoor vaak ook veel indirecter en globaler dan in vroeger tijden.

Berkhof wil vier kringen in het getuigenis van de Schrift onderscheiden. Centraal staat onder meer het verhaal over Jezus en over zijn opstanding, maar de maagdelijke geboorte bevindt zich volgens Berkhof meer aan de omtrek. De belijdenis van de zonde hoort bij de tweede kring, maar de duivel krijgt een plaats in de derde, verder van het middelpunt af. Dat geldt ook van de voorstellingen aangaande het eschaton (de voleinding) 10).

Maar behalve dit selectief omgaan met de Bijbel is de kritische benadering van tal van Schriftplaatsen zeer opvallend.

Zo worden de lijdensaankondigingen in de Evangeliën voor onecht gehouden en wordt Johannes 21 een legende genoemd. Dat de doop door Christus is ingesteld, zoals Matteüs 28 : 19 zegt, zou door het moderne onderzoek van de Bijbel zijn overtuigingskracht voor ons verloren hebben.

In dit leven valt wel een beslissing die van eeuwig gewicht is. Het is voor of tegen Christus. Toch mag de duisternis van verwerping en godverlatenheid volgens Berkhof niet vereeuwigd worden. Hij hoopt dat de hel een louteringsweg zal zijn.

Maar het ergste is zijn kritische spreken over de persoon en het werk van Christus. Hij bestrijdt de belijdenis van de kerk, dat de Here Jezus Christus waarachtig God is. Voor hem is Jezus mens, de voleindigde verbondsmens, dè Nieuwe Mens, in wie het menszijn in zijn verbondsverhouding met God tot zijn hoogste vervulling gebracht wordt.

Berkhof kan model staan voor een wijdverbreide richting onder de theologen. Dit selectieve gebruik en deze kritische interpretatie van de Heilige Schrift geven veel speelruimte aan hun eigen inzicht en maken het hun mogelijk om een nieuwe theologie te ontwerpen. Berkhof zelf wil geen star en stoer traditionalisme en geen stuurloos modernisme.

Intussen is te constateren, dat men het modernisme zo in de kaart speelt!

Een van de grondfouten is het niet aanvaarden van het directe gezag van de Bijbel, zoals deze aan de kerk gegeven is.

Het beroep op de Heilige Geest, dat wij zowel bij Kuitert als bij Berkhof aantreffen, maakt dat niet goed, vooral niet als het zich houden aan de Heilige Schrift als norm voor ons geloof en leven en de leiding van de Heilige Geest tegenover elkaar gesteld worden. Het is dan ook heel bedenkelijk, als men onder verwijzing naar de Geest Schrift en traditie laat ineenvloeien. De Schrift heet bij Berkhof een bloemlezing van meestal dicht bij de bron gevormde vertolkingsmodellen, die ons aangeboden worden. God zelf trekt met ons mee door de geschiedenis en de Geest is ook de uiteindelijke drager en bestuurder van het vertolkingsproces 11).

Maar door de reformatorische theologie is terecht geleerd, dat de Heilige Geest ons bindt aan de Heilige Schrift. Dat werd in het conflict met Rome en de geestdrijvers met kracht gehandhaafd. Wij hebben het tegenover de heersende theologische opvattingen niet minder staande te houden.

In het Woord van God is ons het getuigenis van de Heilige Geest gegeven. Daarom is het Gods getuigenis.

4. Als wij in deze tijd zo dikwijls horen spreken over de Bijbel als over een menselijk boek, dat alleen maar op indirecte wijze gezag kan hebben, moeten wij daartegen opkomen met de belijdenis, dat de Heilige Schrift door de Heilige Geest geïnspireerd is. Het gezag van de Schrift en de inspiratie door de Geest zijn zo nauw verbonden, dat het een zonder het ander niet denkbaar is. Daarom mogen wij bij het onderwerp van vandaag niet aan de inspiratie van de Heilige Schrift voorbijgaan.

