+ Meer informatie

De heiliging

16 minuten leestijd

De heiliging als Gods werk en als onze roeping

Wie eerst nadenkt over de rechtvaardiging en daarna over de heiliging, is dan niet bij een minder gewichtig onderwerp gekomen. Het is ook geen overgang van de genadige daad van God naar de verplichtingen van de mens. De heiliging of heiligmaking wordt maar al te veel voorgesteld als de weg die door onszelf moet worden afgelegd, zodra wij door God gerechtvaardigd zijn.

Calvijn heeft rechtvaardiging en heiliging een tweevoudige genade genoemd. De rechtvaardiging heeft haar grond in de verzoening door Christus, maar de heiliging niet minder. Zonder geloof geen rechtvaardiging en geen heiliging! Beslissend is reeds het apostolische woord: Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here (1 Kor. 1 : 30,31). Wie door Christus door de onverdiende goedheid van God gerechtvaardigd zoekt te worden, bedenke dat dit onmogelijk is zonder dat hij Hem ook tot heiliging aanneemt (Calvijn op 1 Kor. 1 : 30). Niets en niemand is in zichzelf heilig. De heiliging van het leven hebben wij van God te verwachten, die de Heilige is.

In het Oude Testament wordt alles wat in relatie staat tot God en zijn dienst, heilig genoemd. Als verbondsvolk is Israël een heilig volk. De HERE zal het als zijn heilig volk bevestigen, zoals Hij het gezworen heeft, indien het zijn geboden onderhoudt en in zijn wegen wandelt (Deut. 28 : 9). Hij zegt: Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig (Lev. 19:2). Aan mensen die aan de roeping niet beantwoorden, wil Hij toch zijn belofte schenken: Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt (Ez. 36 : 27). Reeds voordat Christus op aarde kwam en de Heilige Geest uitgestort werd, waren er mensen die rechtvaardig waren door God en naar alle geboden en eisen van de Here leefden, onberispelijk (Luc. 1 :6). Dat wil hier en op andere plaatsen niet zeggen, dat zij zondeloos waren, maar wel dat zij van de zonde afkerig waren. Zij vreesden de Here en hun leven was volkomen toegewijd aan zijn dienst.

Wij hebben de heiliging te danken aan het werk van God, die de Drieënige is. Paulus schrijft aan de gelovigen: En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al (1 Tess. 5 : 23). De heiliging is door Christus verworven. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden (Hebr. 10: 14). God heeft zijn volk verkoren tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid (2Tess.2: 13). Daarmee bedoelt de apostel, dat de heiliging van het leven door de Heilige Geest gewerkt wordt.

In dit verband is ook te wijzen op de betekenis van het woord van Paulus: Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God (1 Kor. 6: 11). Calvijn merkt daarbij op, dat het om de ene werkelijkheid van de bevrijding van de zonde gaat. De rechtvaardiging heeft te maken met de schuld van de zonde en de heiliging met de bezoedeling door de zonde. Dat is het verschil.

Behalve Gods werk in ons leven is de heiliging ook onze roeping. Het een is niet in mindering te brengen op het ander. De opdracht vloeit juist uit de gave voort.

Zo staat in een van de brieven van Paulus niet alleen de bede: En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, maar ook de verzekering, dat God de heiliging van de zijnen wil (1 Tess. 5 : 23; 4:3). De gelovigen zijn Gods maaksel, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen. Die werken heeft God tevoren bereid, opdat zij daarin zouden wandelen (Ef. 2 : 10). Wij worden ertoe geroepen de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid (Ef.4 : 22–24).

We kunnen met H.J. Jager zeggen, dat als wij zo door het geloof verstaan, dat we onze heiliging in Christus hebben, we verlost worden van een krampachtig, angstig jagen naar heiliging, alsof wij daardoor de hemel nog zouden moeten verdienen. Het doet ons wel verdriet en brengt wel tot verootmoediging, als we nog telkens struikelen en merken, dat we in onszelf nog ellendige, onheilige mensen zijn. Maar het brengt ons niet tot wanhoop en doet ons ook niet twijfelen aan de uiteindelijke overwinning.

