+ Meer informatie

Van de boekentafel

13 minuten leestijd

EEN BOEK OVER HET DIACONAAT *

Er is een rijk boek verschenen over „De gemeente en haar diaconaat”. De schrijver, ds. D. J. Karres, blijkt zijn onderwerp uitnemend bestudeerd te hebben. Hij schrijft een vlotte stijl en weet de lezer te bezielen. Het is gewoon een genoegen dit boek te bestuderen.

Studie moet er wel wat bij te pas komen. Dat hangt samen met de uitvoerige bijbelse fundering van de gedachten van de schrijver. Ik acht het een belangrijk gegeven uit zijn boek, dat hij telkens naar de Bijbel verwijst en met de Bijbel bezig is.

Men komt in dit boek fraaie exegetische vondsten tegen, die blijk geven van een totaal zelfstandige bestudering van het Oude en het Nieuwe Testament. De schrijver volgt niet slaafs anderen na, maar heeft een eigen onderzoek ingesteld en is niet

bang een weg te gaan, die nog nimmer betreden werd.

Weergave

Het centrale gegeven vormen de teksten waarin de griekse woorden dienst en dienen voorkomen. Van het griekse diakonia is ons diaken en diaconie afgeleid. Deze termen spelen door heel het boek heen.

Laat ik met de titels van de hoofdstukken kort iets van de inhoud mogen zeggen. In hoofdstuk 1 „De wegen van het diaconaat” wordt ingegaan op de huidige situatie van het diaconaat en worden de verschillende nuanceringen van „diakonia” getekend. Het woord blijkt in enger en in ruimer zin gebruikt te worden.

In hoofdstuk 2 handelt de schrijver over „De oorsprong van het diaken-ambt”. Hij beschrijft daarbij vanuit de eerste hoofdstukken van Handelingen het leven van de eerste gemeente in Jeruzalem. Hij meent dat er sprake is van een diaconaat dat door de gemeente zelf en dat door de apostelen wordt waargenomen. Daarna gaat hij uitvoerig in op Handelingen 6. Men heeft lange tijd aangenomen dat daar de oorsprong van het diakenambt te vinden is. Tegenwoordig is men van deze mening teruggekomen. De schrijver meent dat dit ten onrechte geschied is. Het ging bij de aanstelling van de zeven mannen om het bewaren van de eenheid van de gemeente. „Geen ’hellenistische gemeente’ wordt hier gesticht, maar een anders gerichte groep, waarin men de werking van de Geest der liefde op bijzondere wijze had leren kennen, werd in zijn eigensoortigheid als wezenlijk element erkend en in de opbouw en bewaring der gemeente betrokken” (42).

Dan volgt een bijzonder verrassend stuk. De schrijver ziet overeenkomst tussen het ambt dat deze zeven mannen ontvingen en tussen de taak die de rechters uit Exodus 18 kregen. Mozes’ schoonvader Jethro adviseerde hem de minder belangrijke zaken van de rechtspraak aan anderen over te laten. Zo zou het diakenambt in het Oude Testament zijn wortels hebben. Uit deze conclusie volgt weer een andere: de diakenen hebben evenals hun oudtestamentische voorgangers gerechtigheid te betrachten. Dat is niet in de laatste plaats hulp te bewijzen aan hulpelozen en ervoor te zorgen dat de ander tot zijn recht komt. Zo wordt het betrachten van gerechtigheid, gelijk daarover in onze tijd veel gesproken wordt, dè inhoud van het diaken-ambt.

In het derde hoofdstuk wordt ingegaan op de taak van de diaken bij de Avondmaalsviering. Eigenlijk vindt zijn werk aan die tafel zijn uitgangspunt. Een korte schets van de geschiedenis loopt uit op de stelling „Diaconaat rond de Avondmaalsviering”. Dit hoofdstuk vindt zijn vervolg in 4: „Diakonisch bidden”. Behalve de hulp die de diaken te verrichten heeft bij de Avondmaalstafel en de viering van het Avondmaal bij zieken aan huis, ligt ook het bidden voor diaconale noden op zijn weg. Wanneer de diaken al niet tot het voorgaan in de dienst der gebeden zich bekwaam voelt, dan zal hij toch op zijn minst de noden, waarvoor gebeden moet worden, aan de gemeente moeten noemen. Men ziet: een plaats aan de diaken bij de voorbeden.

