+ Meer informatie

HANDELINGEN OUDERLINGENCONFERENTIE 1961*)

25 minuten leestijd

Tot het huishoudelijk gedeelte behoorde onder andere de verkiezing van een comitélid in verband met het feit, dat broeder K. Geleijnse aan de beurt van aftreden was. Uit een tweetal kandidaten — K. Geleijnse en A. den Hartog — werd broeder K. Geleijnse met 78 tegen 5 stemmen herkozen.

Vervolgens verkreeg ds. J. P. van den Boomgaard het woord voor het houden van zijn referaat „Heiligmaking onder herderlijke zorg”.

Dit onderwerp, aldus ds. van den Boomgaard, is in onze kerken in hoge mate aktueel en het is verblijdend dat steeds meerderen dit inzien. Er bestaat op het punt van de heiligmaking in onze kerken een ernstig tekort dat ons zwaarder aangerekend moet worden naarmate wij de pretentie voeren de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus te zijn. Wij hebben ons reeds aangewend deze pretentie alleen toe te passen op de leer en de prediking of zelfs op de kerkelijke papieren. Dit ontslaat ons echter niet van de roeping om bij deze zuivere leer ook dienovereenkomstig te leven. Een opmerking van een zeer bevriende broeder ergens in ons land: „Men hoort hier liever een preek over de rechtvaardigmaking dan over de heiligmaking” acht ik een rake typering van onze algemene gesteldheid t.a.v. de heiligmaking. De polaire begrippen zonde en genade worden in het afgescheiden kerkelijk leven zozeer toegespitst, dat men elk die met enige nadruk spreekt over de heiligmaking verdenkt van Roomse of Remonstrantse of andersoortige werkheiligheid. Natuurlijk spreek ik hier sterk generaliserend. In de praktijk weten wij niet recht wat wij met de eis der heiligmaking aan moeten omdat wij in de mogelijkheid van onze persoonlijke heiligmaking niet of maar nauwelijks geloven. Hier ligt dus een moeilijkheid niet maar voor de uiteenzetting van de leer maar voor de uitoefening van een herderlijke zorg over het leven der gelovigen, want in het leven des geloofs is de oorzaak en het geheim der heiligmaking gelegen. Was het oorspronkelijk mijn bedoeling over het geloof ook afzonderlijk te spreken, later heb ik èn vanwege de overvloed van stof èn vanwege mijn nieuwe drukke praktijk in Sneek, mij moeten beperken tot het geloof, voorzover het bij de heiligmaking ter sprake komt. Daarom is het geloof ook niet meer in de titel genoemd. Het gaat dus voornamelijk over de heiligmaking uit het gezichtspunt van de herderlijke zorg. Zo komen we tot stelling 1.

Stelling 1.

De herderlijke zorg, met name door de ouderlingen op het huisbezoek, strekt zich niet in het minst uit over de heiligmaking der gelovigen.

Over de heiligmaking spreek ik vandaag in verband met ons werk als ambtsdragers in de gemeente: de herderlijke zorg. Een van de belangrijkste taken van de ouderlingen is het huisbezoek. En dat huisbezoek draagt het karakter van herderlijke zorg. Ik denk aan Hand. 20 : 28 „Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde over welke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed”. Vergelijk 1 Petr. 5 : 2 „Weidt de kudde Gods die onder u is ….” Het werk der ouderlingen op het huisbezoek is duidelijk herderlijk werk. Deze herderlijke zorg nu strekt zich uit over het ganse leven der gelovigen. Maar uit de bijbelse voorschriften blijkt wel dat het bijzonder gaat over het leven der heiligmaking. Zij moeten de gemeente Gods weiden „daarom waakt en gedenkt, dat ik drie jaren nacht en dag niet opgehouden heb een ieglijk met tranen te vermanen”. En de vermaningen die Paulus zelf in zijn brieven geeft, strekten zich ook uit over geloof en heiligmaking. Zie Rom. 12-15; 1 Korinthe geheel; Gal. 5 en 6; Efeze 4-6: Fillipenzen grotendeels. Zo kunnen we doorgaan. En hetzelfde geldt van de andere brieven en het boek openbaring.

Overal zien wij dat de herderlijke zorg zich niet in het minst uitstrekt over de heiligmaking der gemeente. En daarom spreken wij van heiligmaking onder herderlijke zorg.

