+ Meer informatie

DE PRAKTIJK DER GODZALIGHEID

12 minuten leestijd

In de bijbel komt dit woord niet veel voor. Petrus gebruikt het in Hand. 3: 12, als hij het volk toespreekt na de genezing van de verlamde man. Ook komen we dit woord nog een paar keer tegen in zijn tweede brief van Paulus aan Titus. En vervolgens nog een aantai keren in de brieven van Paulus aan Timotheüs.

Nu ik enkele gedachten over bovengenoemd onderwerp op papier mag zetten, wil ik graag 1 Tim. 4: 7 en 8 als uitgangspunt nemen.

Bij het lezen van een meditatie van dr. J.H. Bavinck over de genoemde teksten viel het me op dat hij er op wijst dat we met dit woord een beetje voorzichtig moeten zijn. Het zou, onder allerlei invloeden in onze taal, een betekenis hebben gekregen die nogal in de gevoels-sfeer ligt. Ik geloof niet dat hij helemaal ongelijk heeft.

We mogen er ook niet aan voorbij gaan dat men in onze tijd, waar men meer oog heeft gekregen voor de totale mens, meer aandacht vraagt voor het gevoelsleven. Soms krijgt het gevoelsleven m.i. wel eens een te grote plaats. Ook in godsdienstig opzicht.

In het pastoraat kom ik wel eens mensen tegen die met tranen in hun ogen over hun ouders of grootouders kunnen spreken. “Ik heb toch zulke godzalige ouders gehad”. Bij doorvragen blijken het dan mensen geweest te zijn, die heel dicht bij de Here leefden, Hem in alles nodig hadden en over hun omgang met de Here zeer bewogen konden spreken.

Het mag duidelijk zijn dat als de Here met zijn genade in het leven van een mens gekomen is, het een mens niet onbewogen, onberoerd laat. Dat grijpt die mens in zijn of haar gehele bestaan aan. Daar kan hij of zij niet gevoelloos, emotieloos onder blijven.

Prof. W.H. Velema heeft, meen ik, ooit eens gezegd dat het gevoel zich moet bewegen op de maat van het geloof. Het geloof gaat dus voorop. Zo is het ook met betrekking tot de godzaligheid.

Als Paulus het over de godzaligheid heeft, gaat het hem om de praktische verwerkelijking van het geloof en de liefde tot de Here in het praktische, heel concrete leven. Vandaar dat hij zich afzet tegen hen, die “een gedaante van godzaligheid hebben, maar die de kracht derzelven verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze”, 2 Tim. 3: 5.

In zijn boek “Geroepen tot heilig leven” schrijft prof. W.H. Velema in het hoofdstuk “Gestalten van de heiliging”: “Het gaat om de levende gemeenschap met Jezus Christus, die in het geloof wordt beoefend. Dat geloof heeft alles met het leven naar Gods wil te maken. Het krijgt gestalte in de heiliging, terwijl de heiliging haar eigen concretiseringen kent.” Ook hier vinden we waar het in de godzaligheid om gaat. Een godzalig leven is een leven in de vreze des Heren. Godzaligheid heeft dus te maken met het gewone dagelijkse leven. Met eten en drinken, met werken en rusten, met trouwen, met de opvoeding van de kinderen enz. enz.

Het betekent dat we de Here overal in kennen.

Als in het Doopformulier het wezen van het genadeverbond verklaard is, wordt ons zo indringend en appellerend voorgehouden: “Overmits in alle verbunden twee delen begrepen zijn, zo worden wij ook weder van God door de doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid; namelijk, dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van ganse gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur doden, en in een nieuw godzalig leven wandelen.”

Waarom een ambtsdrager geroepen wordt zich er in te oefenen

In de bovengenoemde persoonlijke brief van Paulus aan Timotheüs, spoort hij zijn vriend en medewerker daartoe aan: “Oefen uzelf tot godzaligheid”, 1 Tim. 4: 7. Laten we even naar Timotheüs kijken. Op zijn eerste zendingsreis heeft Paulus hem in Lystra ontmoet. Mede onder de prediking van Paulus is Timotheüs tot geloof gekomen. We weten dat Timotheüs een gelovige moeder had en ook een gelovige grootmoeder. Zij leefden hem voor en onderwezen hem in de dienst des Heren. De Here heeft dit alles willen gebruiken om Timotheüs zo ver te brengen dat hij openlijk belijdenis van zijn geloof deed. Dat hij de Here Jezus beleed als zijn Here en Zaligmaker. Tijdens zijn tweede zendingsreis, toen Paulus weer in Lystra was, nam hij hem mee als helper. Er ontstond tussen die twee een diepe geestelijke band.

