+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor en Jong

7 minuten leestijd

47.

„Maar waarom zouden de burgers van de stad Verderf zo tegen Plooibaar ingenomen zijn, daar zij zelf toch ook de weg verachten waarvan hij zich heeft afgekeerd?”

Een vraag, waarop Getrouw wel weet te antwoorden, daar hij het meegemaakt heeft. „Zij zeggen: „Hang hem op! Hij is een weerhaan, een ontrouwe!” Ik houd het er voor, dat God Zelf Zijn vijanden tegen hem verwekt heeft en hem tot een aanfluiting heeft gemaakt, omdat hij Zijn weg verlaten had”.

De burgers in de stad Verderf zijn van huis uit niet dubbelhartig. Hun hart is geheel in de zonde, en zonde is geheel in hun hart. Door niemand wordt de stad van zijn geboorte veracht, het zijn echte wereldburgers. Voor een man als de Pelgrim en later als Getrouw, hebben zij in de grond der zaak nog enige achting, en dat te meer daar zij de stad van hun geboorte met een beslist hart hadden verlaten. Voorgoed kwamen zij te vertrekken, hun geboorteakte is opgevraagd en meegenomen.

En waar hebben zij die ingeleverd? Nergens, maar die wordt door hen met ernst bewaard en bitter beweend, want dat is de bron van het verderf der zonde. Uit genade kennen zij de nieuwe geboorte, die uit God is, en hebben uit die hoofde een tweede of nieuwe geboorteakte ontvangen om ingang te bekomen in de stad die fundamenten heeft.

En zo laat het zich begrijpen, dat Plooibaar bij zijn wederkomst in de stad, de plaats die hij had verlaten, niet meer wist te veroveren. Hij werd voor huichelaar gehouden. Eens heeft Getrouw hem op straat ontmoet, maar hij maakte zich uit de voeten en ging aan de andere zijde van de weg, als schaamde hij zich over het gebeurde en zodoende sprak hij hem niet.

„Wel, bij ’t begin van mijn reis koesterde ik goede verwachting omtrent die man”, zo sprak de Pelgrim, maar nu vrees ik wel dat hij met de stad zal omkomen. Het is hem gegaan als het spreekwoord zegt: „De hond is wedergekeerd tot zijn uitbraaksel en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk”. En daar Getrouw die vrees ook koestert, zijn zij beiden van gedachte, dat het niet in hun macht staat hem nog terecht te brengen. Dat doet hen besluiten niet meer over hem te spreken. Alleen door het hartvernieuwende werk van de Heilige Geest kan Plooibaar bruikbaar worden in de dienst des Heeren. „Wel buurman Getrouw, laat ons niet meer over hem spreken. Houden wij ons thans bezig met de dingen, die meer ons zelf betreffen. Vertel mij eens wat u op de weg ontmoet is. Want het zou wel een wonder zijn, als ook gij niet heel wat ondervonden had”. Getrouw stemt toe, hij heeft inderdaad heel wat ondervonden, maar die ondervinding was hem bij lange na niet altijd aangenaam. „Ik ben wel ontkomen aan de poel, waarin gij gevallen zijt, en heb zo, zonder dat gevaar, de poort bereikt. Doch ik ontmoette een vrouw, Wellust genaamd, en die scheen er op uit mij leed te doen”.

„Gij moogt blijde zijn”, zo sprak de Pelgrim, „dat gij aan haar netten zijt ontkomen. Jozef had ook eens eenharde aanval van haar te verduren en is, evenals gij, ontkomen. Maar wat zei zij tot u?

Ik kan u niet zeggen”, antwoordt Getrouw, „hoe zeer zij trachtte mij te vleien. Zij drong er ten sterkste op aan, dat ik bij haar mijn intrek zou nemen en beloofde mij allerlei genietingen. En dat, zo merkt de Pelgrim op: Behalve het genot van een rein geweten”. Natuurlijk, in de dienst der zonde wordt altijd het sprekende geweten in de eerste plaats het zwijgen opgelegd, desnoods als met een brandijzer toegeschroeid, om niet gekweld te worden door die waarschuwende stem.

„Maar”, zo sprak Getrouw dan ook in verband met die betekenisvolle opmerking: „Gij weet wat ik bedoel, alle denkbare wereldse en vleselijke genietingen”. En meer heeft zij niet aan te bieden.

„Gode zij dank”, riep de Pelgrim uit, „dat gij haar zijt ontkomen. Haar mond is een diepe gracht, en hij, op wie de Heere vergramd is, zal daarin vallen”.

