+ Meer informatie

"Een componist is ook maar een mens"

In memoriam Hendrik Andriessen

11 minuten leestijd

Het is nog te vroeg om de levensgeschiedenis van Hendrik Andriessen te schrijven, zo schreef ik in deze krant op 17 september 1977 ter gelegenheid van diens 85-ste verjaardag. Vorige maand brak echter het moment aan waarop zijn levensgeschiedenis werd voltooid. Op 12 april j.l. overleed Hendricus Franciscus Andriessen op 88-jarige leeftijd in een verpleeghuis in Haarlem. Het Nederlandse muziekleven verloor een groot man; een componist die internationale bekendheid genoot.

Hendrik Andriessen werd op 17 september 1892 in Haarlem geboren, waar zijn vader organist was van de St. Josephkerk en zijn moeder zich creatief, toonde op het beeldende vlak. Zijn oudere broer Willem werd later een van Nederlands bekendste pianisten en directeur van het Amsterdams Conservatorium, zijn jongere broer Mari ging het beeldhouwersvak in.

Al op jeugdige leeftijd speelde Hendrik piano en orgel. Amper 10 jaar oud lanceerde hij zijn eerste orgelstuk: Andante Religioso.

Hoewel de muziek zijn levensroeping was, belandde hij eerst een aantal jaren in de journalistiek. Dat begon in 1909 bij de Nieuwe Haarlemsche Courant, terwijl hij tegelijkertijd voor zichzelf vakken als geschiedenis, Latijn en literatuur studeerde. De journalistiek bleek echter niet zijn een en al. Toen hij op een avond in 1912 op het kantoor van de krant moest nablijven om het laatste nieuws dat binnenkwam nog te verwerken voor de volgende ochtendeditie, ging het mis. Juist voor hij naar huis wilde gaan, kwam het bericht binnen, dat op de Noordatlantische oceaan het schip de Titanic gezonken was, en dat meer nieuws zou volgen. Onder het motto „de Titanic, nooit van gehoord" ging hij maar naar huis, zodat zijn krant dit wereldnieuws met slechts twee regeltjes afdeed.

Conservatorium

Toen in 1913 vader Nico Andriessen overleed, kon zoon Hendrik diens functie als organist van de St. Josephkerk aan de Jansstraat in Haarlem overnemen. Dat werd een nieuwe episode in zijn leven. Met de gevleugelde woorden ,,de' Ia musique, avant toute chose",- neergekalkt op een vodje papier, neergelegd op het bureau van de krant, nam hij ontslag als journalist, doch bleef muziekrecensent. Vanaf nu ging hij zich geheel aan de muziek wijden.

In 1914 ving hij zijn studies aan het Amsterdams Conservatorium aan, orgelspel onder leiding van Jean Baptiste de Pauw en compositie bij Bernard Zweers. Na twee jaar deed hij glansrijk eindexamen.

In 1919 trad Hendrik Andriessen in het huwelijk met Tine Anschütz. Zij was pianoleerlinge van zijn broer Willem en kreeg van Hendrik theorielessen als voorbereiding op haar conservatoriumstudie. . Verschillende van de zes kinderen, die uit dit huwelijk geboren werden, kozen later ook de muziek als vak. Jurriaan en Louis zijn beiden componist.

In 1926 werd Andriessen benoemd tot hoofdleraar aan het Amsterdams Conservatorium, voor compositie, harmonie en analyse. In 1934 volgde een aanstelling tot directeur-organist in Utrecht. Drie jaar later werd hij directeur van het Utrechts Conservatorium. In 1949 verliet hij Utrecht om directeur te worden van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en in 1952 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de Muziekwetenschappen. Deze beide betrekkingen heeft hij vervuld tot resp. zijn pensionering in 1958 en emeritaat in 1963. Sindsdien heeft hij zich geheel aan het componeren kunnen wijden.