Toen Paulus zijn brief aan Timotheüs schreef, bevond hij zich in Griekenland en was Timotheüs werkzaam binnen de gemeente van Efeze. En daar had hij het niet gemakkelijk. Als jong ambtsdrager kwam hij in aanraking met allerlei religieuze opvattingen die in strijd waren met de geopenbaarde wil van de Here. Als Paulus Timotheüs hier tegen waarschuwt, is hij behoorlijk fel. U moet er 1 Tim. 4 maar eens op nalezen.

Timotheüs moet stelling nemen tegen een godsdienst waarin het draait om een ascese die niet naar de Schrift is. Waarin het gaat om allerlei menselijke leringen, die een mens tot stikkens toe kunnen benauwen.

Het stoffelijke leven werd als minderwaardig en zondig beschouwd. Seksuele onthouding en onthouding van spijze en drank zouden de garanties zijn voor een goed geestelijk leven. Paulus beschouwt dit als levensgevaarlijk voor de gemeente.

De geschiedenis heeft bewezen dat deze ascese gemakkelijk kan omslaan in libertinisme. Dan komen we precies het tegenovergestelde tegen. Dan leeft een mens zich helemaal uit. Alle remmen zijn dan losgegooid. Komen we dat laatste niet tegen in ons moderne levensklimaat? En wie zal durven beweren dat dit op kerkmensen geen enkele invloed heeft? Wie zijn eigen hart kent, weet wel beter.

Het komt er altijd weer op aan dat we ons biddend laten leiden door het Woord van God.

Die weg moest Timotheüs de gemeente voorhouden. Laat u leiden door het Woord van God. Doe het biddend. Want dat is het ABC van het christelijke leven. Op dat kompas varen, waarborgt een goede koers.

En die opdracht hebben alle ambtsdragers. Zij moeten doorgeven wat Christus hun heeft opgedragen. Maar zij moeten dat ook zelf in de praktijk brengen.

Zij mogen wel dagelijks bidden:

“Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest,
mocht Die mij op mijn paân ten leidsman strekken.
‘k Hield dan Uw wet, dan leefd’ ik onbevreesd;
dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken”.

Worden we geroepen om aan anderen de weg te wijzen, dan moeten we zelf de weg weten. Dan moeten we goed thuis zijn in het Woord van God. Goed thuis zijn in de gezonde, goede leer. En ons oefenen tot godzaligheid. Dat komt onder de zegen van de Here de gemeente ten goede.

Wat dat oefenen inhoudt

Paulus maakt een vergelijking met de lichamelijke oefening. “Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens”.

In de Grieks-Helleense wereld van toen vond men de lichamelijke conditietraining erg belangrijk. Nu is het niet zo dat Paulus daar helemaal geen waarde aan hecht. Paulus weet ook best dat lichamelijke beweging goed is. Het sterkt de spieren, bevordert de bloedsomloop enz. We moeten goed voor ons lichaam zorgen. Maar het moet niet het een en het al worden. We zijn maar zo’n klein poosje op deze aarde. We hebben ons bovenal voor te bereiden op de eeuwige toekomst.

Veel belangrijker is de oefening in de godzaligheid.

Dat houdt hij Timotheüs en alle ambtsdragers dan ook voor. Letterlijk staat er: ”Bedrijf gymnastiek met uw godzaligheid”. Oefen u dus in uw godsvrucht. Godzaligheid is iets dat beoefend en geoefend moet worden.

We mogen ons deze woorden wel zeer ter harte nemen. Ook in ons leefklimaat van brood en speien. Het is zo langzamerhand toch buiten alle proporties hoe we hier met sport en sportprestaties omgaan. Het wereldkampioenschap voetbal ligt nog maar een poosje achter ons. ‘t Is toch niet normaal meer hoe ook kerkmensen daar vervuld van kunnen zijn. Om van al die andere sporten nog maar te zwijgen.

Op de grote wereldmarkt staat godzaligheid niet hoog genoteerd.

Alles draait om de mens, wat hij presteert en hoe groot zijn vermogen is. Maar het is alles aan de vergankelijkheid onderworpen.

Daartegenover heeft de godzaligheid een geweidige belofte, voor nu en de toekomst: belofte van leven.

De vraag is wel gesteld of men de godzaligheid kan oefenen, zoals men bijvoorbeeld kan oefenen in het lopen. Welt de echte godzaligheid niet spontaan uit het levendgemaakte hart op? Zoekt Gods kind in antwoord op zijn liefde de Here niet in alles te behagen? En doet elke bewuste oefening daar geen afbreuk aan? Leven uit zich spontaan. Geestelijk leven ook. Maar staat de Bijbel niet vol aansporingen om de Here dagelijks te zoeken?

Nog niet zo lang geleden werd mij tijdens een huisbezoek de vraag gesteld: “Hebt u hier nu altijd zin in?” Toen ik vroeg naar de bedoeling van die vraag kwam het:”… Nou,…. bidden, bijbellezen, preken maken,… altijd geestelijk bezig zijn”.

