+ Meer informatie

Afvaardiging van diakenen naar meerdere vergaderingen

6 minuten leestijd

Het besluit van de Generale Synode van 1962

Besluitvaardigheid was een van de kenmerken van de Synode, die in de Pniëlkapel te Santpoort vergaderde. Ds J. H. Velema heeft er als praeses terecht op gewezen, toen hij het slotwoord sprak.

Onze Synode heeft verschillende beslissingen genomen, die de leden der kerken wel interesseren. Denk maar aan het besluit inzake het gebruik van de Nieuwe Vertaling in de eredienst!

Veel minder opvallend maar voor de ambtsdragers toch wel van belang was de regeling voor de afvaardiging van diakenen naar de meerdere vergaderingen, die door deze Synode werd aanvaard.

Het is wellicht niet overbodig om er in „Ambtelijk Contact” enige aandacht aan te besteden.

Nu is bepaald, dat elke Classis er volgens eigen regeling voor heeft te zorgen, dat minimaal drie diakenen op haar vergaderingen aanwezig zijn, en dat elke Classis één diaken naar de Particuliere Synode, en elke Particuliere Synode één diaken naar de Generale Synode zal afvaardigen.

Verder is uitgesproken, dat de diakenen op de bredere kerkelijke vergaderingen stem hebben in alle zaken behalve in die van opzicht en tucht.

In de vergadering van de Synode is over dit onderwerp niet in den brede gediscussieerd, omdat het bleek dat er met vrij grote eenparigheid een beslissing genomen kon worden, die in de lijn lag van het rapport van deputaten ad hoc en het rapport van commissie V.

Hoe was deze zaak aan de orde gekomen?

Op de diakenenconferentie van 1951 hield prof. J. Hovius een rede over het thema: Behoren de diakenen tot de kerkeraad? Hij beantwoordde deze vraag bevestigend. Wel spreekt de kerkorde meermalen van de „kerkeraad met de diakenen” — daarmee de indruk wekkend, dat de diakenen eigenlijk niet tot de kerkeraad gerekend worden — maar de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in art. 30 heel duidelijk, dat de opzieners en diakenen met de herders de raad der kerk vormen.

Moet de belijdenis nu gewijzigd worden of de kerkorde?

Geen wonder, dat de zaak per instructie aan de Generale Synode van 1953 werd voorgelegd. Daarbij werd o.m. opgemerkt, dat er in de huidige situatie voor de diakenen geen gelegenheid is om eventuele diaconale aangelegenheden van de kerk op de bredere vergaderingen van de kerken te bespreken, omdat de kerkorde geen afvaardiging kent van de diakenen naar die vergaderingen.

De Synode achtte de tijd toen nog niet gekomen om een principiële uitspraak te doen. Zij benoemde een commissie om het vraagstuk te bestuderen.

In het rapport, dat op de volgende Synode werd ingediend, werd de nadruk gelegd op de gelijkwaardigheid van de ambten. De Geloofsbelijdenis stelt terecht, dat de diakenen tot de kerkeraad behoren. De kerkorde, die de diakenen nu eens wel en dan weer niet bij de kerkeraad neemt, kan aanleiding geven tot discriminatie van het diakenambt. Ook werd het onjuist genoemd om de diakenen geheel van de meerdere vergaderingen uit te sluiten.

De Synode van 1956 sprak uit: „Omdat de diakenen tot de kerkeraad behoren, moeten zij, met inachtneming van het bijzondere karakter van hun ambt, kunnen worden afgevaardigd naar de meerdere vergaderingen”.

Ook benoemde zij deputaten om dit beginsel uit te werken en de nodige regelingen te concipiëren.

Door omstandigheden heeft de Synode van 1959 de zaak laten rusten.

Op onze laatste Synode werd er door de commissie, die de behandeling had voor te bereiden, op gewezen, dat de woorden „met inachtneming van het bijzonder karakter van hun ambt” verschillend werden geïnterpreteerd. Enerzijds wilde men erin lezen: met volkomen gelijke bevoegdheden als de andere ambtsdragers bezitten, en anderzijds: met stemrecht in diaconale zaken!