Orgel-componist

Hendrik Andriessen luidde met zijn eerste werken een nieuw tijdperk in op het gebied der orgelcompositie in Nederland. Zoals bij de meeste orgelcomponisten is de muziek die Hendrik Andriessen voor het orgel schreef onlosmakelijk verbonden met een specifiek orgeltype. Twee instrumenten moeten in dit verband genoemd worden: het uit 1907 daterende Adema-orgel in de St. Josephkerk te Haarlem en het Maarschalkerweerd- orgel in de Utrechtse Kathedraal van Sint Catharina, daterend uit 1903 en volgende jaren.

Van grote invloed op zijn werken was het contact met de componist Alphons Diepenbrock (1862-1921). Ook Parijse contacten, met o.a. Vincent d'Indy, Gabriel Pierné en Albert Roussel zijn voor hem van grote betekenis geweest.

Toch ging Andriessen zijn eigen weg en schiep door de jaren heen een eigen stijl, gekenmerkt door een grote natuurlijkheid. Zelf zei Andriessen daarvan: ,,Werkelijke Artiesten componeren niet door hun intellect maar vanuit hun natuur". In een ander verband deed hij uitspraken als: „De muziek is een vrije gave van de natuur en alle liefhebbers", en „De muziek laat niets te wensen over, zij is een volledige uiting van de natuur en voor zover zij eigenaardigheden heeft, is zij de spiegel van de menselijke hand; een componist is óók maar een mens".

Zijn eerste grote orgelwerken componeerde hij in de periode 1913-1921: Vier Chorals, Prelude e Fughetta, Toccata en Fête Dieu. In 1927 componeerde hij de veelgespeelde Sonata da Chiesa en in 1929 de Passacaglia.

Stijlontwikkeling

Het is ondoenlijk om zijn meer dan 160 composities op te sommen. In dat totale oeuvre is geen regelmatige stijlontwikkeling te bespeuren. „Wanneer hij zijn composities niet had gedateerd zou het zelfs voor de beste kenner van zijn werk een onuitvoerbare opgave zijn, ze in volgorde van hun ontstaan te rangschikken", aldus Wouter Paap in Mens & Melodie 1972, blz. 258. Een belangrijk aspect van Andriessens stijl is de vorm. In al zijn werken is de vorm van een persoonlijke signatuur, ontbloot van elke zweem naar het modieuze. „Het beste in iedere compositie", zo zegt Andriessen ergens, ,,komt tot stand langs de weg van intuïtieve zekerheid". Het is waarschijnlijk daardoor, dat de vele radicale vernieuwingen, die zich tijdens zijn langdurig componistenbestaan in allerlei vormen en stromingen hebben voorgedaan, nauwelijks waarneembare sporen op zijn werk hebben nagelaten.

,,Hendrik Andriessen heeft zonder gewilde aandacht-trekkerij of stuntwerk, in binnen- en buitenland de erkenning gekregen die hij als scheppend kunstenaar verdiende en "die zijn muziek een blijvende plaats op het internationale repertoire heeft bezorgd", zo schreef Johan van Kempen in het Haarlems Dagblad.

Over muziek

In de Tweede Wereldoorlog kwam Hendrik Andriessen in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel terecht. Daar kwam hij in contact met Robert Peereboom, hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad — Oprechte Haarlemsche Courant, hetgeen leidde tot het schrijven van de unieke reeks beschouwingen over muziek, die ook in boekvorm een buitengewoon onthaal hebben gekregen (Over Muziek, 1950 en Muziek en Muzikaliteit, 1952).

In deze filosofische beschouwingen weet Hendrik Andriessen tot de kern der dingen door te dringen. ,,Men kan zich op verschillende manieren met muziek bemoeien", zo schrijft hij; ,,men kan zich zelfs op verschillende manieren met met muziek bemoeien. Om met het laatste te beginnen: iemand die door een of andere psychologische kronkel een afkeer heeft van muziek en door deze kunst geïrriteerd wordt, staat er anders tegenover dan iemand, die volkomen onverschillig is voor elke muzikale aandoening. Beide gevallen komen voor. In deze beide soorten zijn weer velerlei nuancen".