Het is geen recht doen aan de Schrift, als wij vragen, wat wij er in de huidige situatie nog mee kunnen beginnen en dan uitkomen bij wat ons ondanks alle voorstellingen en gedachten van vroeger, waar moderne mensen moeite mee hebben, nog wel aanspreekt. Recht doen aan de Schrift betekent voor ons, dat wij de Schrift zelf laten uitspreken, wat zij is. Dat maken de theologen niet uit en dat maken de kerken niet uit.

De Heilige Schrift zegt duidelijk genoeg, wat zij is. Hier verwijs ik naar het bekende Schriftwoord: Al wat Schrift is, is door God ingegeven en is daarom ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim. 3 : 16,17). Zo meen ik de Griekse woorden het best te kunnen weergeven: Al wat Schrift is, is door God ingegeven. Daar staat het woord „theopneustos”: door God ingegeven.

We denken tegelijk aan het woord uit 2 Petrus 1: Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.

Het is frappant, dat deze woorden van de Schrift door Berkhof overgeslagen worden. Er wordt geen poging gedaan om iets te verstaan en weer te geven van wat de Schrift hier van zichzelf zegt.

De leer van de inspiratie hangt niet af van twee teksten, hoe duidelijk die ook zijn. Er is veel en veel meer.

Wij denken eraan, dat de Here Jezus Christus Zich bij de verzoeking in de woestijn op het Oude Testament beriep met een: Er staat geschreven. Hij heeft gezegd, dat het woord dat geschreven staat, in Hem in vervulling moest gaan. Voor onze hoogste Profeet en Leraar is de Heilige Schrift het gezaghebbende Woord van God. Ook in de apostolische brieven is de Schrift het einde van alle tegenspraak. Woorden uit Psalm 95 worden in Hebreeën 3 aangehaald als woorden van de Geest.

Als wij in het kort willen aangeven, wat het geheim van de Bijbel is, spreken wij van de inspiratie of nog liever van de theopneustie van de Heilige Schrift.

Aan de gereformeerde theologie en in het bijzonder aan Kuyper en Bavinck hebben wij de leer van de organische inspiratie te danken, die beschouwd kan worden als een uitwerking van de zienswijze van Calvijn.

Daarmee is te verklaren, dat er onder de schrijvers van de boeken van de Bijbel veel verscheidenheid is en dat dit ook in hun wijze van zeggen uitkomt. Zo heeft het doel van een bepaald evangelie invloed op de gehele opbouw ervan. De apostelen Paulus, Petrus en Johannes drukken zich niet gelijk uit.

De theopneustie van de Heilige Schrift sluit het eigen onderzoek en de persoonlijke verwerking van de openbaring van God in het minst niet uit. Dat alles hoort er juist bij. Zonder de eigen ervaringen van de dichters zouden de Psalmen niet zijn wat ze zijn, maar het persoonlijke element ontbreekt ook bij Paulus niet.

Het Woord van God is tot ons gekomen door de dienst van mensen, die er met de mogelijkheden die zij hadden en ontvingen, door de Heilige Geest voor gebruikt zijn om het op schrift te stellen. De Heilige Schrift is het Woord van God in menselijke taal.

Er mag daarom geen aarzeling zijn met betrekking tot het gezag van de Bijbel.

Sommigen zijn van mening, dat gezag alleen bestaat, als de ander zich erdoor laat gezeggen. Dan zouden we wel kunnen spreken van gezag dat de Schrift bij ons krijgt, maar niet van gezag dat zij over ons heeft, afgedacht van de vraag of het door ons erkend wordt. Gezag wordt daarmee teruggebracht tot functioneel gezag.

Maar wij moeten eraan vasthouden, dat de Schrift gezag heeft. Zij heeft haar geloofwaardigheid (autopistie) in zichzelf. Het Woord van God is volkomen betrouwbaar. De waarheid is boven alles. Daar vloeit uit voort, dat wij - om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken (art. 7) - alles verwerpen wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt.

5. We hebben nu misschien wel voldoende stilgestaan bij de kritische Schriftbeschouwing en we hebben erover nagedacht, wat we er op de beslissende punten tegenover moeten stellen.