Stelling 2

Heilig betekent in de eerste plaats : „afgezonderd”

Heeft het begrip in het O.T. nog een cultische betekenis, later en vooral in het N.T. een religieus-ethische zin.

De term heiligmaking komt in de bijbel niet zo dikwijls voor als de zaak die er mee aangediend wordt. Deze term is echter buitengewoon geschikt om de bedoelde zaken weer te geven, omdat ze wortelt in het Oude Testament en openbloeit in het Nieuwe, zodat ze zowel de voortgang als de eenheid der openbaring in dezen laat zien. Bovendien is ze terminus technicus in de dogmatiek.

Het O.T.ische woord „heilig” betekent in de eerste plaats „afgezonderd” „gewijd” of „toegewijd”. Het komt voor van zaken of personen. Oorspronkelijk wordt het in cultische zin gebruikt: de tegenstelling van „heilig” is „profaan”. Wat in de religte van Israël aan God gewijd is heet „heilig”. Wat van en voor de Here is, is heilig: de tempel, wat erin is, het land Kanaän, enz.

Later wordt het woord ook in ethische zin gebruikt. Zo is het vooral in het Nieuwe Testament „Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uwen wandel” (1 Petr. 1 : 15). „Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een Koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 2 : 9).

Daaruit valt nu af te leiden wat heiligmaking is. Het is een toewijding aan de Here die in Christus gegeven is en door de Heilige Geest in de weg van het geloof in de christenen uitgewerkt wordt. En zo wordt de heiligmaking ook een zich toewijden van de gelovige aan de Here. Ik kom daar straks onder 4 nog nader op terug.

Stelling 3

De eis tot heiligmaking neemt zakelijk in de Heilige Schrift een grote plaats in.

Nu vinden wij de eis tot heiligmaking in de bijbel woordelijk op enkele plaatsen:

„Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Here zien zal” (Hebr. 12 : 14).

„Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking” (1 Thess. 4 : 7).

„Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods” (2 Kor. 7 : 1).

Zakelijk neemt de eis tot heiligmaking in de H. Schrift echter een grote plaats in. En nu beperk ik mij tot enkele grepen uit het Nieuwe Testament.

Johannes de Doper zegt tot de Farizeeën en Sadduceeën: „Brengt dan vruchten voort der bekering waardig..

Jezus zegt tot zijn discipelen: Laat uw licht alzó schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.”

En verder: „Want Ik zeg u, tenzij uw gerechtigheid overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en van de Farizeeën, dat gij in het koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.”

En weer: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is.”

En ook: „Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij.”

Zo spreken de apostelen, bijv. Paulus in Rom. 12:7. Ik bid u dan broeders, door de ontferming Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.”

In Gal. 5 : 25: „Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de geest wandelen.”

Ef. 4 : 1: „Zo bid ik dan, ik de gevangene in den Here, dat gij wandelt waardig der roeping met welke gij geroepen zijt.”

Fil. 2 : 5: „Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Jezus Christus was.”

Kol. 3:1: „Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.”

Deze uitspraken vormen telkens de overgang naar het vermanende deel van de zendbrieven. Ze staan dus nièt alleen, maar in het groter verband van de telkens herhaalde eis tot heiligmaking.

Deze eis moet daarom even krachtig doorklinken in de prediking en de herderlijke zorg. Wij hebben niet het recht om te verzwijgen wat in het N.T. als een van de hoofdmomenten naar voren komt. Al hoort de gemeente dan soms liever een preek over de rechtvaardigmaking. Wie als ambtsdrager om die reden maar over de heiligmaking zwijgt, is een ontrouwe herder, hij laat de Schapen dwalen en is schuldig aan hun ondergang. God zegt in Zijn woord: jaagt naar de heiligmaking; en van Gods woorden zal er geen ter aarde vallen. God houdt ons aan Zijn woord. Wij hebben onszelf en de gemeente er evenzeer aan te houden.

Wij moeten niet bang zijn voor de consequenties van en de readies op het naspreken der Schrift. Wij moeten wel bang zijn voor het mishagen Gods over ambtsdragers die niet Zijn volle raad verkondigen.

Stelling 4

Tegen de achtergrond van de zonde komt de heiligmaking in de bijbel duidelijk voor als een gave Gods.

