+ Meer informatie

Het kerkelijk Jaarboekje 1954

5 minuten leestijd

RONDKIJK

Hkerkelijk Jaarboekje 1954 onzer Geref. Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika, dat dezer dagen verscheen, staat in het teken van de beroeringen op onze kerkelijke erve en de scheuring, die sedert het verschijnen van het jaarboekje 195? » heeft plaats gevonden. In het woord , .Ten Geleide", van de hand van Ds J. W. Kersten te Genemuiden, worden we daar al aanstonds bij bepaald. Immers een kerkelijk jaarboek geeft de stand aan van vooruit-of achteruitgang van de totalen der gemeenteleden en waar uit het statistisch overzicht blijkt, dat er een teruggang is van 8000 leden over het geheel, geeft hij in het , .ten geleide" een zekere definitie, waar de oorzaak daarvan moet worden gezocht. Een enkele zin zal ik er uit aan halen: „de individu gaat zich ontplooien, de enkeling wil regeren en wat te zeggen hebben, en wanneer hij niet genoeg meetelt, onttrekt hij zich in verontwaardiging aan het geheel, om in een kleine groep gelijkdenkenden en gelijkvoelenden zich te doen gelden. De persoonlijke vrome zielsgesteldheid krijgt meer waarde dan de regel des geloofs naar de Heilige Schrift, de persoonlijke smaak verklaart wat goed en niet goed is, zuiver of onzuiver, en dat alles onder het voorwendsel van de ere Gods en de zuiverheid der leer!" Maar hij wijst er tevens op, dat al deze zaken mogen zijn „een baken in zee, een oorzaak om voor onszelf te vrezen, opdat wij zouden vragen om de reiniging van onze verborgen zonden en de blootlegging van ons verdorven bestaan bij het licht des Heiligen Geestes."

Uit het onderstaande overzicht, dat we in z'n geheel overnemen, blijkt dat het ledental in Nederland sedert vorig jaar is teruggelopen van 67.144 op 58.760, wat neerkomt op een verlies van 8384 leden oftewel een achtste van het geheel. We staan daarmee ongeveer op hetzelfde peil van 1947. Bij vergelijking van 1952 met 1953 blijkt, dat door de kerkscheuring 5 predikanten met 15 gemeenten van de 147 ons kerkverband hebben verlaten, terwijl 1 gemeente werd geïnstitueerd.

Wc leven nu al ver in 1954 en het komt ons voor dat deze cijfers sinds de afsluiting van het jaar niet veel wijzigingen meev zullen ondergaan. Waarmee uw rondkijker zeggen wil dat de scheuringin cijfers is bepaald.

Uit het overzicht blijkt verder, dat 19 predikanten staan voor de bearbeiding van 133 gemeenten! Er studeren aan de Theologische School vier studenten, n.1. de heren A. Elshout, C. Molenaar, H. Rijksen en L. Vogelaar welke laatste bovendien nog steeds ziek is. Hieruit komt weer zo duidelijk naar voren, de grote nood die er in onze gemeenten heerst, voor de bediening van Woord en Sacrament. Met zo weinigen zo vele gemeenten bedienen en ieder op z'n tijd een beurt geven, is een schier onoverkomelijk werk. Er mocht bij ons veel gebed gevonden worden voor hen, die dit zware w r erk moeten doen, maar ook, dat de Heere nog arbeiders uitstote om die taak te verlichten. Het kleine getal mocht vermeerderd worden.

Met ootmoed en ook met vrijmoedigheid, zo schrijft Ds Kersten, in dit jaarboekje, mag worden beleden dat de Heere nog opening geeft in Zijn Woord bij Zijn knechten en nog spijze in Zijn huis voor Zijn kinderen. Dit te mogen constateren, is een groot voorrecht.

De geslagen breuk mocht ons tot droefheid strekken maar ook ter waarschuwing zijn. Ter waarschuwing, om nauw te leren toezien op leer en leven, op onszelf, op onze handel en wandel voor het aangezicht des Heeren, om met de dichter te leren zeggen uit de oude berijming van Ps. 119: Leer mij Heer, Uwen weg gansch en gaar, die volmaakt is, bekennen en bewaren; dat ik dien houde tot den eind eenpaar."

Dat geldt ook voor onze jongeren. Scheuringen en twistingen werpen allerlei vragen op, en het jeugdig gemoed is zo gauw ontvlamd. Strijd mocht echter verre van ons zijn, samenbinding en liefde, in de vreze des Heeren, mocht onder ons gevonden worden. En waar liefde woont, gebiedt de Heere Zijn zegen.

RONDKIJKER.

(Vervolg' Vad. Geschiedenis) De Stadhouder.

Wij weten, dat de stadhouder (men noemde hem voorheen ook lieutenant, stedehouder) oorspronkelijk de plaatsvervanger was van de landsheer.

Toen deze in 1581 verdwenen was en cle gewestelijke Staten de macht aan zich getrokken hadden, zou men verwachten, dat het stadhouderschap verdween. Toch was dit niet zo. De gewestelijke staten benoemden toch een stadhouder, die voorheen als vertegenwoordiger van cle landsheer boven hen stoncl maar — nu althans in naam — hun dienaar was.

Hij was belast met de uitvoerende macht; de wetgevende berustte natuurlijk bij de Staten.

Toch deed het eigenaardig aan, dat hij nog enkele vorstelijke rechten had, die herinnerden aan de landsheerlijke tijd. Hij had namelijk het recht van gratie (= kwijtschelding van straf). Ook had hij het recht van het benoemen van overheidspersonen, als b.v. van burgemeesters en schepenen, zij 't uit de voordrachten door de steden opgemaakt. Flinke stadhouders hebben zelfs het tegengestelde gedaan en lastige magistraten, als het nodig was, aan de kant gezet. Zo begrijpen wij, dat het gewone volk politiek onmondig in hem een beschermer zag tegen de aanmatigingen der regenten.

Verder was hij — en dit is een belangrijk punt speciaal belast met de handhaving van de ware (in deze tijd de Gereformeerde) religie. Dat zullen wij zien bij de behandeling van het Bestand.

Sinds 1590 waren er maar 2 stadhouders, die van Holland, die tevens in de meeste andere gewesten benoemd werd en die van Friesland, die meestal ook in Groningen het ambt bekleedde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.