+ Meer informatie

KUNNEN ALLE GELOVIGEN ZIEKEN GENEZEN?

7 minuten leestijd

‘Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen’

(Mar. 16:17-18, NBV).

Zegt Jezus hier niet duidelijk dat de gelovigen allerlei wondertekens zullen doen, bijvoorbeeld zieken genezen door handoplegging? En is het uitblijven van genezing misschien gebrek aan geloof? Kunnen christenen dan ook slangen gaan oppakken, als bewijs van geloof, zoals in sommige Amerikaanse pinksterkerken gebeurt (de zogeheten ‘snake handling churches’)? Volgens het slot van het Marcus-evangelie belooft Jezus veel, maar de vraag is of dit nog steeds voor alle gelovigen geldt.

STERRETJES

Nu is het om te beginnen al omstreden of Jezus dit wel echt gezegd heeft. De schrijfstijl van Marcus 16:9-20 verschilt van de rest van het Evangelie en de overgang tussen 16:8 en 16:9 loopt niet soepel. In twee oude handschriften, de codex Sinaiticus en de codex Vaticanus, eindigt de tekst van Marcus abrupt bij 16:8. Verreweg de meeste andere handschriften bevatten het uitgebreide slot, zoals dat in de Nieuwe Bijbelvertaling is opgenomen. Maar er was ook nog een korter slot in omloop (zie de voetnoot bij 16:9 in de NBV). De situatie is te gecompliceerd voor simpele conclusies. Gezien de brede steun in de teksttraditie lijkt het uitgebreide slot wel bij het evangelie te horen, maar misschien is het later door Marcus toegevoegd of door omstandigheden niet helemaal afgewerkt. Allebei de oude handschriften die een slot missen, hebben dan ook aangegeven zich bewust te zijn dat er iets ontbreekt. De Sinaiticus zet een soort markering en laat de rest van de betreffende kolom blanco, in de Vaticanus is heel de rest van de pagina blanco. Het is een goede greep geweest van de NBV om het uitgebreide slot op te nemen, na een markering met drie sterretjes…


ZIEKENZALVING

Iets dergelijks geldt ook voor de ziekenzalving, vermeld in Jakobus 5:14-15. Mijns inziens zijn de daar genoemde ‘oudsten van de gemeente’ die bij een ongeneeslijk zieke patiënt geroepen worden niet zonder meer gelijk te stellen met de tegenwoordige ouderlingen. Het gaat specifiek om een groep voorgangers van de Joods-christelijke gemeente uit Jeruzalem, uit het boek Handelingen bekend als ‘Jakobus en de oudsten’. Zij behoorden evenals de twaalf apostelen tot de gezanten van Jezus Christus, aan wie o.a. genezingsvolmacht was meegegeven (Mar. 6:13; Luk. 10:9). Het zalven met olie was geen wijdingsritueel, maar toepassen van een bekend geneesmiddel uit de oudheid, dat bijzondere kracht kreeg onder de handen van deze oudsten en dankzij hun gebed, zodat de patiënt gezond en wel kon opstaan van zijn ziekbed.

Meer hierover in: P.H.R. van Houwelingen & M.W. Sebens, ‘Jakobus en ziekenzalving (1): Genezen bij volmacht’ en ‘Jakobus en ziekenzalving (2): Genezen als teken’, in: De Waarheidsvriend 99.01 (2011): 10-11 en 99.02 (2011): 12-14. Zie ook de daarop volgende discussie met M.J. Paul, met wie wij op dit punt grondig van mening verschillen: ‘Nogmaals Jakobus 5’, in: De Waarheidsvriend 99.07 (2011): 18-19.

Dit materiaal verscheen eerder in het Nederlands Dagblad van 21 mei 2010: http://www.nd.nl/artikelen/2010/mei/21/jakobus-en-ziekenzalving.

WELKE GELOVIGEN?

Als deze Bijbeltekst wel echt van Jezus afkomstig is, staat er dan niet duidelijk dat de gelovigen allerlei wondertekens zullen doen? Nee, want het gaat hier niet over ‘de gelovigen’ of ‘de gelovenden’. Het Grieks gebruikt een ongewone constructie (tois pisteusasin), die de NBV terecht vertaalt met: ‘degenen die tot geloof zijn gekomen’, namelijk door middel van iemand anders: ze zijn tot geloof gebracht door het getuigenis van Jezus Christus.

Maar dat deze personen ‘herkenbaar zullen zijn aan de volgende tekenen’, is meer een exegese dan een vertaling. De Willibrordvertaling zegt dat deze tekens hen zullen begeleiden, ofwel hen onderweg zullen vergezellen (Grieks: par-akolouthein). Het gaat dus om begeleidings- en herkenningstekens. En dan niet rondom de gelovigen uit alle tijden, maar rondom de mensen uit de begintijd die tot geloof gebracht waren, met als kerngroep de apostelen. Immers, Hij was verschenen aan ‘de elf’. Zij zijn degenen die hier door de Opgestane aangesproken worden, met het verwijt van ‘ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien’ (vers 14). Bij hun uitzending in de wereld om te verkondigen en te dopen krijgen zij de belofte van deze tekens mee, als gezanten van Jezus Christus (vers 15-16). Maar zelf moesten de apostelen eerst nog overtuigd worden en groeien in geloofsvertrouwen. Elf is twaalf min de ongelovige Judas!