Nu moeten wij echter niet menen dat wij uit de moeilijkheden zijn, als wij de eis der heiligmaking maar krachtig laten klinken. Nee, dan beginnen de moeilijkheden pas goed.

Enerzijds rijst er verzet tegen zulk een geestelijke leiding, omdat men meent dat daardoor de werkheiligheid in de hand gewerkt wordt en de vrije genade verduisterd. Anderzijds komt de mens, die de eis der heiligmaking ernstig neemt en zich buigt onder de schrift, tot de ontdekking dat hij onbekwaam is aan deze eis te voldoen.

Wie waarlijk de diepte der geboden verstaat zal ontdekken, dat zijn aangeboren zondigheid hem alle heiligmaking onmogelijk maakt. Zo verdiept de eis der heiligmaking onze ellendekennis en dit is een noodzakelijke doorgangsfase tot alle ware heiligmaking. Ook hierin moeten we de gemeente verstaan, ernstig nemen en verder leiden.

Want heiligmaking is evenals geloof niet iets dat wij bezitten of vermogen. Onze natuurlijke onmacht blijft ook t.a.v. de heiligmaking bestaan. Het is niet zo, dat door geloof en bekering onze onmacht opgeheven wordt. De vraag kan opkomen of hier ook van onwil gesproken moet worden. Dan zeg ik: ja en neen.

Ja, want van nature willen wij geen heiligmaking; maar daarover hebben wij in dit verband nu niet uitvoerig te spreken. Want onwil valt samen met ongeloof. En heiligmaking is een zaak van geloof. Waar geloof is, is een wil tot heiligmaking, „want het is God die in ons werkt beide het willen en het werken.”

En waar geen geloof is, moeten we niet eerst aandringen op heiligmaking, maar op bekering.

Maar de belijdende gemeente mogen en moeten wij oproepen tot heiligmaking. Daar mag geen onwil zijn, maar daar is wel onmacht. En op de vraag hoe heiligmaking dan wel mogelijk is, luidt dan het antwoord: Door de gave Gods in de Heilige Geest. Want onmacht is nog geen onmogelijkheid. De onmacht des mensen wordt overwonnen door de overmacht der genade.

En tegen de achtergrond van de zonde komt de heiligmaking duidelijk voor als een gave Gods.

Ik weet hier geen betere toelichting dan Filipp. 2 : 12 en 13 „Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven, want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”

God werkt dus ook het werken. Het gaat hier over de inwerking Gods in de gelovigen. Bij die inwerking moeten wij ongetwijfeld denken aan het werk van de H. Geest. De heiligmaking wordt dus door God ingewerkt. Het begin is dus niet van ons, de voortgang evenmin. Het is en blijft Gods werk. Maar omdat wij mensen zijn, werkt God in ons het willen en werken. Zodat wij willen wat God wil en dat ook werken. God maakt een nieuw begin, door dat werk Gods moeten wij ons laten leiden, wij moeten eraan gehoorzamen, we moeten het van God overnemen en uitwerken. „Werkt uzelfs zaligheid uit”, staat er eigenlijk.

God zelf maakt dat mogelijk, ja zelfs werkelijkheid. Uit ontzag voor dat werk Gods (dat onze redding betekent) moeten wij die redding (dankbaar) uitwerken. Juist de vrije genade zet ons aan het werk als wij haar bevindelijk leren kenen. Dan werken we niet naar de zaligheid toe, maar van de zaligheid uit.

God voegt dus bij de eis ook de gave. Deze gave worden wij deelachtig door het geloof. Paulus heeft dat duidelijk gemaakt in Rom. 6, geloof is daar: éénwording met of inlijving in Christus. Het sterven van Christus geldt ook ons. Wij zijn vrij van de straf. De zonde heeft geen verdervende macht meer over ons. Maar nu geldt ons ook de opwekking en het leven van Christus.

Dat leven van Christus is een leven vóór God. En dat wordt ons nu door de Geest medegedeeld, deelachtig gemaakt. Daar moeten we ons nu door laten leiden: „Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onze Here.” (Rom. 6 : 13). Hier wordt de gemeente vermaand om te leven vanuit de nieuwe situatie, waarin zij door het geloof in Christus gekomen is.

Het geloof betekent dus dat men anders gaat leven dan men van nature is. Men begint te leven zoals men in Christus is. Leven uit Gods genade. „Want de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Rom. 6 : 20).

