+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

9 minuten leestijd

XXIV.

Voor een niet zoo gering deel wordt de afmeting, de plaats en de vorm van een gebouw door zijn doel bepaald. Niet uitsluitend. In dagen van vrede en overvloed zoekt de kunst ook onder het bouwen te zinnen en in den bouw zin te verbeelden; maar althans het bouwen van een kerk is ook aan de eischen van doelmatig gebruik gebonden. .^ Ten deele is de kunst hier alzoo onvrij.

Immers de dusgenaamde vrije kunsten vinden juist daarin haar eigenaardig karakter van vrijheid, dat ze niets en niemand dienen, en eeniglijk aan het ideaal van het schoone onderworpen zijn.

De hooge producten der kunst worden niet besteld, maar vrij geboren. Zoo hooge oorsprong echter is alleen denkbaar bij die kunsten, die aan weinig plaats en materiaal, en daardoor aan niet te groote kosten gebonden zijn. Een dicht te maken eischt gansch geen aanmerkelijke uitgaven. Een greep in de tonenwereld te doen en vast te zetten, onderstelt reeds de beschikking over een instrument. Enkel gevoelde compositiën komen bijna niet voor. Een schilderstuk vraagt om zekere ruimte, om doek, penseel en verf. Een beeld eischt een blok steen, die afkapbaar is, en de noodige beitels. Maar dat is dan ook al, en de kunstenaar moet reeds buitengemeen arm zijn, die zich deze weinige stoffen en instrumenten niet kan aanschaffen.

Maar heel anders staat het met den bouwmeester. De verwezenlijking in steen en hout en metaal van zi/n ideale plannen komt vaak op millioenen en millioenen schats te staan.

Denk maar aan den Dom te Keulen. En zelfs op kleiner schaal vordert de bouw, waarin zich een grootsche kunstgcdachte zal uitspreken, toch altoos tonnen gouds.

Dit nu maakt, dat de bouwkunstenaar wel vrij blijft in zijn kunstmotieven, maar niet vrij is in hun aanwending. Zijn kunststuk is altoos besteld. Een ander betaalt het, betaalt meest ook hem. Maar die ander die het betaalt, bepaalt dan ook aan welk doel het zal moeten beantwoorden. Een paleis moet een paleis, een museum een museum, en zoo ook een kerk een ferX'zijn.

Doch ook hiermee is nog niet genoeg gezegd. Niet elk paleis, niet elk museum stelt dezelfde eischen. Een museum van schilderijen moet anders zijn dan een museum van natuurlijke historie. Een paleis van justitie anders dan een paleis dat tot woning van het vorstelijk gezin moet dienen. En zoo nu ook verschilt de bouw van een kerk al naar gelang die kerk zal moeten dienen voor een bediening van het altaar, of wel voor de vergadering der geloovigeri, als Voorhof van het Heiligdom dat in'de hemelen is.

In den loop der historie is dan ook feitelijk de opvatting van het kerkgebouw gewijzigd naar de opvatting van den eeredienst.

Reeüs vóór Jezus' komst op aarde bestond er voor de heilige gebouwen tweeërlei grondtype, het écne in den Tempel op Sion en het andere in de Synagoge.

Op Sion, en zoo ook oudtijds in den Tabernakel, was een altaar opgericht, en moest alles zich naar de bediening van dat altaar voegen. In de Synagoge daarentegen stond geen altaar, en had men met niet anders te doen, dan met een vergadering van zonen Israels. En beide, zoo deze Tempel op Sion, - als deze Synagoge, die ge allerwegen vond, waren in hun bouw op dat doel ingericht. In den Tempel komen de geloovigen er bij, zijn aanhangsel en staan daarom in den Voorhof. In de Synagoge daarentegen zijn de geloovigen hoofdzaak, en bepaalt hun tegenwoordigheid den aard van het lokaal.