BEGELEIDINGSTEKENS

Verder gaan de tekens niet voorop, maar ze begeleiden, ze gaan mee. Er gebeuren wonderlijke dingen in de omgeving van gelovige evangelieverkondigers die onderweg zijn. Dat laatste staat in vers 20a: ‘en zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken’. Bij de verbreiding van het evangelie zullen ze ondersteund worden door de genoemde tekens.

Wie zulke tekens dan precies zullen doen, wordt in het midden gelaten. In ieder geval de elf, die eropuit gestuurd worden. Vermoedelijk ook andere gezanten van Jezus Christus. Tegelijk is het hun Heer in de hemel, die deze tekens laat volgen (Grieks: ep-akolouthein) om de evangelieverkondiging kracht bij te zetten (vers 20b; vgl. Heb. 2:4). Het slot van Marcus geeft een soort vooruitblik op de Handelingenperiode. En dan zijn het specifiek de gezanten van Jezus Christus die allerlei wondertekens doen (Han. 5:12a).

VOORBEELDEN

Enkele voorbeelden uit het boek Handelingen: Paulus drijft demonen uit in Filippi en Efeze (Han. 16:18; 19:11-16); de Jeruzalemse gemeente spreekt in vreemde talen op de Pinksterdag (Han. 2:4-11); Paulus kan een gifslang hanteren op Malta (Han. 28:3-6); apostelen kunnen zieken genezen in Jezus’ naam (Han. 3:1-10; 9:33-35; 14:10) en zelfs doden opwekken (Han. 9:40-41; 20:10-12). Een voorbeeld van iemand die ongedeerd blijft na het nuttigen van een vergiftigde drank vermeldt het boek Handelingen niet; wel heeft Paulus in Lystra een steniging overleefd, waarbij iedereen dacht dat hij dood was (Han. 14:19-20).


GENEESKUNDE

Ook in de bijbelse tijd waren er ziekten waarmee je gewoon naar de dokter ging. Hij is namelijk deskundig en weet allerlei scheppingsmiddelen aan te wenden tot genezing. Die genezing zelf komt echter van de Allerhoogste en daarom moet je altijd tot God bidden.

Een citaat over de waarde van de geneeskunde uit het apocriefe boek Wijsheid van Jezus Sirach 38:1-15, tweede eeuw voor Chr. (Willibrordvertaling):

‘Waardeer de arts, want je hebt hem nodig en ook hij is door de Heer geschapen; want al komt de genezing van de Allerhoogste, hij krijgt van de koning een geschenk. Om zijn kundigheid wordt de arts hoog geëerd en hij wordt door de invloedrijken bewonderd.

De Heer laat de aarde geneeskrachtige kruiden voortbrengen en een verstandig man wijst die niet af.

Werd het water niet zoet gemaakt door het hout om de kracht van de Heer te tonen? Hijzelf heeft de mensen hun kennis gegeven m verheerlijkt te worden in zijn wonderbare werken.

Met die kruiden stilt de arts de pijn en de apotheker maakt er balsem van.

Aan de werken van de Heer komt nooit een einde en van Hem komt genezing over de aarde.

Mijn kind, wees niet onnadenkend als je ziek bent, maar bid tot de Heer, want Hij is het die geneest.

Vermijd de zonden en wees rechtschapen en reinig je hart van alle ongerechtigheid; brand wierook en breng een offer van fijn meel en maak je gave zo rijk als je kunt. En ook voor de arts moet je een plaats inruimen, want ook hij is door de Heer geschapen;

laat hem niet van jou wijken, want ook hem heb je nodig.

Er zijn immers ogenblikken dat de goede afloop in hun handen ligt, want ook zij bidden de Heer dat Hij hun een gelukkige diagnose en genezing geeft tot behoud van het leven.

Wie zondigt tegen zijn maker komt terecht in de handen van de arts’.

NIET OP COMMANDO

Kortom, de belofte van Jezus geldt voor gezanten met zijn volmacht: predikers uit de apostolische periode. Niet alle gelovigen doen alles en altijd. Net zomin als in Marcus 16:17-18 wordt beloofd dat wij slangen kunnen oppakken en dat het ons niet zal deren als wij een dodelijk gif drinken, net zomin wordt daar beloofd dat wij zieken weer gezond zullen maken. Daarmee is niet gezegd dat er tegenwoordig geen (genezings)wonderen meer kunnen gebeuren. God kan genezing geven op het gelovige gebed (Jak. 5:16-18). En ook in onze tijd gebeuren er heel wat wonderlijke dingen - maar niet op ons commando, hoe gelovig we ook zijn.

Dr. Van Houwelingen is, na twintig jaar ervaring als gemeentepredikant, sinds 2002 hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit te Kampen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.