Hier is dus eigenlijk sprake van de vanzelfsprekendheid der heiligmaking als een vrucht der dankbaarheid.

Velen weten met Rom. 6 geen raad, omdat ze geen zicht hebben op de eenheid van het juridische (rechtelijke) en het ethische (zedelijke), van rechtvaardiging en heiliging, van het sterven en het leven van Christus, van Zijn bloed en Zijn geest. Christus is één en ondeelbaar als Zaligmaker. Hij is in ons leven niets of Hij is alles en als Hij alles is, dan is Hij óók de gave, ja de kracht der heiligmaking, door Zijn geest.

De gave der rechtvaardiging is in Christus en gaat samen met de gave der heiligmaking.

Zo ligt het ook in de zuivere beleving der genade: Er is geen krachtiger impuls tot heiligmaking dan de vrijspraak van schuld en straf. Dezelfde geest die ons de vergeving der zonden toepast, bevrijdt en vernieuwt ons ook tot heiligmaking. God werkt het willen en het werken door zijn genade. Als er iets nodig is in de gemeente dan is het dit inzicht en deze beleving.

De herderlijke zorg heeft tot taak de Schriften hieromtrent te onderwijzen wat alleen maar mogelijk is als wij zelf de Schriften kunnen verstaan.

Een ouderling moet evengoed studeren als een predikant.

Door middel van Schriftuurlijke leiding wil de H. Geest de gemeente „opleiden” tot heiligmaking metterdaad.

De gelovigen moeten leren inzien, dat zij in de heiligmaking totaal afhankelijk zijn, opdat zij biddend en gelovend hun zaligheid uitwerken.

En een gedurige vermaning in deze geest wekt nooit werkheiligheid maar wel heilige werkzaamheid.

Zo geven wij een antwoord op de klacht over de machteloosheid door te leiden tot mogelijkheden die in Gods genade liggen.

Maar dan klemt ook voor allen de noodzaak van een persoonlijk leven uit Gods genade en zal de eis der heiligmaking niet alleen de zelfkennis vermeerderen maar ook de genade kennis louteren. Wij kunnen niet leven op kosten van de genade, zonder ook te leven uit de kracht van de genade. En dan werkelijk léven, dat is in nieuwigheid des levens wandelen (Rom. 6).

Stelling 5

De heiligmaking heeft tegen de achtergrond van de zonde tevens het karakter van de strijd des geloofs.

Ik zeg: werkelijk leven. En hiermee raken we aan een belangrijke vraag n.l. deze: of de heiligmaking een werkelijke vernieuwing en wezenlijke verandering in ons leven betekent.

Immers de rechtvaardiging door het geloof alleen, die wij op grond van de Schrift ten volle willen belijden, veronderstelt de werkelijkheid der zonde en het blijvend karakter der zonde in het leven der gelovigen. Wij zijn zondige mensen en blijven dat ons leven lang.

Daarom moeten wij eerlijkheidshalve na Rom. 6 gelezen te hebben ook Rom. 7 onder ogen zien. En dan is het vooral de vraag naar het subject in Rom. 7 : 14-25 die ons bezig moet houden.

Spreekt Paulus hier over zichzelf als gelovige of over de onbekende mens? Wij menen dat Paulus de gelovige hier het onderwerp is.

En dan zien we Paulus hier in de strijd des geloofs. Ernstig wordt hier beleden de werkelijkheid der zonde die de strijd zo zwaar doet zijn: „ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik; want het willen, dat in mij, dat wil zeggen, in mijn vlees, geen goed woont, want het willen is wel bij mij (aanwezig), maar het goede te doen, dat vind ik niet. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods.”

Er is een strijd in het leven van Paulus en die is er niet buiten Christus, maar juist door Christus. De zonde, die van nature zijn element was, is nu zijn tegenstander en vijand geworden, waarmee hij te strijden heeft. „Het subject in Rom. 7 is niet de onbekende mens, zoals de gelovige hem ziet in het licht van Christus, maar dit subject is de gelovige mens, zoals hij in het geloof — in Christus — zichzelf kent.” (Berkouwer, geloof en heiliging).