In het vijfde hoofdstuk „Dienst over de grenzen” wordt aandacht gegeven aan het „wereld”-diaconaat. Vanuit de collecte voor Jeruzalem worden verrassende gezichtspunten geopend. Te denken valt aan de veronderstelling van de schrijver dat de collecte uit 2 Corinthe 8 en 9 zelfs bestemd was voor Joden, die nog niet tot geloof in Christus gekomen waren. Er werd vanuit heel de wereld voor Joden in Jeruzalem geld bijeengebracht. De christelijke kerk zou via Paulus aan deze opdracht trouw gebleven zijn. Ik vermeld niet tot welke stoute veronderstellingen de schrijver komen moet om aan opkomende bezwaren weerstand te bieden. Slechts dit: Terwille van deze Joden zou de Heiland alleen met Christus en niet de naam Jezus aangeduid zijn in 2 Cor. 9 : 13, waarin het gaat over „uw onbekrompen belijden van het evangelie van Christus”. Dat is een totaal ongeloofwaardige veronderstelling.

Overigens worden er prachtige opmerkingen gemaakt over de invloed van daadwerkelijke hulp op het leven van andere volken

Deze vragen worden nader uitgewerkt in het zesde hoofdstuk „Diaconaat en zending”. Een van de stellingen is: Woord en daad zijn twee kanten van dezelfde zaak. Een goede diaken kan een goede evangelist zijn. Er wordt zelfs het pleit gevoerd voor een zendingsdiaken. Een arts of verpleegster die uitgezonden wordt, zou dan namens de plaatselijke gemeente elders diaken kunnen zijn.

In het voorlaatste hoofdstuk komt het dienen van de overheid ter sprake: „De overheid, Gods liturg en diaken”. Hier worden behartigenswaardige dingen gezegd over het maatschappelijk werk. Niet te vergeten is „dat de totale organisatie van de welzijnsstaat het apparaat kan worden, dat zonder slag of stoot deze anti-(christelijke) macht kan worden” (186).

In het achtste en laatste hoofdstuk wordt onder de titel „Het gemeente-diaconaat” het hele betoog nog eens samengevat. Ook hier treffen we veel praktische aanwijzingen. Een verantwoording ten aanzien van literatuurgebruik sluit het boek af.

Beoordeling

Hoe opgetogen ik me ook over dit boek betoond heb, toch kan ik niet nalaten in een andere toon te eindigen. Toen ik dit boek een en andermaal gelezen had, was mijn conclusie: hier wordt te veel bewezen. Ik zeg dat niet maar met het oog op een aantal afzonderlijke teksten. Ik doel vooral op het eigenlijke onderwerp. De schrijver begint breed en houdt zijn betoog ook zo.

Waar het woord diaconie maar ter sprake komt, komt het diaconaat in het gezicht, ondanks de door hem zelf aangebrachte onderscheiding van diaconaat in enger en ruimer zin.

Wat is nu eigenlijk het ambtelijk karakter van het diaconaat? Ik ben door de verwijzing naar Exodus 18 in het geheel niet overtuigd. Nergens komen we in de Bijbel deze overeenkomst tegen. Trouwens de taak van die rechters was een heel andere. Die taak was geen ambt binnen de oud-testamentische, zoals het diaconaat binnen de nieuw-testamentische gemeente. Bij Karres gaat eigenlijk het hele ambt op in het diaconaat. Dat is gevolg van het niet zuiver onderscheiden. Wat in het Nieuwe Testament een facet of een karakterisering is, wordt bij Karres telkens het wezen van de zaak. Ik denk nog even aan de tekening van de eerste christelijke gemeente. Het is nauwelijks aan te nemen dat de eerste fase bestond uit het diaconaat van de gemeente zelf, waarop dan als tweede fase dat van de apostelen volgt. Die twee zullen er gelijktijdig geweest zijn, in elk geval als gelijktijdig bedoeld zijn.

Ik denk ook aan de plaats van de diaken bij de Avondmaalstafel. Met een verwijzing naar de Avondmaalsmotieven uit de Hebr. brief heeft men hèt argument nog niet geleverd. Verder komt de bewijslast op de kerkgeschiedenis neer.

Ik wees reeds op de onhoudbare exegese van 2 Corinthe 9 : 13. Het is ook opmerkelijk dat de titel van het laatste hoofdstuk luidt: Het gemeente-diaconaat, terwijl daarin uitvoerig — op een fraaie wijze — gesproken wordt over de vereisten voor de diakenen.