Over de roeping om heilig te leven voor God spreekt het Nieuwe Testament zeer veel en zeer nadrukkelijk. Evenals in het Oude Testament wordt van de heiligheid van God uitgegaan. Gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig (1 Petr. 1:15, 16). Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien (Hebr. 12 : 14). Wie door Christus vrijgemaakt zijn van zonde en in dienst gekomen zijn van de gerechtigheid, worden ertoe vermaand: Stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging (Rom.6 :18,19).

Er is voortgang in de heiliging. Paulus wekt de gelovigen er zelfs toe op, hun heiligheid te volmaken in de vreze Gods (2 Kor. 7:1). Dat is geen aansporing om het zelf ter hand te nemen. De beloften van God staan erachter (2 Kor. 6 : 16–18).

De heiliging is realiteit in het leven van hen die gelovig uitzien naar de grote toekomst. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is ( 1 Joh. 3 : 3).

De Here Jezus Christus mag ons voorbeeld genoemd worden. De Bijbel gebruikt dat woord meer dan eens. Jezus zegt zelf: Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb (Joh. 13: 14,15). Hier geeft

Hij het voorbeeld van dienende liefde. Ook komen ons teksten in gedachten als 1 Petrus 2:21 of Efeziërs 5 : 2, waar het woord „zoals” in dezelfde richting wijst. In het Grieks heeft het een dubbele betekenis: zoals en omdat. Daarom is zowel te denken aan wat Christus voor ons deed als aan wat Hij ons voordeed.

Met het oog hierop is de heiliging te omschrijven als navolging van Christus of navolging van God (1 Kor. 11 : 1; Ef. 5: 1). Er is een vernieuwing naar het beeld van God, waartoe God de zijnen tevoren reeds bestemd heeft (Kol. 3: 20; Rom. 8: 29).

Ook waar woorden als heiligen en heiliging niet voorkomen, klinkt de bijbelse boodschap over het nieuwe leven duidelijk genoeg. We denken aan het wandelen in de wegen van de Here, het wandelen in het licht, het houden en bewaren van de geboden van God, het doen van de wil van God, de vrucht van de Geest en de goede werken. Het is een leven naar de wet van God en naar de wet van Christus. Liefde tot Hem en tot elkaar is de vervulling van de wet.

De Heiland zegt: Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken (Matt. 5 :16). Hij leert ons te bidden om de heiliging van Gods naam, het komen van zijn rijk en het geschieden van zijn wil.

Bij dit alles staat heel centraal, dat wij zonder de Here Jezus Christus niets kunnen doen. Alleen in zijn gemeenschap is er een heilig en vruchtbaar leven (Joh. 15 :1–17).

De heiliging heeft betrekking op het gehele leven. We duiden dit wel eens aan als het totalitaire aspect. Zoals de zonde het leven doortrekt, zal de genade van God in de heiliging doorwerken in het gehele leven van zijn kinderen. Dat gaat niet zonder strijd. Er is een tegenstelling tussen de oude mens en de nieuwe mens en een voortdurende strijd tussen vlees en Geest.

Samenvattend spreekt Paulus over het levende, heilige en Gode welgevallige offer. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt onderkennen, wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene (Rom. 12 :1,2). In het vervolg maakt de apostel dit heel concreet in een opwekking tot liefde. De heiliging is maar geen christelijk begrip. Ze krijgt vorm en gestalte in het christelijk leven.

Er is veel en veel meer van te zeggen. Maar we kunnen daarvoor terecht in een boek van prof. dr. W.H. Velema: Geroepen tot heilig leven (1985).

Enkele confessionele gegevens

Er zijn in onze belijdenisgeschriften verschillende omschrijvingen van de heiliging te vinden. De Heilige Schrift legt zich niet op één term vast. De belijdenis doet dat evenmin.

Het is geen onderwerp dat alleen maar terloops ter sprake komt. Het uiterst belangrijke eerste antwoord van de Heidelbergse Catechismus loopt er al op uit: en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt. Voor Hem leven is leven voor Hem die voor ons gestorven en opgewekt is (2 Kor. 5 ; 15).