Nu is het tijd om de andere kant op te kijken. Er is ook een fundamentalistische benadering van de Bijbel, die met de gereformeerde visie dikwijls op één lijn gesteld wordt. Zij die het goddelijk gezag van de Heilige Schrift aanvaarden, worden soms kortweg fundamentalisten genoemd. Daarom moet in dit verband iets over het fundamentalisme worden gezegd.

Het komt uit de Verenigde Staten, waar orthodoxe theologen in een serie geschriften onder de titel „The Fundamentals” een dam trachtten op te werpen tegen het opdringend modernisme of liberalisme (rond 1910). Fundamenteel was voor hen en voor degenen die zich bij hen aansloten', de inspiratie en onfeilbaarheid van de Heilige Schrift, de Godheid van Christus, zijn maagdelijke geboorte en wonderen, zijn plaatsbekledend zoenoffer voor onze zonden, zijn lichamelijke opstanding en zijn persoonlijke wederkomst om te oordelen de levenden en de doden.

Bij fundamentalisten bestaat de neiging zich vast te leggen op een aantal waarheden, waaraan niet getornd mag worden. Maar het eigenaardige is, dat juist de kritiek op de leer van de kerk invloed heeft op de opsomming van de fundamentele artikelen. Het apologetisch motief van het fundamentalisme is onmiskenbaar.

Voor de fundamentalisten is de Bijbel van het begin tot het einde het Woord van God. Wij hebben ons daar niet alleen volstrekt aan te onderwerpen als gelovigen, maar haar gezag moet ook erkend worden in de wetenschap, waarvoor zij bouwstenen levert, die men ook wetenschappelijke waarheden noemen kan.

Kenmerkend is zowel het voortdurend beroep dat op de Bijbel wordt gedaan, als de overtuiging dat de Bijbel letterlijk moet worden opgevat. Zo staat het er toch? Bij het latere fundamentalisme wordt deze tendens er niet minder op.

Zo zou uit het visioen van een nieuwe tempel, dat de profeet Ezechiël ontving, af te leiden zijn, dat er in Jeruzalem in de eindtijd weer een tempel voor de dienst van God gebouwd wordt en dat daar dan opnieuw offers gebracht worden.

Het fundamentalistisch standpunt maakt het mogelijk om onder verwijzing naar de woorden van Paulus: Ik wilde wel, dat gij allen in tongen spraakt, maar liever nog, dat gij profeteerdet (1 Kor. 14 : 5), de stelling te verdedigen, dat de apostel ieder christen in tongen wil laten spreken en laten profeteren zoals in Korinte.

Met een beroep op de Bijbel zou men de vrouwen kunnen verplichten om in de kerk een hoed te dragen. De apostel schreef immers, dat de vrouw een macht op het hoofd moet hebben (1 Kor. 11 : 10).

Men kan met de Bijbel doen als met een wetboek, waarin voorschriften voor alle mogelijke gevallen te vinden zijn. Men kan de Heilige Schrift tot een tekstenboek maken door woorden te isoleren zonder de samenhang mee te laten spreken. We moeten er echter altijd over nadenken, waar en waarom het er staat en hoe het gezegd en bedoeld is.

Als wij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis het gezag van de Heilige Schrift laten gelden, verzetten we ons dus tegen kritische Schriftbeschouwingen, maar wijzen we ook een wettische benadering van de Bijbel af.

Wij kunnen leren van Luther, die een voorkeur had voor de uitdrukking: Het is de levende stem van God, die -gehoord moet worden. Daarom moet het Woord verkondigd worden. Met en door het Woord komt de Geest.

Wij kunnen leren van Calvijn, die het een hopeloze vermetelheid noemt om geloof te ontzeggen aan God, wanneer Hij spreekt. Er worden ons nu geen dagelijkse godsspraken uit de hemel gegeven. Alleen de Schriften bestaan, waardoor het de Here behaagd heeft zijn waarheid voor altijd op te laten tekenen. „Daarom bezitten de Schriften door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer zij geloven,dat deze Schriften uit de hemel zijn voortgekomen, alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden” 12).