Streng genomen kan men zelfs zeggen, dat op Sion beide grondtypen aanwezig waren. Eenerzijds de Tempel, en anderzijds „Sions zalen". Gelijk men toch weet, was de Tempel omringd met een reeks groote en kleine zalen, die voor allerlei bijeenkomsten dienst deden. Er waren ook de woningen van het dienend personeel, maar deze kunnen thans buiten bespreking blijven. Doch „Sions zalen" verdienen daarom onze aandacht, omdat het in die zalen was, dat Jezus dikwijls met de zijnen saamkwam, en in diezelfde zalen, dat de kerk van Christus te Jeruzalem oorspronkelijk hare vergaderingen hield.

Toch heft dit de tegenstelling van Tempel en Synagoge niet op. Immers de groote zalen die bij den Tempel gebouwd waren, vonden elders in de Synagoge slechts haar repetitie. Het waren ook Tempelzalen, alleen maar op verderen afstand van het Heiligdom, En gelijk thans de „vergadering der geloovigen" het Heiligdom in het hemelsch Sion onderstelt en er op gericht is, zoo ook onderstelde de Synagoge, op wat verren afstand ze ook gebouwd was, het Heiligdom op het aardsch Sion, en werd er op gericht. Zooals de zonen Israels in hun Synagoge nederzaten, denkende aan den Tempel te Jeruzalem, zoo ook moeten de Christenen thans in hun vergaderplaatsen nederzitten, denkende aan het Heiligdom daarboven.

Behoefte aan het bouwen van een eigen vergaderplaats openbaarde zich in de gemeente van Christus dan ook aanvankelijk niet. Wie vergaderen wil kan daarvoor ook een bestaande localiteit bezigen, mits die ruimte genoeg bezit.

Op geheel natuurlijke wijze koos men daarom te Jeruzalem een der vele Tempelzalen, Geen vaste. Nu eens deze, dan eens die. YA\ in de kerken die door Paulus gesticht zijn, blijkt de gemeente in een lokaal van een der vrienden te zijn saamgekonien, of ook waar dat lokaal te klein was, zich over meerdere lokalen te hebben verdeeld.

Zoo lezen we van de gemeente „die ten huize van N. N. is, " Iets wat niet doelt

op een gemeente A of B, maar op de onderscheiden localiteit, waarin men vastelijk samenkwam. Niet nu eens hier, dan weer elders kerkende, maar vastelijk opgaande naar eenzelfde localiteit. Het kerspel-of parochiestelsel, edoch onder één kerkeraad. Want het blijven „DE opzieners te N. N."

Later wies intusschen de gemeente te sterk aan, en zag men om naar publieke lokalen en ruimten, en vond die deels in de catacomben, deels in de basilieken, een soort publieke gebouwen voor volksvergaderingen enz., die wij zoo niet kennen.

Nog later begon men zelf te bouwen, en bootste toen eerst den basiliekvorm na, iets waaruit blijkt, dat destijds nog de gedachte van „een vergadering der geloovigen" op den voorgrond stond.

En eerst veel later, toen die eerste grondgedachte weer plaats maakte voor het denkbeeld van een gebouw met altaardienst, werden bestaande heidensche tempels in kerken omgebouwd, of ook nieuwe kerken gesticht van een heel ander type.

Toch is ook in de latere eeuwen, toen het denkbeeld van een gebouw voor altaardienst algemeen heerschende was, de grondgedachte van een vergadering der geloovigen nooit, zooals bij den heidenschen tempelbouw geheel op zij gezet.

De heidensche tempel was enkel op altaardienst ingericht, en het volk stond buiten op straat, zooals men dit nu nog in het Zuiden zien kan bij enkele kapellen, waarin nu en dan dienst verricht wordt, en waar het volk dan op straat voor staat of knielt.

Dat is de Heidensche tempel-idee.

In de Christelijke kerk daarentegen is, ook toen de altaar-idee wederom heerschende was geworden, toch altoos een eigen plaats aan de geloovigen ingeruimd, en op hun tegenwoordigheid gerekend. Het is zelfs uitsluitend daaraan te danken, dat de Christelijke kerkgebouwen ten slotte zoo kolossale afmetingen aannamen. Dat gedeelte, waarin de altaardienst verricht werd, was bijna altoos het kleinste, en het grootste deel van het gebouw strekte in den regel voor de ontvangst van de schare, en werd daarom ingericht met plaatsruimte voor duizenden personen.

