+ Meer informatie

Joods huwelijk begint onder het baldakijn in de synagoge

"Makelaar'' verving de contactadvertenties.

8 minuten leestijd

Wie zal een deugdzame huisvrouw vinden? Bevalligheid is bedrieglijk en het mooi-zijn van een vrouw is slechts ijdelheid. Maar de vrouw, die de Heere vreest, zal geprezen worden. Zó wordt in Spreuken 31, het vreemde hoofdstuk over de lof der deugdzame huisvrouw, de gehuwde vrouw geloofd. Dat hoofdstuk geldt wel in volle zwaarte voor de orthodoxe joden van nu en de rechtgelovige christen(vrouw) zegt op deze beschrijving „amen". Hoe ver staat de ideale vrouw af van het anti-sexistische ideaal der moderne feministen, die hun eigen vrouw-zijn krampachtig trachten te ontkennen.

Wie zich bezighoudt met het huwelijk en de huwelijksgebruiken in Israël en het jodendom moet erkennen, dat óók hier de kloof tussen beleden ideaal en de beleefde werkelijkheid wel groot geweest zal zijn, zoals dat ook binnen het christelijk huwelijks- en gezinsleven het geval is. Ook bij hen, die dicht bij de bijbel (zeggen te) leven, vinden we onbijbelse praktijken van onderdrukking der vrouw, lomp en ongeoorloofd de baas zijn van de man, die zich als bezitter zijn vrouw als bezit, huisraad, waant. Dat mag en moet het niet zijn, ook niet volgens het joodse huwelijksrecht; ook volgens alle Schriftgegevens.

Verbond Gods

In het Oude Testament is het huwelijk door God in Genesis ingezet, beeld van de verbondsrelatie tussen God en zijn volk. Hij toornt dan ook vreselijk over de afkerigheid van Zijn bruid, die trouweloos handelt. In Hosea's profetie zien we deze relatie sterk benadrukt en ook de schending ervan. Nu, voor twee visies op het huwelijk kunnen we ons niet op het Woord beroepen. Niet voor de idee, dat de vrouw de eigen volgzame slavin van haar heer echtegenoot is, wier plaats alleen achter in de tent is en die verder als dienster niets in de melk te brokken heeft.

Maar óók niet voor de opvatting, dat man en vrouw volstrekt gelijk zijn (wèl: gelijkwaardig, zeker in het Nieuwe Testament) en dat onderlinge rolverwisseling mogelijk en gewenst is. De onder ons nogal eens aangetroffen mannelijke geldingsdrang èn het denkbeeld dat in bijbels licht het onderscheid tussen man en vrouw geheel opgeheven is zijn beide te verwerpen.

Hoe het jodendom en Oud-Israël het in de praktijk af brachten en brengen stellen we nu in het midden, als we kijken naar de huidige joodse huwelijksgebruiken.

Huwelijksmakelaar

Daarvoor letten we eerst op de wel in onbruik geraakte, maar hier en daar weer opduikende ,,huwelijksmakelaar", de sjadchan. Die koppelaar komen we in déze vorm in de Bijbel niet tegen; het is een vrucht van het wonen in de Verstrooiing. De rechtgeaarde joodse huisvader wilde zijn kinderen graag in alle opzichten goed getrouwd zien en niet altijd was er een geschikte partner in de nabije omtrek. Aanvankelijk kon men via de leiders der rabbijnenscholen wel informaties inwinnen, maar met name na de Kruistochten kwam de koopman-reiziger-bemiddelaar (tegen betaling!) in zwang.

Een percentage van twee a drie van de bruidsschat was zijn provisie, zegt Chaim Bermant in „Joods gezinsleven" en hij laat er geen twijfel over bestaan, dat deze koppelaars er een niet altijd even netjes en ethisch verantwoord geldzaakje van maakten. Ze logen de toekomstige bruidegom voor dat het een aard had, want het huwelijk is letterlijk een heilig moeten voor de gelovige jood en wee hen, die hun minder met schoonheid gezegende dochter niet konden "verkopen".

De bemiddelaar werkte meestal in opdracht van de ouders van een aanstaande bruid. (In de Bijbel kan men in zeker zin de sjadchan vinden in de persoon van Eliëzer, die namens Abïaham een vrouw voor Izaak zocht. Daar was de vader van de bruidegom de opdrachtgever).

Bruidsprijs en -schat

De „bruidsprijs", dat is nog zo'n onlogische zaak niet. De bruid vertrok uit het ouderlijk nest en haar kinderen gingen tot de stam van haar man over; haar vader leed in zekere zin schade, hij behaalde althans geen voordeel. Nu moest een bruidegom, afhankelijk van zijn (ouderlijk) vermogen, dit vergoeden en door de grootte van die ,,mohar" ook de grootte van zijn genegenheid laten uitkomen. De bruid of haar ouders wilden weleens overvragen...

De "mohâr" moet onderscheiden worden van de latere ,,bruidsschat" (nadan). Die werd door de bruid (of haar ouders) geschonken aan een trouwlustige bruidégom-in-spé, met dien verstande dat terugbetaling moest volgen wanneer het huwelijk te gronde ging. In een tijd van mannenschaarste was zo'n geldhuwelijk, al of niet,,gemakeld" door een huwelijksmakelaar, misschien een uitkomst; het bleef wel een onding waarover ook heel wat joodse witzen in omloop zijn.

Verstand of verliefd?