Als gevraagd wordt, wat God ons in zijn Woord te zeggen heeft, wijst Calvijn op Christus. Hij is het doel en de hoofdinhoud (scopus atque adeo summa) van de Heilige Schrift. Christus komt tot ons in het gewaad van de Schrift, of om Calvijn letterlijk aan te halen: Dit is dus de ware kennis van Christus, wanneer wij Hem aannemen, zoals Hij door de Vader wordt aangeboden, namelijk met zijn evangelie bekleed 13).

Christus staat in de Heilige Schrift in het middelpunt. Het Nieuwe Testament vindt zijn eenheid in Hem. Maar het heil in Christus is ook de centrale inhoud van het Oude Testament. We lezen de Bijbel christocentrisch.

In de eenheid, die de Heilige Schrift is, kan men onderscheid maken. Niet alles staat even dicht bij het middelpunt. We denken aan verschillende delen van de historische boeken van het Oude Testament en aan allerlei wetten van Israël.

Maar ook dan is er een lijn te trekken naar het middelpunt. Dat doen we, als we van de offerdienst van de oudtestamentische bedeling zeggen, dat ze haar vervulling vond in Christus, en als we niet bij de oude stad van God blijven staan, maar bij de woorden over Sion en Jeruzalem het perspectief zien naar de nieuwtestamentische gemeente toe. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst de weg in een prachtig artikel: Wij geloven, dat de ceremoniën en voorafbeeldingen van de wet met de komst van Christus hebben afgedaan en dat aan alle voorafschaduwingen een einde gekomen is, zodat het gebruik daarvan onder de christenen moet vervallen. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben. Intussen maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten om ons geloof in het Evangelie te bevestigen en ook om ons leven in alle betamelijkheid in te richten tot Gods eer en naar zijn wil (art. 25, geciteerd in de officiële tekst in hedendaags Nederlands, 1983).

Wij bedenken dus bij de aanvaarding van het gezag van de gehele Heilige Schrift voortdurend, waarvoor zij ons gegeven is. De apostel Paulus zegt: Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden (Rom. 15 : 4). Zie ook 2 Timoteüs 3 : 16, 17.

De Heilige Schrift zegt dus niet alleen, dat zij het Woord van God is, maar ook, met welke bedoeling God zijn Woord aan ons gegeven heeft.

6. Wie in deze tijd nadenkt over het Schriftgezag, kan het rapport over de aard van het Schriftgezag, getiteld „God met ons” niet onbesproken laten, en temeer niet, omdat het een geweldige pretentie heeft en al direct is gaan functioneren. Het verscheen met een „Ten geleide” van het moderamen van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland 14).

De synode vond het een „duidelijke en confessioneel verantwoorde uiteenzetting over de wijze, waarop de Schrift verstaan wil worden, om te kunnen horen wat de God van het Woord ons te zeggen heeft.” Men had niet met een nieuw belijden te maken, maar met een studierapport, maar men noemde dat toch wel confessioneel verantwoord.

Er zou veel over te zeggen zijn. Ik beperk mij tot een vijftal punten.

1e. Men wil vanwege veranderingen in het waarheidsbegrip uitgaan van het relationele waarheidsbegrip, waarmee volgens de inleiding geen relativerend waarheidsbegrip wordt bedoeld. Het is niet bedoeld, maar het relativisme zal er wel door bevorderd worden, als geponeerd wordt, dat de waarheid Gods er niet is zonder de inzet van mensen, die getuigen van Gods overmacht en genade. Het is in elk geval niet echt gereformeerd en ook niet bijbels om te zeggen, dat de waarheid Gods, zijn openbaring, er pas is, als mensentongen in beweging komen (blz. 14). Men gebruikt bij het relationele waarheidsbegrip het beeld van een verkeersteken. Dat geeft iets objectiefs aan: een verkeersregel, maar het is ook subjectief, want het berust op menselijke afspraken. Dat beeld verduistert m.i. meer wat de Bijbel voor ons is, dan dat het dat verduidelijkt.

