+ Meer informatie

ZICHTBARE LIEFDE VAN CHRISTUS

8 minuten leestijd

Inleiding

Het is verheugend dat het comité besloten heeft na jaren weer eens een diaconaal thema aan de orde te stellen.

Hoewel de uitnodiging voor deze conferentie de diaken als derde spreker aankondigde, is hem nu ná de predikant en vóór de ouderling het woord gegeven.

We (her)kennen allen in de aangekondigde volgorde de hiërarchie. Is hier toch iets herkenbaar van wat op de synode van 1953 omschreven werd als ‘degradering van het ene ambt ten aanzien van het andere’? Je zou het natuurlijk ook anders kunnen bekijken en zeggen dat de opzet van deze conferentie een soort climax is, eerst de predikant, dan de ouderling met dan als hoogtepunt: de diaken! Zoiets als ‘lest best’.

Het zal duidelijk zijn dat ik een beetje zit te spotten, en misschien zelfs lijk te lijden aan een minderwaardigheidscomplex. En eerlijk gezegd moet ik toegeven dat ik dit wel eens zo heb ervaren. Gaat het bij u op de kerkeraad ook wel eens zo dat, als er weer nieuwe broeders moeten worden gekandideerd en de groslijst is opgemaakt, er dan eerst zorgvuldig de kandidaten voor ouderling worden uitgekozen en uit hen die afvallen, kunnen we dan de diakenen kiezen. Ik heb me daaraan, ik zeg het eerlijk, wel eens geïrriteerd.

Maar ik moet zeggen dat ik de laatste tijd er meer begrip voor heb gekregen, met name door het lezen van het boek: ‘Zichtbare liefde van Christus’, al zeg ik daarmee niet dat de zoëven genoemde wijze van kandidering altijd goed wordt aangepakt.

Gelijkwaardigheid van de ambten

Uit het boek ‘Zichtbare liefde van Christus’ heb ik opgepikt, dat we het niet negatief moeten opvatten als er weieens gezegd wordt: de diaconie is een goede leerschool voor het ouderlingschap. Daardoor wordt de diaken niet een tweederangs ambtsdrager, maar iemand die met een eigen taak en eigen gaven een even waardevolle opdracht in de gemeente heeft te volbrengen. En dan mag hij ook wat in de schaduw van de andere ambtsdragers staan, dat brengt dan de aard van het ambt met zich mee. Ds. Steenbergen wijst hier ook op als hij 1 Tim. 3 exegetiseert. Deze teksten geven er aanleiding toe diakenen te zien als mensen met een taak die niet gelijk maar wel gelijkwaardig is aan die van de opzieners, en die dan ook evenzeer als de hunne een ambtelijk karakter heeft.

Veranderend diakenschap

Een van de zaken die mij bezighoudt, is dat het werk van diakenen de laatste jaren steeds meer voor het voetlicht treedt. Ik sta wat ambivalent tegenover deze ontwikkeling. Deels juich ik het toe dat er meer aandacht gegeven wordt aan het diaconaat, dat de gemeente opgewekt wordt diaconaal te zijn e.d.

Anderzijds ben ik bang dat het ‘stille’ werk van diakenen zoals het vroeger werd gedaan, gaat verdwijnen. De drempel om met een diaken contact te zoeken wordt hoger door de publiciteit die het diaconaat krijgt. Meer nog ben ik bang dat de intentionaliteit waarmee die ‘oude’ diaken bezig was, vervangen wordt door een weliswaar enthousiaste, maar soms toch wel wat ‘activistisch’ lijkende diaken van nu.

Het handboek

Het tweeslachtige waarover ik zoëven sprak, heb ik ook een beetje met betrekking tot het boek dat vandaag centraal staat. Laat ik eerst zeggen dat ik blij ben met dit boek, erg blij. Onze diaconie heeft zelfs besloten voor elke diaken dit boek aan te schaffen en het door te geven aan nieuwe diakenen als de ‘ouden’ aftreden.

Er staan heel goede dingen in. In het eerste deel wordt een fundamentele bezinning gegeven op de bijbelse uitgangspunten. Het tweede deel geeft een helder historisch overzicht, met name het hoofdstuk over de diaconie in de twintigste eeuw heb ik met interesse gelezen. Het onderscheid dat wordt gemaakt in het zogenaamde christocentrische diaconaat, het gemeentediaconaat, het samenlevingsdiaconaat en het werelddiaconaat vind ik erg interessant. Het derde deel tenslotte biedt een duidelijke vertaling naar de praktijk van elke dag. Het is met name dat deel waar ik wat verder op in wil gaan.

