+ Meer informatie

Weer vleugel in de directiekamer

Ton Hartsuiker: „Omdat ik slecht bestand schijn te zijn tegen uitdagingen, heb ik ja gezegd"

8 minuten leestijd

Ton Hartsuiker, artistiek leider van het Utrechts Conservatorium, is met ingang van het nieuwe seizoen directeur van het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam. Na veertien jaar Utrecht maakt de 60-jarige Hartsuiker een overstap naar Amsterdam. „Ik ben voor deze nieuwe baan gevraagd. En omdat ik slecht bestand schijn te zijn tegen uitdagingen, heb ik ja gezegd". Dat wordt geen vut voor Hartsuiker. Hij bruist van energie om er in Amsterdam nog vijf jaar flink tegenaan te gaan.

De huidige artistiek leider van het Utrechts Conservatorium heeft, zoals hij zelf zegt, een merkwaardige loopbaan gehad. „Een loopbaan die een beetje parallel loopt met de politieke ontwikkelingen. Ik ben in 1979 gevraagd om in Utrecht algemeen directeur te worden. Ik was toen 45 jaar. Het schijnt dat dat een leeftijd is om nog van baan te veranderen, als je wilt. Als leraar aan vier conservatoria in Nederland had ik twintig jaar achter de rug. In Utrecht viel toen iets op te bouwen. Het conservatorium daar was een beetje ingeslapen. Er moest veel gebeuren om het peil van bepaalde afdelingen weer op te schroeven. Amper een jaar was ik als directeur in dienst, toen de eerste wolken van het zwaartepuntenbeleid van de toenmalige minister Pais boven kwamen drijven. Deze minister van onderwijs had in de gaten dat er in Nederland te veel conservatoria waren.

Toen ik in 1961 in het muziekonderwijs begon, waren er in Nederland zes conservatoria en zes muzieklycea. Het verschil tussen die beide was, dat je alleen aan het conservatorium het solo-diploma kon behalen. Aan het muzieklyceum kon dat niet. Dat leidde alleen maar op voor het onderwijs-diploma. In 1971 heeft men in één klap alle muzieklycea ook tot conservatoria verheven. Dat heeft een neergaand peil voor deze instituten tot gevolg gehad. Pais wilde daar wat aan doen. Volgens hem waren vijf conservatoria genoeg. Analoog aan de cultuurspreidingspolitiek van de jaren vijftig en zestig zette hij vijf prikken op de kaart. Dat waren de plekken waar een conservatorium zou overleven. Utrecht kwam daar niet meer in voor. Dat was natuurlijk een heel slechte zaak".

Twee zwarte jaren
„Minister Deetman heeft de lijn van Pais nog gedifferentieerder voortgezet. Hij propageerde het fusieproces van kleine instituten. Dat leidde in Utrecht tot de vorming van de Hogeschool voor de Kunsten, waarin het conservatorium en het Nederlands Instituut voor Kerkmuziek opgingen. In dat proces bleef ik directeur van het conservatorium en directeur van de faculteit Muziek van de hogeschool. Omdat ik me mede verantwoordelijk voelde voor dat proces, heb ik twee jaar lang een positie gehad in het college van bestuur van de hogeschool. Het waren de twee meest zwarte jaren van mijn leven. Murw van al het vergaderen wilde ik absoluut niet meer in die vergadercultus verder gaan. Ik ben toen artistiek directeur geworden, met een onderwijs-directeur naast me.

De hogeschoolcultuur heeft helaas geleid tot een overmaat aan bureaucratie en vervreemdingseffecten binnen het muziekvakonderwijs. Met veel overtuiging heb ik toen in 1991 mijn ontslag aangeboden. Dat heeft een massale actie van docenten en studenten tot gevolg gehad om mij en mijn vrouw, die coördinatrice van ensembles, koren en orkesten is, voor het conservatorium te behouden. Het college van bestuur, dat mij als lastpost graag zag vertrekken, kon niet veel anders doen dan mij vragen te blijven. Men heeft toen voor mij de speciale positie gecreëerd van artistiek leider van de faculteit Muziek. Vanaf die tijd hield ik mij als pré-vutter in een 50-procentsregeling alleen nog maar met de inhoudelijke zaken van het onderwijs bezig. Dat betekende wel dat ik de juiste grip op de leiding ben verloren. Adviezen verdwenen heel gemakkelijk in de bureauladen. In 1994 zou mij de vut wachten".

Muzisch aantrekkelijker
Hartsuiker laat merken dat zijn plezier in Utrecht een eind was gedoofd. Maar dat veranderde heel snel. „Tot mijn verbijstering verscheen toen Amsterdam bij me. Men was daar al een poosje op zoek naar een nieuwe directeur. Degene die men wilde hebben, had men kennelijk niet gevonden. Toen kwam men bij mij. Amsterdam was voor mij niet vreemd. Ik heb er een jaar of zeven les gegeven. Ik ken de mensen en ken de situatie. Niettemin was het voor mij een moeilijke beslissing. Of over een jaar de vut in, of ervoor kiezen om er nog een paar jaar flink tegenaan te gaan.

In Amsterdam is een aantal jaren geen attistiek beleid gevoerd. De vorige directeur kwam niet uit dé muziek voort. Het is heel interessant dat men in een recent verschenen rapport over de concenttatie van het conservatoriumonderwijs in Nederland voorstelt, de positie van een conservatoriumdirecteur muzisch weer aantrekkelijker te maken. Daarom heb ik in Amsterdam de voorwaarde gesteld dat ik niet in de vergadercultus terecht wenste te komen. Gelukkig kon ik daar in personele zin zelf de structuur aanbrengen. In mijn directeurskamer komt weer een vleugel te staan".