Het Voorhof, als we het zoo noemen mogen, was in den bouw zelf opgenomen, en vormde er het grootste gedeelte van, alleen maar niet het /; w/iigedeelte. Het hoofdgedeelte vormde het koor, dat veelal zelfs een of twee treden hooger lag.

In' dat hoofdgedeelte werd de eigenlijke dienst verricht, en bij dien dienst verkeerde de schare lijdelijk. Ze zag toe, ze knielde neder, ze deed stille gebeden; inaar zelfs aan den zang nam ze ten slotte geen deel meer. In haar plaats zong een zangkoor van het orgel.

Alleen bij de predikatie, die slechts nu en dan plaats greep, werd het anders; daarvoor stond een predikstoel in het Voorhof. Om dien kansel verzamelde zich de schare. En zoo luisterde ze toe.

Naar dien dienst en naar dat gebruik had zich dan ook allengs de bouw der kerken ingericht, en in den Gothischen kerkbouw had deze opvatting haar zenith bereikt.

Toen nu de Reformatie opkwam, ontstond er natuurlijk strijd tusschen de weer bovenkomende gedachte van de „vergadering der geloovigen", en de in steen belichaamde gedachte van den altaardienst met in den bouw opgenomen Voorhof.

Tweeërlei deed zich hierbij voor.

In steden en dorpen waar de Reformatie heel de bevolking, of althans verreweg het grooter deel der bevolking aangreep, moest 'het bestaande gebouw ingericht worden voor den gewijzigden dienst. In steden en dorpen daarentegen, waar dit niet het geval was, moesten „die van de Religie", gelijk men ze noemde, omzien naar een ander lokaal, of ook zelf een kerk gaan bouwen.

Te Amsterdam vergaderden de Gereformeerden in de i6e eeuw eerst in een werkplaats; later namen ze de Oude en en Nieuwe kerk met de kapellen in bezit, en nog later bouwden ze de Wester-, Coster-, Zuider-en Noorderkerk zelf.

Dat in gebruik nemen van bestaande kerkgebouwen, die geheel op altaardienst waren ingericht, voor wat nu zijn zou een „vergadering der geloovigen, " is toen oorzaak geworden van al het ongemak, waarin men zich. drie eeuwen lang geschikt heeft.

Het koor werd dan afgesloten, en in het groote schip der kerk zat men neder, om een wat solider predikstoel, en met om dien predikstoel een doophek, waarin de ouderlingen en diakenen zaten.

Voor zooveel men daarentegen zelf bouwde, liet men het koor weg, ook de zijvleugels, en bouwde óf een rond óf een ruitvormig gebouw, soms met, soms zonder imitatie der zijschepen, maar in den regel zonder dat de bouwheer zich helder rekenschap had gegeven van de wijze waarop de gezuiverde kerk-idee in steen moest belichaamd worden. Alleen van de koepelkerken kan dit ten deele worden toegegeven. Maar zelfs de Westerkerk te Amsterdam, die op zichzelf als gebouw de meeste kunstwaarde bezit, kan niet gezegd worden, dat ze uiting gaf aan een hooge opvatting van het doel, waarvoor ze werd opgericht. Om slechts één ding te noemen, bij een vergadering der geloovigen is een der eerste eischen, dat wie spreekt verstaan kan worden, en toch is de akoestiek bijna in geen kerk slechter te denken, en ook de afstand tusschen wie spreekt en hoort geheel beginselloos gemeten.

Dit zou heel anders geloopen zijn, indien men destijds allerwegen meer had moeten bouwen. Dan zouden er bouwmeesters zijn opgestaan, die aan deze soort bouw hun kunst en hun leven wijdden. Nu daarentegen kerkbouw slechts zelden, en nog zeldzamer uit ruime beurs voorkwam, daar men meestal de bestaande gebouwen in gebruik nam, heeft de geest der bouwkunst zich niet klaarlij k genoeg ge­ richt op het doel, en daardoor ïs niet dan bij uitzondering een gebouw verkregen, dat én goeden dienst deed, én zin in zich droeg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.