+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

6

We zijn gekomen tot hoofdstuk V van het boek van prof. Oosterhoff.

Dit hoofdstuk draagt als titel: Genesis 2 en 3. Eerst behandelt de schrijver de vraag, waar Genesis 2 begint. Dan spreekt hij over het karakter van deze hoofdstukken. We noteren de uitspraak: „Het gaat zowel in Gen. 1 als in Gen. 2 om een bepaalde groepering van de stof. Het is waarschijnlijk ook in Gen. 1 niet de bedoeling een chronologisch verloop van de schepping te geven. Evenmin gaat het in Gen. 2 om een chronologische volgorde.

En een blz. verder lezen we o.a. „Er is ook een zakelijk verschil. Gen. 1 spreekt van een schepping in zes dagen, Gen. 2 kent deze onderscheiding niet. Hij spreekt van „de dag”, waarop de HEERE God aarde en hemel maakte (2 : 4b) en ook al wil men bij „dag” denken aan een langere periode, wat niet onmogelijk is (vandaar de vertaling: „Ten tijde, dat de HEERE God de aarde en de hemel maakte), wordt toch van zes dagen niet gerept.”

Dergelijke uitspraken verwekken onrust. In een vorig hoofdstuk lazen we ook al: „Het is onmogelijk op grond van de bijbel de ouderdom van de aarde en de mensheid vast te stellen. Dat kan tienduizend jaar, maar ook honderd duizend jaren en meer zijn. Daar laat de bijbel zich niet over uit. Ook niet in de hoge leeftijden van de eerste mensen, die in Gen. 5 genoemd worden. Deze bedoelen eerder aan te geven hoe de zonde langzamerhand in de leeftijden der mensen heeft doorgewerkt, waardoor deze al verder daalden tot de leeftijd van 120 jaar (Gen. 3:6) en zelfs lager (Ps. 90 :10), dan dat hierdoor de ouderdom van het menselijk geslacht zou kunnen worden vastgesteld. Trouwens daar is de boodschap van de bijbel ook niet afhankelijk van.” Daarin zitten ook allerlei elementen, die vragen oproepen en de mensen onrustig en ongerust maken.

Aan het slot van de paragraaf over het karakter van Gen. 2 en 3 zegt de schrijver: „Gen. 2 en 3 vormen één geheel en tekenen ons de mens, op bijzondere wijze geschapen, door God geplaatst in een paradijs, levend als man en vrouw in gemeenschap met elkaar en met God, maar door verleiding ongehoorzaam geworden en in nameloze ellende gestort.”

Hierna spreekt prof. Oosterhoff afzonderlijk over de schepping van de mens.

Hij vraagt of nu alles wat in Gen. 2 : 7 gezegd wordt letterlijk moet worden opgevat: „Heeft God eens in de letterlijke zin van het woord een mens, een soort pop, uit de natte aarde gevormd en hem toen de levensadem ingeblazen?”

Prof. Oosterhoff wijst op wat anderen zeggen en dan gaat hij verder: Ook de kanttekenaren op de St. Vert, zijn van mening, dat de mededeling in Gen. 2 : 7, dat God de mens de adem des levens inblaast in diens neusgaten, „menselijkerwijze” van God gesproken is. Niemand is eigenlijk van mening, dat wat in Gen. 2 : 7 wordt gezegd letterlijk moet worden genomen.

Daaraan voegt de schrijver toe: „Op symbolische wijze wordt hier gezegd, dat de mens schepsel Gods is.”

Over de mensvormige wijze van spreken schreven we al eerder in deze artikelen. Voor ons houdt deze wijze van spreken zonder meer in, dat het letterlijk gebeurd is, zoais de Heere dat op een voor ons begrijpelijke wijze mededeelt. Het ontgaat ons, wat het moet betekenen, dat op symbolische wijze gezegd wordt, dat de mens schepsel Gods is. Hier wordt het op mensvormige wijze van spreken gelijkgesteld met op symbolische wijze van spreken.

Prof. Biesterveld schreef indertijd: „Het woord symbolon komt bij de Grieken voor in de zin van teken, waaruit men iets opmaakt. Het werd b.v. gebruikt voor (……) parool, wachtwoord, sein, zinnebeeld, handgeld. Ook bij de patres komt het voor als zinnebeeld.”

Op symbolische wijze is dus gelijk aan op zinnebeeldige wijze. Plier hebben we dus de tegenstelling tussen letterlijke en symbolische wijze van mededeling van wat God gedaan heeft.

Prof. Oosterhoff wijst op een opmerkelijke overeenkomst tussen Gen. 2 : 7 en enige woorden van Elihu in Job 33 : 4 en 6.

„Elihu zegt, dat hij uit leem is afgeknepen. Die gedachten komt ook in Babel voor.” Aldus prof. Oosterhoff en dan verder: „Wat in de oud-oosterse wereld een mythologische voorstelling was wordt voor Elihu een beeld, een symbolische uitspraak. Hij wil er zijn nietigheid mee uitdrukken.”

We moeten ons beperken. De schrijver wil aantonen, dat ook al neemt men Gen. 2 : 7 niet letterlijk er ontzaglijk diepe gedachten in liggen. Dat zijn we uiteraard wel met hem eens. Maar het wordt ons niet duidelijk gemaakt, dat wij dit gedeelte van Gods Woord niet letterlijk moeten nemen. We belijden, dat God de Schepper van alles is. Dat geldt dus ook de mens. Dat deelt de Heere ons in Zijn Woord mee, letterlijk en niet symbolisch, zinnebeeldig. We kunnen het ook na het betoog van de geleerde schrijver niet anders zien.

Hierna gaat prof. Oosterhoff spreken over de hof van Eden. Ook hier vinden we veel lezenswaardigs.

De schrijver constateert met prof. Aalders, dat ons geheel en al onbekend is waar het landschap Eden is te zoeken. Hij vraagt dan: „Of bedoelt „in het oosten” in het geheel geen geografische aanduiding te zijn, maar een symbolische? Het oosten was voor de mens in de oudheid niet slechts een geografisch begrip zoals het noorden en het westen en het zuiden ook niet slechts geografische begrippen waren.

Het oosten was de plaats van de opgaande, uit de dood herrijzende zon en daarom van het leven en van de zaligheid. Kan ook de naam Eden (gelukzaligheid) een symbolische naam zijn?”

Prof. Oosterhoff stelt slechts vragen, maar we krijgen de indruk, dat dit dient om in te leiden tot zijn opvattingen, die hij verder in zijn werk naar voren brengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.