En verder: ,,Muziek bestaat voor elkeen die behoefte heeft aan musiceren en zij is geen voedsel om alleen door virtuozen verslonden te worden. Want verslinden doen zij dikwijls, die virtuozen. Weinigen dezer klaviertijgers beheersen de houding ten opzichte van de schoonheid. Er zijn er, die drie klavierconcerten op een avond met een orkest bevechten. Men kan namelijk ook in de muziek het doel voorbij schieten".

Andriessen voert menig pleidooi voor de vrijheid en onafhankelijkheid der muziekliefhebbers. ,,De muziekliefhebber is vrij om mooi of lelijk te vinden wat hij hoorde, maar de componist is evenzeer vrij om op te schrijven wat hij mooi vindt en uit de weg te blijven van wat hem niet bevredigt". Even daarvoor had hij de kern aangegeven: ,,Wat de toehoorder prikkelt tot. protest is meestal dat hij samenklanken hoort, die hem onbekend zijn". „Men kan een voorkeur hebben voor bepaalde componisten of voor bepaalde stijlen, maar het is tragisch wanneer een bepaalde voorkeur dermate dogmatisch heerst, dat men er verblind door wordt". ,,Het schijnt", zegt hij dan, „dat ik de waardering van veel muziekliefhebbers bespot, maar dat is niet zo. Ik acht alleen de eis van hun bevrediging verkeerd".

Stijl

Hendrik Andriessen was een romanticus van een edel soort, wars van valse sentimenten. „Thans", zo schreef hij in 1950, „is de romantiek der rnuziek verscholen in de absolute muziek der componisten, geordend en nauwelijks ge^ duld in de uitvoerende kunst; men weet nauwelijks wat spontaneïteit betekent en wat is tegenwoordig eigenlijk muzikale fantasie? De tegenwoordig maar al te veel gesmade romantiek heeft evenzeer schoongeordende werken opgeleverd als de 16e eeuw".

Ten aanzien van zijn orgelwerken is dit romantische stempel zeer opmerkelijk. ,,César Franck was niet te beklagen", zo wierp hij zijn tegenstanders tegen, ,,wél degenen die hem miskenden". Bekend is Andriessens biografie over César Franck. In een van zijn essays fulmineert hij tegen de fabrikanten van bioscooporgels die, ,,als vertegenwoordigers van het publiek, het prachtige instrument (het goede orgel) verknoeien tot het gemeenste klankproduct dat ooit bestaan heeft". Nimmer is hij vergeten, dat hij als jongen wel eens zijn schoolplicht verzuimde om in de Haarlemse Grote Kerk fuga's van Bach te kunnen horen. ,,Ik weet nog heel goed hoe het niet alleen vorm en inhoud dezer meesterwerken waren, die mij aantrokken, maar ook de muzikaliteit van het orgel, waarin zo vele verscheiden instrumenten van allerlei aard in een eenheid van karakter gebonden waren. Ik verzuimde een school, maar leerde veel schoonheid kennen". Geen woiider dat Andriessen in vergelijking hiermee het theater-orgel een hersenloze bespotting noemde. ,,De weke geluiden en eeuwige tremulanten vertegenwoordigen een nare sentimentaliteit", zo zegt hij.

Wanneer de betekenis van het orgel als muziekinstrument ter sprake komt, vestigt hij de aandacht op het verschijnsel, dat men in onze tijd (1950!) het orgel in zijn verwording aanvaardt en het in zijn schoonheid miskent.

Menselijke stem

Behalve zijn werken, geschreven voor orgel, componeerde Hendrik Andriessen ook voor orkest, kamermuziek en vele koorwerken. Een belangrijk deel is geïnspireerd door de roomse liturgie en is daar ook voor bestemd. De menselijke stem noemde hij het voornaamste muziekinstrument. ,,,Het is het goedkoopste en het duurste, want het stelt de-hoogste eisen en verplichtingen; zo oud als de mens zelf en bruikbaar voor alle muziekstijlen in alle tijden". Zingen noemde Andriessen ,,het levensbeginsel van de musicus". ,,In het gezang (zingen) ligt het criterium der muzikale schoonheid; dit is in alle stijlen hetzelfde. Men kan over de waarde van vele muzikale zaken twisten, over ritme en maat, over harmonie en instrumenten, maar niet over de superioriteit van het zingen".