De heiligmaking is een strijd omdat de werkelijkheid der zonde zich in het geloof pas recht doet gelden als een weerstand tegenover de heiligmaking. En Christus dringt de gelovigen tot heiligmaking en dus tot het aanbinden van de strijd tegen de zonde. En in die strijd horen wij dan de klacht over de zonde, de belijdenis van de zonde, en de ootmoed t.a.v. de heiligmaking. Maar het is geen wanhoopskreet als Paulus uitroept: „Ik ellendig mens”, want er volgt op: „Ik dank God door Jezus Christus onzen Here.”

Stelling 6

Er is in de heiligmaking sprake van een vordering waarin de onder 4 en 5 genoemde elementen voortdurend gehandhaafd blijven.

Wil dat nu zeggen dat er in de heiligmaking geen werkelijke vrucht gezien wordt? Geenszins.

Het wil zelfs niet zeggen dat er van geen overwinning op de zonde sprake is. De bijbel is vol van de illustraties van het tegendeel. Ik denk aan Zacheüs, Levi (of Mattheus) Paulus, Petrus, stokbewaarder, de Samaritaanse vrouw. Hun leven is door Gods genade radicaal omgezet. Concrete zonden zijn overwonnen. Maar dat heft de strijd niet op, doch maakt haar juist gaande.

Want pas in dat nieuwe leven wordt de weerstand der zonde smartelijk ervaren. Daarom is er juist alle reden in de herderlijke zorg de gelovigen bij te staan met de vermaning „Gij hebt nog niet ten bloede toe tegen gestaan strijdend tegen de zonde,” „Geeft de duivel geen plaats” „wederstaat de duivel” „Laten wij dan met volharding lopen de loopbaan die vóór ons ligt.”

Wij mogen de gelovigen bemoedigen door ze altijd maar weer te wijzen op de overwinning van Christus en de kracht der genade, opdat ze in schuldbelijdenis en bekering smeken om de gave des Geestes die de kracht der heiligmaking is.

En de kracht van de vertroosting ligt niet in het bagatelliseren van de zonde of de illusie van een mogelijke beëindiging van de strijd in dit leven. Maar wel in het wijzen van de weg, de weg van de strijd des geloofs, waarlangs wij werkelijk vorderingen maken in de heiligmaking.

Niet in die zin dat wij de ene zonde na de andere achter ons laten als een overwonnen zwakheid, die wij nu voorgoed te boven zijn. Dat is een negatieve voorstelling die de diepte der zonde bovendien miskent. Maar wij maken wel vorderingen in die zin dat wij positief ons leven door Gods genade en de Heilige Geest al meer gaan heiligen in de zin van toewijden aan God. Dat is een toewijding met zondige bijmengsels dus. Dat zondige bestaan krijgt door een nieuwe gezindheid ook een nieuwe bestemming, een nieuwe richting. Dat betekent in de praktijk dat ons heilig leven tegelijk een zondig en daarom een strijdend leven is. Want we nemen in de heiligmaking onze zondigheid mee. En wat we aan God en Zijn dienst wijden is een in zichzelf zondig bestaan maar dat verloochenen wij door de liefde van Christus al meer.

Zelfverloochenende liefde, zelfopoffering, met al de zondigheid die aan ons kleeft, dus de zelfverloochening van een zelfzuchtig mens, dat is wat Gods Geest werkt in de gelovigen en in die vorderen wij gestadig, doordat onze diepste gezindheid steeds meer die van de liefde wordt. En naarmate deze liefde ons leven gaat beheersen neemt de macht der zonde in ons leven af en worden ook concrete overwinningen geboekt, eigen benen te staan. Wij blijven afhankelijk van een dagelijkse bediening der genade door de H. Geest. Wel afhankelijk — niet lijdelijk. Biddend en strijdend (alsof het van ons afhing) en toch alles verwachtend van Gods genade: dat geheim is moeilijk onder woorden te vangen. Het moet in de praktijk ontdekt en beleefd worden.

Stelling 7

De norm der heiligmaking is de Wet des Heren zoals die door Christus vervuld is.

Een belangrijke vraag is nu vervolgens die naar de norm der heiligmaking. Het is de vraag: Here, wat wilt Gij dat ik doen zal? Het antwoord luidt: De wet des Heren zoals die door Christus vervuld is.

Ik zei dit zó, omdat we dan meteen de tegenstelling zien tussen de farizeïstische werkheiligheid en de christelijke heiligmaking. Wij zijn niet klaar met het plukken van enkele geboden, noch met het uitpluizen van rechtsregels, we moeten komen tot het peilen van de wet.