De diaken als organisator

De typering van de diaken van deze tijd wordt ergens kernachtig aangeduid als de diaken als ‘componist’ van de gemeente. Of zoals het ergens anders staat, naar Efeze 4, ‘de diakenen zijn de banden, de pezen waarmee het lichaam bijeengehouden wordt. Hun taak is het goed te zorgen voor de verbindingen in het lichaam van Christus, zodat het als een hecht en krachtig geheel kan functioneren’.

Vanuit weer een ander perspectief spreekt C. Huizinga behartenswaardige woorden over het rentmeesterschap van de christen. ‘Geestelijke gaven ontvangen, beheren en uitdelen’, zo zegt hij, ‘opdat er vruchten gevonden worden voor de Heer(e) en in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid. Rentmeesterschap is diakonia, dient tot eer van God’.

Diaconaal huisbezoek

Als een diaken op diaconaal huisbezoek gaat dan heeft hij in principe twee vragen, zo heb ik geleerd van Van Well tijdens een toerustingsbijeenkomst van de classicale diaconale commissie van Amersfoort. Analoog aan het collecteren in de eredienst kan de diaken op diaconaal huisbezoek vragen: 1. heeft u iets nodig en 2. heeft u iets te geven? Inzamelen en uitdelen.

Het verschil met de eredienst is dat het op het diaconaal huisbezoek meestal niet gaat om de stoffelijke gaven en noden. Het nieuwe formulier spreekt in dit verband van ‘de liefde van Christus zichtbaar maken door in noden en moeilijkheden van onderscheiden aard met raad en daad steun te verlenen’.

‘De dienst der barmhartigheid bestaat niet slechts in stoffelijke steun en hulp in lichamelijke nood, maar richt zich op heel de mens, naar lichaam en ziel. Hulpverlening die slechts bestaat in materiële steun en zich beperkt tot hulp in financiële en lichamelijke nood, wordt tot sociale dienst. Maar barmhartigheid in de zin van de Schrift is meer. Het diaconaat behoort te getuigen van de barmhartigheid van Christus door woord en daad beide. De troost van het evangelie kan niet worden gemist. Het oude formulier tot bevestiging van diakenen houdt dezen voor niet slechts met uiterlijke gift, maar ook met troostelijke redenen uit het Woord van God aan de armen en ellendigen hulp te bewijzen. Het nieuwe formulier spreekt van bereid te zijn om de troost van het evangelie mee te delen aan hen, die in nood verkeren’ (prof. Oosterhoff).

De diaconale gemeente

De andere pool van het diaconaat is de gemeente. Prof. Oosterhoff zegt: ‘het ambt van diaken is geen vervanging van de roeping die tot heel de gemeente komt, maar maakt deze zichtbaar, terwijl anderzijds van het diakenambt een werking behoort uit te gaan op heel de gemeente om deze dienst der liefde te stimuleren en levend te houden’.

Twee gevaren

Hoewel in het boek duidelijk wordt aangegeven dat het spontaan diaconaal bezig zijn de voorkeur heeft boven het door de diaken geïnitieerde, ontkom ik niet aan de indruk dat de diaken van nu over een geweldig organisatietalent moet beschikken.

In populair taalgebruik: een regelneef en een vergadertijger. Twee dingen zou ik daarvan willen zeggen.

In de eerste plaats het gevaar dat het ten koste gaat van het geestelijke karakter van het ambt. Allerlei zaken en termen uit de organisatiekunde doen hun intrede in de kerk. Het gevolg kan zijn dat de eenvoudige, geestelijk wijze ambtsdragers gaan verdwijnen ten gunste van hoog opgeleide rationeel ingestelde mensen.

Het tweede wat ik ervan zeggen wil, is dat hetgeen in dit boek geschetst wordt, ook moet ‘landen’ in de diaconieën. Met andere woorden: het moet niet theorie blijven maar ook praktijk worden.

Opdracht

Ik acht dit een beangrijke taak. Dit is de boodschap die ik mee wil geven. Laat de waardevolle zaken die in het boek genoemd zijn, overkomen in alle diaconieën. In alle hoeken van ons land. Bij de meest eenvoudigen tot de meer geletterden, allen kunnen hier hun winst mee doen.

Die opdracht zou ik willen leggen in de handen van het diaconaal bureau. In de handen van deputaten ADMA In de handen van u als predikanten, van u als ouderlingen, van u als diakenen. In de handen van u en van mijzelf.

Ik wil afsluiten met u een stukje voor te lezen uit het Avondmaalsformulier:

‘één brood (is het, zo) zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn’. Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet en zich ondereen vermengt: alzo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus onzes lieven Zaligmakers wil, die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, allen te zamen één lichaam zijn en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen. Daartoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus, door zijn Heilige Geest. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.