Halfmiljoen
„Er zijn in Amsterdam natuurlijk ook problemen, voornamelijk van financiële aard. We moeten gaan onderzoeken of het mogelijk is onafhankelijk te blijven. Het Sweelinck Conservatotium is een van de weinige instituten in Nederland die niet gefuseerd zijn. Er is jaarlijks een structureel tekort van bijna een half miljoen gulden. Dat moet dus gevonden worden. Er moet een antwoord komen op de prijs van de onafhankelijkheid. Dat zou wel eens kunnen leiden tot een fusie met de Hogeschool van Amsterdam. Daarnaast moet het conservatorium opnieuw een profiel naar buiten toe krijgen.

Het Sweelinck Conservatorium, gelegen aan de overkant van het Concertgebouw, kan natuurlijk niet stuk. Er zitten zeer goede leraren. Een uitstekend potentieel. Overigens wil ik wel het beleid dat ik in Uttecht heb gevoerd, in Amsterdam voortzetten. Sommigen vinden dat een extreem beleid, maar ik geloof er absoluut in. Ik wil persoonlijk voeling houden met alle geledingen van het instituut, zoals docenten en studenten. Alle mogelijke presentaties door studenten en vakgroepen wil ik bijwonen. Ik wil weten wat er in kwalitatief opzicht in het instituut gebeurt".

Concertpianist
„Ik wil het onderwijs volgen. Het onderwijs aan het conservatorium is nu eenmaal het meest individuele type onderwijs dat er bestaat. Zowel mijn vrouw als ik heeft daar bijzonder veel belangstelling voor. Zij heefteen loopbaan als operazangeres achter de rug. Zelf ben ik van huis uit concertpianist. Vanuit het vak voelen we ons erg betrokken bij het onderwijs. Het is een soort verbindende functie. Dat heeft in Utrecht geleid tot een exemplarisch goede sfeer aan het instituut. Die wil ik in Amsterdam ook gaan opbouwen. Het ontbreekt er daar aan. Er heerst daar geen eenheid. ledere vakgroep heeft wel zijn eigen coördinator, maar op zichzelf genomen zijn het allemaal eilandjes. De studenten zijn er ook niet zo gemotiveerd voor het instituut in z'n totaliteit. Het schijnt er met de discipline van de studenten soms droevig gesteld te zijn".

Profielen
Is Ton Hartsuiker niet de grote promotor van de moderne muziek? In dat kader verzorgde hij ruim 21 jaar wekelijks een radioprogramma. Heel snel maakt hij duidelijk dat er meer is dan moderne muziek. „In mijn eigen loopbaan heb ik ervaren dat, als ik alleen maar met eigentijdse muziek bezig zou zijn geweest, ik me wat buitenkantig zou zijn gaan voelen. De traditie van de klassieken heb je gewoon nodig. Je speelt beter Stockhausen wanneer je Liszt en Chopin-etudes bijhoud. Daarin ligt je vakmatig basismateriaal besloten.

Omdat ik altijd midden in het muziekleven ben blijven staan, heb ik ook goede benoemingen kunnen doen. Dat is voor het niveau van het onderwijs in Utrecht vruchtbaar geweest. De moderne muziek is daardoor in het onderwijs geïntegreerd. Hedendaagse muziek vergt vaak heel veel van de uitvoeringspraktijk. Heb je dus mensen die dat niveau beheersen, dan komt het vanzelf wel aanbod. Je hoeft er dan geen apart specialisme van te maken.

Amsterdam heeft vroeger heel duidelijk een imago gehad op het terrein van de oude en de nieuwe muziek. Aan het Amsterdams Conservatorium, voor de fusie met het muzieklyceum, had je vroeger het "Studiecentrum'voor oude muziek" onder leiding van Gustav Leonhardt en het "Studiecentrum voor hedendaagse muziek" onder leiding van Ton de Leeuw. Dat waren duidelijke profielen. Ik ben van plan die weer aan te scherpen".

Kwaliteit
Volgens Ton Hartsuiker is de toekomst van het muziekvakonderwijs in Nederland somber. „Met het laatste rapport over de concentratie van het muziekonderwijs is overigens wel een nieuwe fase ingeluid. Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Rottetdam krijgen een tweede-fase-opleiding. Dat is natuurlijk terecht, want daar kunnen studenten ook met een orkest ervaring opdoen. Bovendien zitten de grote docenten nu eenmaal in die steden. Maar inmiddels is de politiek weer ijverig aan het lobbyen. Enschede, Tilburg en Maastricht moeten er ook weer bij. OoK het advies van de HBO-raad schijnt weer uit te komen op toch maar weer zes of zeven tweede-fase-opleidingen. Was ik blij dat in de keus voor kwalitatief hoogwaardige instituten geen regionale of religieuze aspecten een rol zouden spelen, worden ze er via een achterdeurtje toch weet ingefietst.

Nog altijd ben ik blij dat het plan van K. de Jong Ozn, destijds staatssecretaris van onderwijs, om een christelijk conservatorium in Kampen te stichten, niet is doorgegaan. Maar of men in de toekomst uitsluitend zal selecteren op kwaliteit, daarvoor houd ik m'n hart vast. Er zou in Nederland een aparte wet op het kunstvakonderwijs moetenvkomen. Nu wordt dit onderwijs gemeten aan de normen die in het hbo gelden. En dat vind ik een slechte maat".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.