Als de waarheid van het wonder sterk relationeel bepaald heet en „de innigheid van de relatie tussen God en mens bepaalt of wonderen mogelijk zijn” (blz. 85, 88), zijn dat ook hoogst bedenkelijke uitspraken.

2e. Men geeft geen uitvoerige dogmatische verhandelingen over de verhouding van inspiratie en Schriftgezag. Intussen wordt de inspiratie wel behandeld, maar verkeerd. Inspiratie en illuminatie, ingeving van de Heilige Schrift en verlichting van wie de openbaring ontvangen, schuiven in elkaar. Op blz. 57 staat: Als wij vandaag iemands woorden „inspirerend” noemen, dan wil dit zeggen dat wij er zelf door aan het denken en handelen worden gezet. Het beginsel, het meeslepende idee komt wel van die ander, maar wij voelen ons gedrongen er zelf mee aan de gang te gaan en het toe te passen in onze eigen situatie. Op soortgelijke wijze moeten wij ons het proces van de Schriftinspiratie indenken”. Maar dat is het wezenlijke van de inspiratie niet!

Een Schriftwoord als 2 Timoteüs 3 : 16, 17 wordt buiten beschouwing gelaten. Maar juist daar wordt van de Schrift zelf gezegd, dat zij door God ingegeven is. Over 2 Petrus 1 : 20 wordt de opmerking gemaakt, dat de apostel allerminst zou bedoelen, dat elk woord van de profeten - laat staan elk woord van de Bijbel - letterlijk zó zou zijn ingegeven door de Heilige Geest (blz. 105).

De fundering van het Schriftgezag, die dit rapport biedt, is volstrekt onvoldoende.

3e. Behalve over de historische betrouwbaarheid van de Bijbel gaat het in het centrale hoofdstuk van het rapport ook over de Bijbel als norm voor het leven. Dat laatste heeft directe gevolgen voor de ethiek. Het wordt mogelijk geacht, dat er een spanning ontstaat tussen de vervulling van het grote gebod van de liefde en de vervulling van afgeleide geboden. De weg die gewezen wordt, is die van het maken van keuzen in een voortdurende dialoog met de Geest van de Schrift en met een open oor voor elkaar (blz. 93, 101). Alsof die dialoog of dat gesprek genoeg is! Het resultaat kan zijn, dat men zich tot niets verplicht weet en naar eigen goedvinden handelt.

De Geest laat ons zien, dat ondanks alle verandering de Bijbel nog altijd idealen aanwijst die het waard zijn om voor te leven. We herkennen een situatie, een voorbeeld, een model om naar te leven (blz. 103).

Waar is, vragen wij, bij dit spreken over idealen en modellen het normatieve karakter van de geboden van God gebleven? Speelt het verzet tegen opgelegde normen, waar de wereld vol van is, hier geen rol in?

4e. Een ernstig bezwaar tegen het rapport is ook, dat de theologen met zo’n groot gezag bekleed worden. Het hangt met de aard van de relationele waarheid samen, dat ieder de Bijbel op zijn of haar manier leest. Dat is zo hoogst persoonlijk, dat er nauwelijks over te praten valt, laat staan dat wij het erover eens zouden kunnen worden. De kerk heeft de uitleg van de Bijbel daarom in de eerste plaats aan de theologen toevertrouwd. Zij zijn het die daarvoor speciaal leren (blz. 104).

Maar zo is men bezig de gemeente onmondig te maken, wat geheel in strijd is met de reformatorische grondbeginselen.

We lezen verder, dat de theologie er aanspraak op maakt, een onmisbare bijdrage te kunnen leveren aan de vaststelling van de waarheid omtrent mens en wereld.

We bedenken daarbij, dat het merendeels theologen zijn die de theologie onmisbaar vinden. We belijden echter, dat de Schrift niet pas door de theologie duidelijk wordt, maar dat zij voor de gelovige duidelijk is.

Het is een duidelijkheid die een goede verklaring van de tekst van de Heilige Schrift niet overbodig maakt. Maar de uitlegkunde en andere theologische kundigheden mogen geen zeggenschap krijgen over de gemeente van Christus.