Het zou in de eeuw van de Reformatie een grove fout zijn geweest, als de heiliging van het leven te kort gekomen was. Dan had men daarmee Rome in de kaart gespeeld, dat toch al beweerde, dat de nieuwe leer schadelijk was voor het christelijk leven en dat van het doen van goede werken niets zou terechtkomen, als de heerschappij van de genade geen ruimte liet voor de vrije wil en de verdiensten van de mens. Die scherpe kritiek moest ondubbelzinnig beantwoord worden. Dat zien we ook gebeuren in artikel 24 van de Ned. Geloofsbelijdenis en in Zondag 24 van de Heid. Catechismus. Wij verdienen met onze werken geen loon bij God. Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij, want het is onmogelijk, dat wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Wat een prachtig bijbels antwoord!

Anders dan Rome gebruiken wij de woorden rechtvaardiging en heiliging naast elkaar en niet door elkaar. God heeft besloten de mensen die Hij uitverkoren heeft in Christus, aan Hem te geven en krachtig tot zijn gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware geloof in Hem te begiftigen, te rechtvaardigen, te heiligen en te verheerlijken (Dordtse Leerregels, 1,7). Uit de volheid van Christus, in wiens gemeenschap de gelovigen delen, ontvangen zij zowel de rechtvaardiging als deheiliging, zowel de vergeving van zonden als de vernieuwing van hun leven.

Wij noemen de Heilige Geest onze Heiligmaker en spreken over de Heilige Geest en onze heiliging. Als wij die uitdrukkingen uit de Confessie en de Catechismus overnemen, schrijven wij daarmee niet alleen de heiliging van ons leven aan Hem toe, maar denken wij aan heel zijn werk in ons. Hij is onze Heiligmaker, doordat Hij woning maakt in onze harten.

Het is wel geen formele definitie, maar het gaat zonder twijfel wel over de heiliging in de engere zin van het woord, als de Catechismus zegt, dat Christus ons, nadat Hij ons met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ook door zijn Heilige Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt (Zondag 32). De vernieuwing naar zijn beeld of heiliging is dus zijn werk, wat niet uitsluit, maar veeleer inhoudt, dat er voor ons een roeping in ligt. De vervulling van deze roeping staat in het teken van de dankbaarheid, die wij God voor de verlossing schuldig zijn: opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor zijn weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde.

Dezelfde verhouding tussen Gods werk en onze roeping treffen we op meer plaatsen aan. Heel bekend is Zondag 12. Een christen word ik genoemd, omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en zo zijn zalving deelachtig ben. Daarmee is mij het doel voor ogen gesteld: dat ik zijn naam belijd, mijzelf tot een levend dankoffer Hem offer en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijd.

Wij worden door het geloof gerechtvaardigd. Maar geloof en heiliging horen ook bij elkaar. Door middel van het geloof krijgt de heiliging in het leven van de kinderen van God gestalte. Dat lezen wij vooral in artikel 24 van de Geloofsbelijdenis. Het geloof maakt de mens tot een nieuw mens en doet hem leven in een nieuw leven. Zonder het geloof zouden de mensen nooit iets doen uit liefde tot God. Het geloof, dat door de liefde werkt (Gal. 5:6), beweegt de mens om zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft. Als die werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en bij God aangenaam, omdat ze alle door zijn genade geheiligd zijn. Zo komt het geloof dus in de goede werken tot uitdrukking. God beloont ze, maar het is door zijn genade, dat Hij zijn gaven kroont.

Hiermee stemt de leer van de Catechismus overeen. Er is bij de nieuwe mens een lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven. Goede werken geschieden niet alleen uit waar geloof, maar ook naar de wet van God en tot zijn eer (Zondag 33).

De geboden van God zijn de regel voor een leven in dankbare gehoorzaamheid. Het gaat daarbij om alles wat de Here vraagt aan oprechte toewijding aan Hem en aan zijn dienst en aan liefdevolle gerichtheid op de naaste. Zowel bij het eerste als bij het tweede is het catechetisch onderricht dikwijls heel concreet. De Bijbel is immers ook concreet!

Goede werken moeten volgens Zondag 32 ook gedaan worden, opdat onze naasten door onze godzalige wandel voor Christus gewonnen worden - een missionair motief -en opdat ieder bij zichzelf uit de vruchten van zijn geloof verzekerd zal zijn. Het echte geloof is daaraan te herkennen.

Maar ook aan de allerbeste werken van de heiligen kleven gebreken (Leerregels, V, 2). Dat geeft hun voortdurend reden om zich voor God te verootmoedigen, hun toevlucht te nemen tot de gekruisigde Christus, het vlees hoe langer hoe meer door de Geest der gebeden en door heilige oefeningen van godsvrucht te doden en naar het einddoel van de volmaaktheid te verlangen.