Het lijkt me ook weinig waarschijnlijk dat de tekening van Handelingen 6 juist is. Wat zouden we het diaken-ambt dan aan een vreemde oorsprong te danken hebben. Alsof één bepaalde groep alleen maar „diaconie-minded” was. Dat is zelfs in strijd met het begin van het betoog van de schrijver. Ik ben nog niet gewonnen voor de gedachte dat voor de instelling van het diaconaat Handelingen 6 hèt hoofdstuk is. En met een diaken die elders zijn werk gaat doen, weet ik geen raad. Hoe verhoudt zich het diakonaat tot het presbyteriaat, als de ouderling op de rechte leer zit, en de diaken op het rechte leven?

Het loopt allemaal erg door elkaar heen. Dat is het zwakke van dit boek. Veel goede opmerkingen komen in de lucht te hangen, als blijkt dat de basis door gebrek aan heldere onderscheiding wankel is.

Het spijt me dat ik dit gedachtenrijke boek zo bij de lezer moet introduceren. Toch is er veel dat het overwegen waard is. Maar we hebben behoefte aan een duidelijker, bijbelse begrenzing van het diaconaat.

* D. J. Karres, De Gemeente en haar Diaconaat, Boekencentrum N.V., ’s-Gravenhage 1969, 239 blz. Prijs ƒ 11,90 (bij intekening op de serie Praktische Theologische Handboekjes ƒ 10,50).

Dr. W. H. Velema, Herleving van de natuurlijke ethiek tegen de achtergrond van de secularisatie. Uitg. Kok-Kampen. Prijs ƒ 2,65.

Op z’n tijd heeft iedere ambtsdrager wel eens te maken met „secularisatie”, meestal in de vorm van „verwereldlijking” of „derwereld-gelijkvormig-zijn”. Hem worden adviezen gevraagd of verwijten gemaakt over gedragingen en daden die in vroeger tijden als „werelds” of „wereldgelijkvormig” altijd of alleen één dag (’s zondags) tot de niet geoorloofde, onchristelijke en derhalve verboden zaken werden gerekend, maar die nu veelal zonder meer als vanzelfsprekend worden toegelaten, zo niet toegejuicht. Misschien staat deze of gene zelf wel klaar om verwijten te maken en beschuldigingen te uiten ten aanzien van dergelijke zaken. Echter hoe hij ook met deze secularisatie — vroeger het einde van het christen-zijn, nu voor sommigen het summum — geconfronteerd moge worden en hoe hij op dit verschijnsel moge (af)reageren, de meeste ambtsdragers hebben zonder twijfel weleens door deze secularisatie — die meer met de levensstructuur van de „wereld” die God heeft uitgerangeerd, te maken heeft, dan met allerlei uiterlijkheden van mode, recreatie etc. — een „gevoel van onmacht van het eigen geloof en een besef van overmacht van het geseculariseerde leven”. Ook hierover spreekt prof. Velema in deze rectorale rede. De vraag „Hoe kan de kerk er nog iets van terecht brengen” komt wel eens op je af als je met je ambtswerk bezig bent in de praktijk van het leven. Meer dan we ons bewust zijn, ondergaat de gemeente de invloed van deze levensstructuur die leidt tot een „geseculariseerd” levenspatroon. Wat hier feitelijk aan de hand is, laat prof. Velema duidelijk zien. Al zal niet iedere ambtsdrager deze rede even gemakkelijk lezen, toch zal het voor zijn ambtswerk nuttig zijn er kennis van te nemen. De „ethiek” (leer van het „doen en laten”, de „zede”) is onder ons heel vaak meer een zaak van traditie dan van bezinning geweest. We hopen dat onze eind-redacteur nog ruime gelegenheid krijgt de „geschetste lijnen positief uit te werken”, wat hij blijkens het slot als zijn opdracht ziet. Daarvan zullen zeker onze ambtsdragers profijt hebben!