In de theologie heeft men zich aan de regel te houden, dat de Schrift haar eigen uitleg-ster is. Daarom moet men Schrift met Schrift vergelijken. Maar de eenvoudige christen doet dat door de verlichting door de Heilige Geest ook! Johannes schrijft: Gij hebt een zalving van de Heilige (1 Joh. 2 : 20, 27).

Als de theologie zoveel te vertellen heeft, gaat de gemeente gevaar lopen. Als het allemaal waar zou zijn, wat door sommige theologen gezegd wordt, zou de bijbellezer een theoloog naast zich moeten hebben om te kunnen lezen. „En over tien jaar natuurlijk een andere. Wie daarvoor zwicht zal de Bijbel niet meer openen en aldus de deur naar de toekomst van het Koninkrijk gesloten houden” 15).

Of men bij deze wijze van omgaan met de Heilige Schrift zelf geen gevaren ziet? Af en toe is er wel iets van te bemerken. Aan het einde wordt de vraag uitdrukkelijk geformuleerd: „Dreigt bij deze benadering niet het gevaar van een subjectieve eigenwillig-heid in de uitlegging van wat de Here wil zeggen door Zijn Woord?” We kunnen niet anders zeggen, dan dat dit gevaar heel groot is.

De Heilige Schrift wordt in de kerken toch al zo verschillend gebruikt en er wordt voor zoveel uiteenlopende opvattingen een beroep op de Bijbel gedaan. Daarom moet aan het subjectieve element niet nog meer ruimte gegeven worden.

5e. Het rapport „God met ons” moet dus heel kritisch gelezen worden. Maar het is niet zo, dat er niets in staat waar wij winst mee kunnen doen. Er komen wel verhelderende passages in voor. Maar in zijn geheel genomen is het een steun in de rug voor de ontwikkeling die nu al jaren aan de gang is in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dat is een ontwikkeling in een ongereformeerde richting.

7. Met het begrip „tijdgebondenheid”, waar het rapport een royaal gebruik van maakt, omdat elementen in de tekst door de tijdgebonden achtergrond en het karakter van de bijbelschrijvers mede kunnen zijn bepaald, moeten wij erg voorzichtig zijn.

De opkomende Schriftkritiek heeft zich ervan bediend om het gezag van de Bijbel te ondermijnen door het te relativeren en te reduceren. Wat tijdgebonden is, kan men voor kennisgeving aannemen als voor ons wel interessant, maar irrelevant.

Het is met de stukken te bewijzen, dat het zeer dikwijls met het subjectieve uitgangspunt van de theologen zelf samenhangt, als zij iets als tijdgebonden beschouwen of iets als van blijvende betekenis overhouden.

Wanneer iemand met tijdgebonden bedoelt, dat wat in een bepaalde tijd en situatie gezegd is, niet zonder meer op onze tijd en onze situatie overgebracht kan worden, staan de zaken anders. Men kan denken aan geboden die voor Israël als theocratisch volk golden, aan ceremoniële wetten die in de nieuwe bedeling afgedaan hebben, omdat ze in Christus vervuld zijn, of aan profetische uitspraken die een bijzondere historische achtergrond hebben. Wat de profeet Jeremia over de onderwerping van zijn volk aan Babel gezegd heeft, is niet direct toe te passen op een andere situatie, zoals die van Nederland in de tijd van de bezetting door de Duitsers in de jaren 1940 tot 1945!

Wat ze hier bedoelen, kunnen we beter betrokkenheid op de tijd en op de situatie noemen. Het is het tegengestelde van tijdloosheid. Het spreken van de eeuwige God is betrokken op de tijd en het is op de concrete historische situatie gericht.

Wat tijdgebonden is, heeft voor een latere tijd eigenlijk geen betekenis meer. Maar Schriftwoorden die tijdbetrokken zijn, blijken verrassend actueel te zijn, als wij er met een geopend hart naar luisteren. Daar komt bij, dat de prediking er is om ons als gemeente te doen horen, wat het Woord van God ons vandaag te zeggen heeft.