Daarnaast wijst hij de zwakke plekken aan. ,,Er is waarschijnlijk op geen enkel terrein der muziek met fatsoenlijke bedoehngen zoveel minderwaardigs gemaakt, als op het terrein der (a capella) koormuziek. Talloze koren studeren ijverig op onbeduidende, zeer smakeloze muziek en doen dit in onschuld".

Opmerkelijk is het, hoe Andriessen als roomskatholiek kerkmusicus een richtingaanwijzer opricht bij Sweelinck. Deze wijst dan zowel voor- als achteruit. ,,Koristen komen meest uit liefhebberij bij elkaar; toch moet hen het besef worden bijgebracht, dat het zingen van mooie muziek tot dit plezier behoort". En even verder: „Het is wel waar dat de meeste zangers met sentiment zingen, maar het is meestal hun gevoel en niet het sentiment der muziek". Dat verkeerde gevoel noemt hij dan een soort stroop, dat uit mineur en majeur is samengesteld.

Waarde

,,De duurzaamheid van een compositie wordt uitsluitend gewaarborgd door de muzikale voortreffelijkheid", schrijft Andriessen. „De waarde der muziek wordt niet bepaald door tijdelijke tendenzen, niet door mode, niet door historische of modernistische principes. De muziek behoeft geen verantwoording af te leggen aan wisselende smaken; zij is goed voor altijd of deugt voor geen enkele tijd".

„Joh. Seb. Bach leeft", zegt Andriessen, „en zijn werken hebben deel aan dit leven. Zij zijn niet alleen maar een getuigenis van zijn bestaan indertijd in Leipzig. Bach is geen historische belangrijkheid, maar een levend wezen". ,,Het is niet waar dat een muziekstuk een portret van de componist is en het is ook niet waar dat de uitvoerder tot taak zou hebben voor de klinkende gelijkenis met de maker te zorgen", zegt hij. „Componeren betekent: samenstellen en het uitvoeren van een compositie noemt men terecht een herschepping". „Desalniettemin", schrijft hij ergens, ,,zou het toch aardig zijn als we eens een weekje bij Bach konden logeren".- „Wanneer wij een avond gemusiceerd hebben en daarna Bach zouden vragen: meester, wat is het wezen der muziek?, dan zou ik zijn antwoord wel weten: „Hebben wij niet de gehele avond gemusiceerd, wat wilt u meer?" Hendrik Andriessen wil wezen waar de muziek is en waar zij klinkt.

„Gebonden" vrijheid

Toch moet gezegd worden dat we in deze filosofisch muzikale wereld van Hendrik Andriessen iets missen. „Andriessen was rooms, en dit feit heeft" bijhem consequenties als musicus en componist. Enerzijds sluit zijn geestelijke instelling goed aan bij de mystieke contemplatie, die Rome zo eigen is, anderzijds kan hij buiten de kerkmuren zijn' wereldse toneelmuziek en zijn opera Philomela kwijt: de Roomse tegenstelling tussen genade en natuur maakt hem dit mogelijk", schrijft dr. K. Deddens in Muziek-mixturen (1978). Daarmeegeeft deze kernachtig aan, wat we bij Andriessen missen.' Hendrik Andriessen heeft steeds de vrijheid en de waarheid van de muziek bezongen als de vrijheid en de waarheid van bossen en bergen, van-zonneschijn en nachtelijke hemel.

Ik denk dat deze ,,vrijheids-norm" niet dezelfde is, als die wij belijden vanuit de Heilige Schrift. De Schrift leert ons geen autonome cultuur, kunst, of muziek. De Schrift leert ons de waarheid der muziek kennen als „een in vrijheid gebonden zijn", aan welke norm al ons doen en laten moet worden getoetst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.