En terecht, het heeft keer op keer onze aandacht getrokken, dat het vallen in die diepe gracht schier altijd in verband staat met een bepaalde zonde, die men zocht te bedekken met wat vroomheid. „Op wie de Heere vergramd is, zegt de Schrift, zal daarin vallen”. De Pelgrim bedoelt hiermede, dat ons hart en leven altijd gericht moet zijn op het aankleven van de Heere, want in Hem is onze sterkte tegenover de zonde. In Hem alleen! „En toch weet ik niet”, zegt Getrouw, „of ik haar wel geheel ontkomen ben”. Een gedachte, die wij ter harte hebben te nemen. Al hebben wij tot roem van Gods genade een overwinning mogen behalen op die zonde, zo is die zonde het nog niet moede geworden alles in het werk te stellen om een overwinning op ons te behalen.

„Maar ik vertrouw toch, al kan Getrouw niet zeggen geheel aan deze zonde ontkomen te zijn, dat gij aan haar wensen niet hebt voldaan?” En dat vertrouwen spreekt de Pelgrim vraagsgewijze uit, om meer te vernemen van zijn innerlijk leven.

„Neen”, zo antwoord Getrouw, „niet met de daad, want ik herinner mij een oude spreuk: Haar treden houden de hel vast. Ik sloot dus mijn ogen om niet door haar blikken betoverd te worden. Toen beschimpte zij mij en ik ging mijns weegs”. En Jozef nam ook de vlucht om dat kwaad te ontvlieden. Had ik mijn ogen niet gesloten, dan was ik door haar betoverende blikken met machteloosheid geslagen en bezweken. Ik ben dus maar ternauwernood aan haar greep ontkomen”. En daaruit blijkt ons, dat Getrouw geen hoge gedachte had van zichzelf. Een gestalte die hem deed leven in het besef van zijn afhankelijkheid, en dat zal hem profijtelijk zijn als hij nog dieper geleid zal worden in de verdorvenheid van zijn bestaan.

Op de vraag van de Pelgrim: „En hebt ge niet aan andere aanvallen bloot gestaan?” heeft Getrouw dit geantwoord: „Toen ik aan de voet van de heuvel Moeilijkheid kwam, ontmoette ik daar een zeer oud man, die mij vroeg wie ik was en waar ik heen ging. Ik zeidde hem, dat ik een Pelgrim was op weg naar de hemelse stad. Daarop hernam hij: „Gij schijnt mij een eerlijk man, indien gij : er lust in hebt, kunt gij mij dienen voor het loon dat ik u geven zal”. Ik vroeg hem naar zijn naam en zijn woonplaats. Hij zeide mij: Mijn naam is de eerste Adam en ik woon in de stad Misleiding. Daarop vroeg ik hem wat voor werk hij had en welk loon hij gaf. Hij zeide mij, dat zijn werk bestond uit genietingen van allerlei aard. „Het loon datikgeefis, dat ik mijn dienaren tot mijn erfgenamen maak”. Nu was mijn vraag, wat voor woning hij had en wie zijn dienaren waren.

Hij antwoordde mij: „Mijn huis is een huis der maaltijden, en mijn dienaren zijn mijn eigen kinderen”. Ik vroeg nu naar zijn kinderen. „Hij had”, gaf hij mij ten antwoord, drie dochters, genaamd: Begeerlijkheid des vieses, Begeerlijkheid der ogen, en Grootsheid des levens. Indien ik wilde, zou hij ze mij tot vrouw geven. Nu vroeg ik hem nog, hoelang ik in dienst zou moeten blijven. Daarop antwoordde hij: „Zo lang ik leef”.

En zo heeft de eerste Adam duidelijk tot u gesproken vanuit het beginsel der ongerechtigheid. Hij wil voor altijd ons in zijn greep, in zijn dienst hebben.

„Zo, en wat was de uitslag van uw bespreking met hem?” vraagt de Pelgrim belangstellend. „Wel, ik gevoelde eerst wel enige neiging om met de man mee te gaan. Ik vond, dat hij wel aardig sprak, maar toen ik naar zijn voorhoofd zag, terwijl ik met hem sprak, zag ik daarop de woorden: „Legt af de oude mens met zijn begeerlijkheden”.

En met dit woord kwam Getrouw dieper te blikken in het verderf van de oude of eerste Adam en dat hij geneigd was daaraan toe te geven, zodat hij de Wet leerde kennen in haar eis en vloek. Getrouw moest amen zeggen op dit woord: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen”. En zo bekomt het hart een welgevallen aan de straf van zijn ongerechtigheid.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.