Juist de aanvaarding van het gezag van de Schrift doet ons vragen om de rechte bediening van het Woord en dringt ons tot Schriftlezing en Schriftstudie.

8. Er is nog een heel belangrijk aspect van het gezag van de Heilige Schrift. Het is de Heilige Geest die bewerkt, dat wij ons eraan gewonnen geven.

Wij hebben de opvatting afgewezen, dat het Schritgezag een functioneel of relationeel gezag is. De Schrift zou dan gezag krijgen, voorzover mensen haar gezag laten gelden of haar gezag ervaren, al wordt daar soms aan toegevoegd, dat het gezag tegelijk de menselijke ervaring te boven gaat 16). Maar dan zou haar gezag mede van de gelovigen of van de kerk afhangen. Zo is het niet! Als Gods getuigenis heeft de Schrift het te zeggen. Zij krijgt haar gezag niet door ons, maar zij hééft gezag over ons.

Nu is een formele erkenning van het volstrekte gezag van de Heilige Schrift niet het ene nodige. Daar kunnen wij niet mee volstaan. Het komt erop aan haar gezag van harte te aanvaarden. Maar wij zijn mensen die zelf zouden willen uitmaken, wat wij accepteren en wat niet. Toch horen wij niet alleen in Psalm 119 de belijdenis: Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad, maar ook in de kerk van deze tijd. Laten wij niet vergeten, dat er nog velen zijn die echt bij het Woord van God leven!

Waarom laten wij ons door het Woord gezeggen en zien wij het als richtsnoer voor ons leven? Het antwoord op die vraag is, dat dit gebeurt door het werk van de Heilige Geest. Het is dan ook een geestelijk gezag. De kerk bracht dat onder woorden in haar geloofsbelijdenis: Al deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en voor zodanige houdt, maar inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn (art. 5).

Dit getuigenis is geen verzekering die de Heilige Geest ons buiten het Woord om geeft. Het getuigenis van de Heilige Geest komt tot ons door middel van het Woord, dat door de Heilige Geest zelf ingegeven is. Dat betekent voor ons, dat wij de Bijbel lezen en de verkondiging van het Woord horen in de verwachting, dat de Here daardoor tot ons spreken zal. De Heilige Geest maakt, dat ons hart voor het Woord opengaat en dat wij de boodschap ervan verstaan. Hij begeleidt het Schriftwoord zo met zijn overtuigende kracht, dat het bij ons weerklank vindt en uitwerking heeft 17). Dan gaat het Woord van God ons zo beheersen, dat wij het niet meer loslaten.

De Geest wijst ons de weg tot de volle waarheid en Hij verheerlijkt Christus (Joh. 16 : 13, 14). Hij laat ons hoe langer hoe meer zien van de heerlijkheid van Christus, die in de Heilige Schrift in het middelpunt staat.

Als de Geest ons leert buigen voor het gezag van het Woord, is dat geen doel in zichzelf. Elk bedenksel moet als krijgsgevangene gebracht worden onder de gehoorzaamheid aan Christus (2 Kor. 10 : 5). Wat beschreven is in het evangelie, is geschreven opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam (Joh. 20 : 30, 31). Het gaat om het heilgeheim, om de kennis van de Christus der Schriften en om een leven uit het geloof.

De Bijbel is het boek van de Heilige Geest, want Hij gaf hem aan ons. De Bijbel is het boek van Christus, want Hij komt daarin tot ons. Wij mogen niet aan de Bijbel denken zonder te denken aan het komen van Christus en het spreken van de Geest.

Ook dan zullen er wel Schriftgedeelten zijn waarbij wij vragen overhouden. Als de Bijbel duidelijk is, wat op goede gronden voor ons vaststaat, wil dat nog niet zeggen, dat alles even duidelijk is of dat alles voor ons zo duidelijk is, dat wij nergens moeite mee hebben. Wij kennen ten dele.