In het stellen van zo’n vraag zeg je natuurlijk iets van jezelf. Net zo goed als in het beantwoorden van de vraag. Ook een ambtsdrager is een mens, die door de Here vastgehouden moet worden. Hij moet ook elke dag van Gods genade leven. En hij moet ook elke dag bidden: “Maak in uw Woord mijn gang en treden vast”. En hij moet ook elke dag bidden om de werking van de Heilige Geest in zijn leven om geloof, hoop en liefde te kunnen uitstralen. Hij kan niet zonder de verborgen omgang met de Here. Daarin gaat het om gebed, bijbelstudie en meditatie. Ook een ambtsdrager staat geestelijk niet altijd op hetzelfde niveau. Ook hij wordt geroepen zich er toe te zetten, biddend, worstelend.

Oefen u in de godzaligheid

Dat is die tere omgang met de Here. Heel dicht leven aan de mond van de Here, om zijn stem te horen. Dat is leven vanuit de kruis- en Zoenverdienste van de Here Jezus. Dat is het leven dat geloofsversterking zoekt aan de tafel des Heren.

In dat leven wordt de ernst van de zonde verstaan. Worden tranen van berouw geschreid. Maar mag ook de liefde van God in Jezus Christus gesmaakt en bezongen worden.

Kortom, het is een leven dat niet zonder de Here kan, geen dag.

Het raakte me wat ik ergens van de Wesley’s (Engelse opwekkingspredikers uit de achttiende eeuw) las.

Zij stonden ‘s morgens vroeg op. “Voordat de hamerklop van de timmerman of het geluid van de troffel van de metselaar in de straat werden gehoord. En dan baden zij en mediteerden. Urenlang. “Morning tryst”, ‘k Zal in de dageraad ontwaken, en met gezang mijn God genaken”.

Wat een zegen als er orde en regel is in onze huiselijke eredienst. Als we samen met gebed de dag mogen beginnen. En zo ons leven geheiligd mag zijn door de overgave aan Hem, Die de Heilige is.

Dat zal in onze omgeving niet onopgemerkt blijven. Want dan staan we anders in het leven. Als christenen, die leven uit Christus.

“Onze onreine ogen gaan dan lijken op zijn reine ogen, zijn vriendelijke mond wordt een voorbeeld voor onze hartelijke mond, zijn zegende handen krijgen gestalte in onze misdadige handen, zijn bereidwillige voeten in onze onwillige voeten. Zo gaan we dan in onze handel en wandel lijken op Hem, wiens spijze het was om de wil van zijn Vader te doen”.

Een belofte van leven in heden en toekomst

Graag wijs ik nog even op de belofte die met de godzaligheid gegeven is. Het is duidelijk dat het hier niet het natuurlijke maar het geestelijke leven betreft. Nu ik hier over nadenk, herinner ik me een voorval in een ziekenhuis. Een paar kinderen waakten bij hun moeder. Dat deden ze al een paar dagen. Ze vroegen aan de verpleegkundige of het nog lang zou kunnen duren. “Dat denk ik niet”, zei de zuster, “want ze heeft het eeuwige leven niet”. Ze bedoelde te zeggen, neem ik aan, niemand blijft leven. We gaan allemaal sterven.

De gelegenheid ontbrak toen om daar met die zuster over door te praten. Anders zou ik haar Joh. 17: 3 voorgelezen hebben: “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt”. En ook wat Paulus schrijft in Filippensen 1: 21: “Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin”.

Het valt mij trouwens ook in de brief aan Timotheüs op hoe sterke nadruk Paulus legt op het leven met de Here nu en straks.

Zo schrijft hij in 1 Tim. 6: 11 en 12:”… en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid. Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen”.

God kennen en Jezus Christus kennen, dat is het eeuwige leven.

‘k Vertelde van die moeder, die op sterven lag. De zuster zei: “Ze heeft het eeuwige leven niet”. Maar ze had het wel. ‘k Kreeg de indruk dat die zuster het niet begreep.

Er ging van dat sterfbed een getuigenis uit. Want die mevrouw wist waar zij heenging. Dat vertelde ze aan een ieder die het maar wilde horen. Ze ging naar huis. Naar het Vaderhuis met zijn vele woningen. Want ze had de Here leren kennen in en door Jezus Christus.

Leven en eeuwig leven

De dood begint met onze geboorte - we dragen allen het stempel van de dood mee, we ervaren het aan onze lichaamsgebreken, we zien het aan onze rimpels en grijze haren - en het eeuwige leven begint met onze wedergeboorte.

Grijpt naar het eeuwige leven. Dat is de praktijk der godzaligheid.

‘t Is inderdaad iets reusachtigs als mensen dat gaan doen. ‘t Is een groot wonder. Achter dat wonder staan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Om heel stil onder te worden.

Ds. R. van Beek is predikant te Eemdijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.