In onze tijd werd de functie van de „sjadchan" overgenomen door huwelijksbureaus en contactadvertenties, zoals we die ook in de RD-kolommen aantreffen. Wat beter is laat ik nu maar in het midden, zoals ik hier ook niet kan uitweiden over de hechte joodse relatie en familiebanden, de ,,jichoes" en de ,,mechoettanim" (wat te maken heeft met het principe zoveel mogelijk te trouwen binnen de eigen familiekring). Heel wat huwelijken kwamen tot stand via zakelijke onderhandelingen, ofschoon de Talmoed de vader verbiedt zijn dochter uit te huwelijken als ze niet zelf zegt „ik hou van deze man". Maar dat is de schone leer.

Het verstandshuwelijk was in het jodendom niet minder bekend dan in orthodox-christelijke boerenfamilies enz., die ook „akker aan akker" wilden trekken of hun middenstandskapitaal uitbouwen.

Gesteld echter, dat jongen en meisje elkaar gevonden hebben: hoe nu verder? De rabbijnen eisten een verloving, beter: ondertrouw, waarvan de trouwbelofte pas op straffe van zware boeten verbroken kon worden. Zo'n verloving stond overigens geen nadere intimiteiten tussen de geliefden toe. Er was soms een verlovingsring, maar dan door de vader van de bruid geschonken aan de bruidegom; niet wederkerig. Pas op de trouwdag kreeg de bruid haar ring van haar man.

Onder 't baldakijn

Die dag is uiteraard een groot feest, waarbij het baldakijn, de ,,choepa" een voorname rol speelt. Dat is zinnebeeld van het toekomstige huis dat zij samen gaan bewonen. Voor zo'n „choepa" werd wel het voorhangsel gebruikt van de heilige arke in de synagoge. De feestdag is een zeer godsdienstige dag en de centrale plaats is niet het gemeentehuis, maar het bedehuis. De bruidegom schrijdt de synagoge binnen, begeleid door vader en schoonvader of ook — bij de Oosteuropese Chassidim — door twee andere „unterführers". Ze zetten zich naast de al opgestelde choepa.

Moeder en schoonmoeder geleiden de brujd (zie Psalm 45!) tot naast dit baldakijn en de voorzanger (de „chazzan") zingt Psalm 118 vers 13 („Gezegend zij de grote Koning"). De riten verschillen wel tussen de westerse (Sefardische) en de Oosteuropese (Asjkenazische) joden. Bij de laatste is de bruid tijdens het uitspreken van het middaggebed (,,mincha") nog niet in de synagoge of sjoel aanwezig.

Onder contract

Als de bruid onder de choepa staat spreekt de rabbijn het paar toe. Na zijn preek volgt de vereniging van man en vrouw door de rabbinale lofzeggingen. De rabbijn overhandigt de bruidegom de ring die hij zijn vrouw aan de rechterhand schuift, luid sprekend „zie, door deze ring wordt jij mij ten huwelijk gewijd volgens de Wet van Mozes en Israël". Dan leest de rabbijn het contract, de „ketoeba" (dat, wat geschreven staat) voor, welk stuk al is ondertekend door de bruidegom. De rechten en plichten van man en vrouw worden erin vermeld en bij de orthodoxe joden is zo'n document onmisbaar, wil men niet van „hokken" beschuldigd worden. De reform-joden hebben echter van dit ritueel afstand gedaan.

Daarna zingt de voorzanger de „zeven zegeningen" en nu moet de bruid in het huis van haar man worden opgenomen. De bruidegom verbrijzelt een glas met zijn voet en de vergaderde gemeente roept "mazzel tov!" („geluk", zoveel als „veel heil en zegen!"). Het gebroken glas ziet op de nog niet herbouwde tempel in Jeruzalem, opdat ook nu de bruidegom (en de bruid) de breuk bewene. Daarmee is officieel de plechtigheid der „kiddoesjin" (wijding) ten einde, maar dan volgt — al naar gelang landstreek en volksaard — het grote bruiloftsfeest, waaraan soms (in Israël van nu) de hele kibboets deelneemt.

Volksfeest....

Bij de orthodoxe joden duurt het een volle week. In Oost-Europa begon het feest soms al lang vóór de trouwdag en het duurde tot zeer lang erna: een compleet volksfeest. Een nar annex ceremoniemeester, de „badchan", had daarbij een belangrijke functie, evenals muziekinstrumenten als de fluit, trommel en beltrom. Versieringen van de bruid en het bestrooien van de bruidegom met rozijnen en amandelen hoorden daarook bij. Maar in het huidige Israël is veel van die praal verdwenen en vervangen door een kortere soberder plechtigheid.

Bermant wijst erop, hoe de bruiloft naast de begrafenis en het „zoon der Wet"-worden één der voornaamste familiereünies is. Maar o wee, wanneer bij het uitnodigen iemand of een gezin, vergeten wordt, dat er meende bij te horen: jaren- en generatieslange wrok en onmin kunnen het gevolg zijn, een ,,broiges" die pas voorbij gaat bij de begrafenis van een relatie van beide partijen. Eerst dan wil er wel verzoening tot's stand komen.

Trouwen moet

In elk geval: de bruiloft is een groot feest. Wee haar en hem, die niet trouwen of die de kinderzegen niet ervaren: een dergelijke vloek is voor een rechtgelovige jood zwaar te dragen. De oude wens van de joodse moeder was en is nog altijd: ,,dat ik hem nog onder de choepa mag zien". Daaraan komt in de moderne staat Israël dan geen huwelijksmakelaar meer te pas. Maar dat is niet alleen maar winst: echtscheiding neemt ook daar sneller toe dan ooit door de rabbijnen of de Mozaïsche wet is bedoeld of mogelijk gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.