Wat hier beleden wordt, komt overeen met de leer van de Catechismus, waarin in dit verband niet alleen over het gebod maar ook over het gebed gesproken wordt.

Nog geen volmaaktheid

De tegenstelling van heilig is zondig. Volgens een Nederlands woordenboek is de eerste betekenis van het woord: zonder zonde, rein, volmaakt. In de oorspronkelijke talen van de Bijbel is het overigens nog even anders.

We staan voor de vraag, of de voortgang, die er in de heiliging is, onbegrensd is en of de zondeloosheid of volmaaktheid in dit leven te bereiken is, hetzij door de macht van de genade alleen of mede door eigen inspanning.

De kwestie is blijkens Zondag 44 van de Catechismus vroeger al aan de orde geweest en heeft sinds de opkomst van het Wesleyaanse methodisme met zijn leer van de mogelijke volmaaktheid van de gelovigen een nieuwe actualiteit gekregen. De perfectionisten zeggen, dat een christen alle zonden te boven kan komen.

De heiliging en volmaaktheid van de kinderen van God, waarvan we in de Bijbel lezen, mogen we echter niet gelijkstellen met zondeloosheid. Wat tot de rijke jongeling gezegd is (Matt. 19: 21), ziet op het dienen van God en het volgen van Jezus met een onverdeeld hart. Dat is de volmaaktheid die hem ontbrak.

De apostel Paulus schrijft: Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. Dat betekent, dat de gelovigen een volmaaktheid kennen die zij aan Christus te danken hebben. Zij zijn volmaakt in Hem. Zij hebben de volheid ontvangen in Hem (Kol. 1 : 28; 2: 10). Maar Paulus verklaart zelf: Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar (Filip.3:12–15). De volmaakte toestand is er nu nog niet. Er is in het leven van de gelovige een reeds en een nog niet. Hij is op de weg van het heil en hij ziet het doel voor zich.

Een veelbesproken tekst is 1 Johannes 3: 9: Een ieder die uit God geboren is, doet geen zonde. Als Johannes hiermee zou willen zeggen, dat het een kenmerk van ieder kind van God is, dat hij of zij niet zondigt, zou hij in tegenspraak zijn met zichzelf. Zie 1 Johannes 1 : 8,9 en 2 : 1,2. Uit het Grieks van het Nieuwe Testament is af te leiden, dat bedoeld is, dat een kind van God niet voortdurend blijft zondigen. De zonde zal over hem geen heerschappij voeren (vgl. Rom. 6 : 14).

De apostel doet in dit gedeelte van zijn brief wel sterke uitspraken over de overmacht van de genade, maar hij zegt niet, dat de zondeloosheid daardoor in dit leven al werkelijkheid wordt. En Romeinen 7 is er ook nog.

In het licht van het Woord van God is de zonde zo ernstig, dat van niemand anders gezegd kan worden, dat hij zonder zonde is, dan van Jezus Christus. Hij sprak: Wie van u overtuigt Mij van zonde? Hij heeft ons leren bidden: En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Zouden wij daar dan niet meer om behoeven te vragen?

De bijbelse waarheid en werkelijkheid is in Zondag 44 van de Catechismus samengevat. De allerheiligsten hebben in dit leven maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid die God in zijn geboden van ons vraagt. Gods kinderen hebben hun leven lang te strijden met hun zondige aard, die ze hoe langer hoe meer moeten leren kennen.

Dat neemt niet weg, dat zij met een ernstig voornemen naar al Gods geboden beginnen te leven en dat zij des te begeriger zijn de gerechtigheid in Christus te zoeken. Zij benaarstigen zich ook zonder ophouden en bidden God om de genade van de Heilige Geest, opdat zij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden, totdat zij tot de voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

Met de veelzeggende woorden „hoe langer hoe meer” wordt de voortgang getekend. Als er „totdat” staat, is dat meer dan een tijdsbepaling. Het gaat in de richting van de volkomenheid, waarnaar wij op grond van Gods beloften mogen uitzien. De heiliging geeft in haar aanvang en in haar voortgang perspectief op de volkomenheid na dit leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.