Een duidelijk voorbeeld hiervan is altijd de polemische prediking van Christus t.o. de wetticistische schriftgeleerden en in het bijzonder de Bergrede.

En zeer speciaal de centrale daad van Christus in Zijn zelfofferande aan het kruis. Daarmee staat overeen de hoofdsom der wet: „Gij zult liefhebben” …. zonder grenzen. Vanuit onze zondige aard betekent dat een radicale en totale zelfverloochening in het belang van God en de naaste. Dat is de inzet van de strijd des geloofs en de norm der heiligmaking.

Stelling 8

De vorm waarin de heiligmaking het best getekend wordt is de navolging van Christus.

Hieruit vloeit onmiddellijk voort dat de vorm, waarin de heiligmaking het best getekend wordt, is: de navolging van Christus. Christus heeft tijdens zijn omwandeling op aarde zijn hoorders opgeroepen Hem te volgen. Soms letterlijk en concreet zoals Levi, Simon Andreas.

Maar altijd als een vorm van levensovergave aan Hem. En die oproep blijft in het Nieuwe Testament klinken in allerlei bewoordingen o.a. als navolging van Christus.

Deze navolging vinden we ook reeds in het Oude Testament b.v. Deut 13 : 4 „De Here Uw God zult gij navolgen en Hem vrezen en Zijn geboden zult gij houden en Zijn stem gehoorzaam zijn en Hem dienen en aanhangen.”

Het Nieuwe Testament roept ons tot de navolging van Christus. En dat is dan zeer duidelijk ook een vorm van heiligmaking: „Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden.” Christus is het voorbeeld der gelovigen. Dat voorbeeld moeten ze navolgen. Niet in de zin van nadoen of nabootsen, maar van leven uit dezelfde Geest.

Paulus roept de gemeente toe: „Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was.” Het is dus een kwestie van gezindheid. Dezelfde gezindheid! Zonder het woord navolgen wordt deze zaak in het Nieuwe Testament telkens weer belicht. Het woordje „gelijk” speelt hier dezelfde rol als de term „navolging” bijv, in deze vermaning: „gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet gij ook evenzo.” (Kol. 3 : 13). En duidelijk is ook Ef. 5 : 1-2: „Zijt dan navolgers Gods als geliefde kinderen en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgegeven.”

Deze navolging van Christus berust op de gemeenschap met Christus door het geloof. Het is geen prestatie van werkheiligheid maar de „vrucht des Geestes”. In de bekende voetwassing horen we dat de navolging van Christus voortvloeit uit de reiniging door Christus, „Indien nu Ik, Uw Heer en Meester, U de voeten gewassen heb, behoort gij ook elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb,” Joh. (13 : 14-15). Dat zijn ze verschuldigd als dankbaarheid voor Zijn genade. Wij moeten de liefde van God niet imiteren maar uit die liefde zó leven dat we er aan gelijkvormig worden, dat ze ons leven beheerst. „Want, die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.” (Rom. 8 : 29).

En: „Mijne kinderen, terwille van wie ik opnieuw weeën doorsta, tot de gestalte van Christus in u zichtbaar worde.” (Gal. 4 : 19).

Zo zien we dat het Nieuwe Testament de heiligmaking duidelijk tekent in de vorm van de navolging van Christus.

Stelliag 9

De heiligmaking is in dit leven door de overblijvende zonde niet volkomen.

Vervolgens willen we nog een enkel woord wijden aan het zgn. perfectionisme. De stroming die leert dat wij in dit leven de perfectie, de volmaaktheid, de zondeloosheid kunnen bereiken. Deze afwijking heeft de laaste jaren in onze kerken weer enige invloed gekregen. Elke goede catechisant kan weten dat dit onschriftuurlijk is. De heiligmaking is in dit leven door de overblijvende zonde niet volkomen. Het leven der bijbelheiligen illustreert dat voldoende. Bovendien zijn er tal van uitspraken die hetzelfde zeggen. Ik herinner u aan Rom. 7.

Voor het perfectionisme is niet één enkel schriftbewijs aan te halen. Wel een schijnbewijs met klankexegese; b.v. 1 Joh. 3 : 9 „Een iegenlijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren.” Hier staat in werkelijkheid alleen maar dat de uit God geboren mens de zonde niet voortdurend doet. Hij kan niet voortdurend zondigen, niet in de zonde leven. Om te zeggen dat hij nooit meer zondigt, zouden in de grondtekst andere woorden nodig geweest zijn dan er nu staan. Bovendien leert 1 Joh. ons wel anders in 1 : 8 en 10 „Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons.”