H. Giesen, Vandaag! Uitg. Boekencentrum, Den Haag. Prijs ƒ 12,90.

Klaagde de Prediker over het maken van boeken, er schijnt ook geen einde te zijn aan het maken van dagboeken! Zelfs vertalingen hebben blijkbaar een goede markt. Dit dagboek (in het oorspronkelijke „Lauter Liebe” geheten) is het vierde dagboek dat van deze Duitse, althans Duits-schrijvende predikant op de Nederlandse markt komt. Wat van geen dagboek gevraagd mag worden, kan ook van dit dagboek niet verwacht worden, nl. dat alle 366 stukjes even goed zijn en dat elke exegese die gegeven wordt van de 365 bijbelteksten plus één apocriefe tekst (Sirach 6 : 16 „Een trouwe vriend is een troost in het leven”!) ook werkelijk Schriftuitleg is. Wat gegeven wordt, is soms raak, meestal spreekt het „aan”. En „aanspreken” is voor velen tegenwoordig al een maximum. Dat bovendien een tekstregister gegeven wordt is een te waarderen unicum. Wie een advies moet geven ten aanzien van dagboeken, verzuime niet ook deze uitgave in z’n overwegingen te betrekken.

Dr. W. H. Velema, Herleving van de natuurlijke ethiek tegen de achtergrond van de secularisatie. Uitg. Kok-Kampen. Prijs fl 2,65.

Op z’n tijd heeft iedere ambtsdrager wel eens te maken met „secularisatie”, meestal in de vorm van „verwereldlijking” of „der-wereld-gelijkvormig-zijn”. Hem worden adviezen gevraagd of verwijten gemaakt over gedragingen en daden die in vroeger tijden als „werelds” of „wereldgelijkvor-mig” altijd of alleen èèn dag ('s zondags) tot de niet geoorloofde, onchristelijke en derhalve verboden zaken werden gerekend, maar die nu veelal zonder meer als van-zelfsprekend worden toegelaten, zo niet toegejuicht. Misschien staat deze of gene zelf wel klaar om verwijten te maken en beschuldigingen te uiten ten aanzien van dergelijke zaken. Echter hoe hij ook met deze secularisatie — vroeger het einde van het christen-zijn, nu voor sommigen het summum — geconfronteerd moge wor-den en hoe hij op dit verschijnsel moge (af)reageren, de meeste ambtsdragers heb-ben zonder twijfel weleens door deze secularisatie — die meer met de levens-structuur van de „wereld” die God heeft uitgerangeerd, te maken heeft, dan met allerlei uiterlijkheden van mode, recreatie etc. — een „gevoel van onmacht van het eigen geloof en een besef van overmacht van het geseculariseerde leven”. Ook hier-over spreekt prof. Velema in deze rectorale rede. De vraag „Hoe kan de kerk er nog iets van terecht brengen” komt wel eens op je af als je met je ambtswerk bezig bent in de praktijk van het leven. Meer dan we ons bewust zijn, ondergaat de gemeente de invloed van deze levensstructuur die leidt tot een „geseculariseerd” levenspatroon. Wat hier feitelijk aa.i de hand is, laat prof. Velema duidelijk zien. Al zal niet iedere ambtsdrager deze rede even gemakkelijk lezen, toch zal het voor zijn ambtswerk nuttig zijn er kennis van te nemen. De ,.ethiek” (leer van het „doen en laten”, de „zede”) is onder ons heel vaak meer een zaak van traditie dan van bezinning ge-weest. We hopen dat onze eind-redacteur nog ruime gelegenheid krijgt de „ge-schetste lijnen positief uit te werken”, wat hij blijkens het slot als zijn opdracht ziet. Daarvan zullen zeker onze ambtsdragers profijt hebben!

H. Giesen, Vandaag! Uitg. Boekencentrura, Den Haag. Prijs fl 12,90.

Klaagde de Prediker over het maken van boeken, er schijnt ook geen einde te zijn aan het maken van dagboeken! Zelfs ver-talingen hebben blijkbaar een goede markt. Dit dagboek (in het oorspronkelijke „Lauter Liebe” geheten) is het vierde dagboek dat van deze Duitse, althans Duits-schrijvende predikant op de Nederlandse markt komt. Wat van geen dagboek gevraagd mag wor-den, kan ook van dit dagboek niet ver-wacht worden, nl. dat alle 366 stukjes even goed zijn en dat elke exegese die ge-geven wordt van de 365 bijbelteksten plus èèn apocriefe tekst (Sirach 6 : 16 „Een trouwe vriend is een troost in het leven”!) ook werkelijk Schriftuitleg is. Wat gegeven wordt, is soms raak, meestal spreekt het „aan”. En „aanspreken” is voor velen tegenwoordig al een maximum. Dat boven-dien een tekstregister gegeven wordt is een te waarderen unicum. Wie een advies moet geven ten aanzien van dagboeken, verzuime niet ook deze uitgave in z'n overwegingen te betrekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.