Dat geldt ook van die theologen die zich bij de verklaring van de Schrift door de Schrift zelf laten leiden. Zij eindigen soms met een: non liquet (het is mij niet duidelijk). Zij stuiten wel eens op een crux interpretum (een moeilijke plaats voor de uitleggers). Zij verstaan de teksten niet altijd op dezelfde wijze. Maar daarbij is het Schriftgezag dan niet in het geding.

Calvijn, die een theoloog van het Woord geweest is als weinig anderen, schreef: „Door de kracht van de Geest verlicht, geloven wij niet meer op grond van ons eigen of anderer oordeel, dat de Schrift van God is; maar boven het menselijk oordeel uit stellen wij als zekerder dan zeker vast (even alsof wij daar de Godheid van God zelf aanschouwden), dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is.” 18).

Noten

1. H. Berkhof, Christelijk geloof, Nijkerk 1985-5, blz. 90.

2. H. Wiersinga, Verzoening met het lijden? Baarn 1975, blz. 30.

3. H. Ridderbos, Heilsgeschiedenis en Heilige Schrift, Kampen 1955, blz. 114.

4. L. Grollenberg, Modern bijbellezen, Baarn 1971, blz. 136, 137.

5. C.J. Labuschagne, Wat zegt de bijbel in GODS naam? ’s-Gravenhage 1977, blz. 52, 92, 99, 100.

6. J. Schelhaas Hzn., De Heilige Schrift in de Cahiers voor de gemeente. Goes 1971, blz. 5.

7. H.M. Kuitert, Verstaat gij wat gij leest? Kampen 1968, blz. 76, 44, 77; Anders gezegd, Kampen 1970, blz. 54, 55, Wat heet geloven? Baarn 1977, blz. 173, 174.

8. H.M. Kuitert in H.M. Kuitert en E. Schillebeeckx, Jezus van Nazareth en het heil van de wereld, Baarn 1975, blz. 9.

9. H.M. Kuitert, Kerk en waarheid: een gereformeerd antwoord, in Concilium, 1981-8, blz. 38.

10. H. Berkhof, Christelijk geloof, Nijkerk 1985-5, blz. 90-94.

11. H. Berkhof, Christelijk geloof, Nijkerk 1985-5, blz. 95, 96.

12. J. Calvijn, Institutie, 1,7,1.

13. J. Calvijn, Institutie, III, 2,6.

14. God met ons… over de aard van het Schriftgezag… Special Kerkinformatie.nr. 113, febr. 1981.

15. H. van Riessen, Over normen, in Beweging 85, blz. 91.

16. E. Flesseman-van Leer, Schriftgezag in de oecumene. Kampen 1982, blz. 75 (Faith and Order Paper no. 59, Genève 1971).

17. J. van Genderen, Het getuigenis van de Heilige Geest, Alphen aan den Rijn 1961, blz. 18.

18. J. Calvijn, Institutie, I, 7, 5.

Literatuur

Naar aanleiding van een vraag om opgave van betrouwbare literatuur volgen hier enkele titels:

H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, I, Kampen 1928-4.

W. van ’t Spijker, Fundamentele vragen betreffende onze omgang met de bijbel, Den Haag 1962 (Ds. H. Janssenfonds, no. 29).

A. Noordegraaf en M.J. Arntzen, Er staat geschreven, ’s-Gravenhage 1969 (W. de Zwijgerstichting).

C. Trimp, Betwist Schriftgezag, Groningen 1970.

S. Meyers e.a. (onder wie B.J. Oosterhoff), Het hoge Woord, Amsterdam 1976.

W.H. Velema, Het rapport „God met ons… over de aard van het Schriftgezag” van de Gereformeerde Kerken in Nederland, in Theologia Reformata, jrg. 24, no. 4 (december 1981).

C. van der Leest. De Bijbel: een open boek? Groningen 1984.

C. Graafland e.a.. De Heilige Schrift (eindred. J. van der Graaf), Kampen 1984.

Zie voor een uitvoerig verslag van de bespreking op de conferentie van 26 oktober 1985: „De Wekker” van 8 november 1985 (95e jaargang, nummer 3).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.