Daarom belijden wij met de H. Cat. L. 44: „ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid.”

Omdat er kortgeleden nog uitnemende artikelen over het perfectionisme geschreven zijn in „De Wekker”, laat ik dit onderwerp verder rusten.

Stelling 10

De vreugde die de heiligmaking meebrengt behelst onder meer de zekerheid des heils.

En zo kom ik tot onze tiende en laatste Stelling. Hier hebben vooral praktische ervaring en pastorale overweging mij geleid. Het is eigenlijk op zichzelf al een stelling als wij spreken van de vreugde die de heiligmaking meebrengt.

In Z. 32 wordt onder het motief voor de goede werken ook dit genoemd „dat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij.”

Wij mogen niet zeggen dat de Cat. hier minder theologisch spreekt.

Verzekerd zijn van zijn geloof dat betekent verzekerd zijn van zijn kindschap en van Gods Vaderschap. En dat is vreugde in God. Is dat niet theologisch?

De zekerheid des Heils mag niet voorgesteld worden als een zaak van eigenbelang van de mens die bezorgd is over zijn eeuwig lot. Wie uit dit motief het heil zoekt, komt niet tot deze zekerheid.

Niet door zelfzucht maar door heilbegeerte en door zelfverloochening komen wij tot de vreugde. Ik zeg met opzet komen tot. Hierbij wordt wel eens opgemerkt dat de zekerheid toch inhaerent is aan het geloof. Het ware geloof is een vast vertrouwen dat ook mij vergeving geschonken is. En dit is ook ongetwijfeld waar. Maar dit geloof wordt door de H. Geest gewerkt in ons hart door middel van het Evangelie. En dat Evangelie met zijn verzekerde kracht krijgt nog altijd aanstonds bij de eerste kennismaking deze heerschappij over ons geweten. Er zijn ook weerstanden. Aan onze kant. De strijd des geloofs is ten dele ook een strijd om te geloven. En de heiligmaking is ook ten dele naar de heiligmaking. Zo is de zekerheid wel in het Evangelie gegeven, maar daarom nog niet altijd door de gelovige gegrepen. Wij weten toch alien uit ervaring, dat geloven nog niet altijd betekent: verzekerd zijn. Al mogen we op grond van Gods belofte daar wel naar „staan” en er ook op rekenen.

Meer dan ergens ervaren wij hier onze afhankelijkheid. Alleen de intellectualist grijpt de zekerheid „zómaar”: maar het is niet de zekerheid des geloofs.

Wij moeten in de herderlijke zorg eerlijk zijn tegenover onszelf. Geen dingen zeggen die niet waar zijn. Wel wijzen op wat God beloofd en schenkt. Daartoe behoort het verzekerd geloof.

Wie zich nog niet ten volle laat leiden door de Geest, nog nièt van harte strijdt tegen de zonde en om de heiligheid. die ervaart ook nog niet ten volle de troost van het Evangelie.

De klacht over het gemis aan zekerheid betekent soms gemis aan heiligmaking.

En daarachter schuilt vaak een gemis aan geloof en aan begrip van geloof en heiligmaking. Onder een negatieve herderlijke zorg wordt het geloof soms neergeslagen en ontstaat een chronische twijfel. Wij moeten positief prediken wat God beloofd en eist. En of bekering en geloof dan echt zijn moeten we niet opmaken uit de zgn, bevinding, maar uit de vrucht. Dat is naar Schrift en belijdenis. „Alzó ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelve dood” (Jakobus 2 : 17). Vandaar de vermaning van Petrus als hij oproept tot heiligmaking (2 Petr. 1 : 10-11) „Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken: want dat doende, zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk van onze Here en Zaligmaker Jezus Christus.”

Broeders, aan ons is de taak gegeven deze dingen uit te dragen in de gemeente m.n. op het huisbezoek.

Niets is in deze herderlijke zorg belangrijker dan dat wij zelf met ons leven bezegelen wat we anderen leren.

De Here Sterke ons daartoe tot heil van onze kerken en tot eer van Zijn naam.

*) Zie ook februarinummer 1962, pag. 17 e.v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.