Er is echter nog een derde mogelijkheid. De diakenen hebben dan zowel in de kerkeraad als in de meerdere vergaderingen stem in alle algemeen kerkelijke zaken, behalve in zaken van opzicht en tucht.

Zo werd het door bovengenoemde deputaten voorgesteld, en evenals de commissie van rapport kon de Synode zich hiermee verenigen.

Hoeveel diakenen moeten er nu worden afgevaardigd?

De deputaten gaven de Synode om praktische redenen in overweging (grootte der vergaderingen en kosten van vergaderen) om het getal der afgevaardigde diakenen beperkt te houden.

Maar uit de kerken was ook een voorstel gekomen om naar Particuliere Synode en Generale Synode voortaan evenveel ouderlingen als diakenen te zenden.

Hier is tegen in te brengen, dat de gelijkwaardigheid van de ambten niet met zich meebrengt, dat het getal ouderlingen en diakenen gelijk moet zijn. Dat is in tal van plaatselijke kerken immers ook niet het geval.

Het gaat erom, dat op de meerdere vergaderingen afgevaardigden aanwezig zijn, die verstand hebben van diaconale zaken. Het komt daarbij meer aan op hun deskundigheid dan op het aantal.

Gedacht is daarom aan (minimaal) drie diakenen op een classicale vergadering, aan drie (of vier) diakenen op een vergadering van een Particuliere Synode, en aan vier diakenen op een vergadering van de Generale Synode.

Dit is overigens aanvaard als een voorlopige regel, die getoetst moet worden aan de praktijk.

Er gaan dus straks diakenen naar de meerdere vergaderingen. En het is de bedoeling, dat dit de kerkelijke vergaderingen ten goede zal komen.

Prof. Hovius merkte in zijn rede van 1951 al op, dat er vele vraagstukken zijn, die thans op de diaconale conferenties worden behandeld, allerlei vragen, die het sociale leven raken, vragen, waarmee onze diakenen, vooral in de grote steden en in industrie-centra, voortdurend in aanraking komen. Het zou zeer gewenst zijn, indien ook diakenen lid konden zijn van de meerdere vergaderingen, die over zulke zaken krijgen te beslissen, omdat zij immers krachtens hun werk en ervaring met meer gezag en beter kunnen oordelen.

Nu hadden wij wel een deputaatschap voor algemene diaconale en sociale (thans: maatschappelijke) aangelegenheden. Maar juist als er besluiten genomen moeten worden ten aanzien van deze „aangelegenheden”, is er veel voor, dat de Synode kan luisteren naar de stem van afgevaardigden, die thuis zijn in het diaconale werk.

Zo heeft onze Generale Synode zich nu onthouden van een uitspraak in een belangrijke kwestie.

Deputaten voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden hadden o.m. geponeerd: De diaconie vindt een bemiddelende taak in de voorziening in speciale noden, zoals maatschappelijke zorg, gezinszorg, ziekenzorg enz. De feitelijke zorg in deze gevallen behoort tot het algemeen ambt der gelovigen, dat door de diaconie dient te worden geactiveerd en, ook financieel, dient te worden gesteund. De overheid heeft tot taak de handhaving van het recht en zal eerst moeten ingrijpen, als andere samenlevingsverbanden hun plichten niet meer kunnen of willen verstaan. Financiële overheidssteun aan diaconieën dient te worden afgewezen.

Maar vanuit de kerken werd (in een Instructie van de Particuliere Synode van het Noorden) voorgesteld deze conclusie niet te aanvaarden. Tevens werd een andere zienswijze naar voren gebracht: De diaconie mag inzake de materiële steun die de overheid in voorkomende gevallen haar onderdanen biedt, zowel wat de armenzorg als wat de verzorging in tehuizen, gestichten enz. betreft, volgens het haar in de wet toegestane recht, samenwerken met de overheid. Ter Synode werd hier echter weer ernstige kritiek op gemaakt.

Onze Synode heeft het onbeslist gelaten.

Het zal nog wel eens ter sprake komen. En het lijkt mij goed, dat er dan ook diakenen bij zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.