+ Meer informatie

DE KERKELIJKE APPELPROCEDURE (2)

8 minuten leestijd

INLEIDING

In het vorige artikel ben ik ingegaan op de achtergronden en belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe appelregeling. In dit artikel zal ik een begin maken met de bespreking van de belangrijkste onderwerpen uit de appelregeling, door de bepalingen van de regeling langs te lopen en van commentaar te voorzien.

DEFINITIES

De regeling begint met een aantal definities van begrippen die in de regeling worden gebruikt. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo spannend, maar de definities - althans enkele ervan - zijn zoals we zullen zien niet onbelangrijk. Het is bij de toepassing van een regeling sowieso zinvol om op zoek te gaan naar definities van begrippen die in de regeling worden gebruikt. Dat kan veel onnodige discussies over de betekenis van zo’n begrip besparen.

De definities van de appelregeling zijn te vinden in artikel 1. We komen er allereerst (in 1.1) het begrip “besluit” tegen. Dat is een kernbegrip. De deur van het appel gaat alleen open wanneer er een besluit ligt. Het besluit is het voorwerp van het appel. Dan is het wel belangrijk om vast te leggen wat onder een besluit wordt verstaan. Valt daar een mondelinge mededeling van een kerkenraad onder, een door de commissie van beheer opgesteld onderhoudsplan of een bepaald feitelijk handelen? Het antwoord op deze vragen luidt ontkennend. Een besluit is een beslissing (dus geen feitelijk handelen) van een kerkelijke vergadering (dus niet de commissie van beheer), dat in de notulen of besluitenlijst is vastgelegd, dan wel schriftelijk is meegedeeld. Maar, wat nu wanneer je het als gemeentelid bijvoorbeeld niet eens bent met een bepaalde liturgische praktijk in de gemeente? In zo’n situatie kun je de kerkenraad vragen om die praktijk te wijzigen. Als de kerkenraad dat niet wil (en dat schriftelijk meedeelt of in de notulen vastlegt niet op het verzoek te willen ingaan) is wel sprake van een besluit waartegen appel kan worden ingesteld. Dat besluit, het oorspronkelijk besluit, wordt in het reglement het primaire besluit genoemd (1.2). Het besluit dat door de classis wordt genomen op het ingestelde appel is dan het appelbesluit (1.3).

We weten nu waartegen appel kan worden ingesteld. Maar wie kan appel instellen? Dat wordt geregeld in artikel 4.1, waar staat dat iedere belanghebbende appel kan instellen tegen een besluit. Wie dat is, wordt geregeld in artikel 1.4 waar het begrip belanghebbende wordt gedefinieerd. Artikel 1.4 kent drie categorieën belanghebbenden.

Allereerst leden. Het betreft zowel doopleden als belijdende leden. Nodig is wel dat zij in hun belang zijn getroffen. “Het in het belang zijn getroffen” door een besluit is een wat eigentijdsere formulering, die ook aansluit bij het wereldlijke recht, voor wat in artikel 31 van de Kerkorde wordt omschreven als “bezwaard zijn” door een besluit. Een gemeentelid zal al heel snel in zijn belang zijn getroffen door elk besluit van de eigen kerkenraad. Als het gaat om principiële zaken geldt dat ook voor besluiten van andere kerkenraden en van meerdere kerkelijke vergaderingen. Maar, wanneer een kerkenraad van een gemeente 150 kilometer verderop besluit afwijzend te reageren op het verzoek van een gemeentelid - geen familie - om toekenning van een eigen parkeerplek wordt het wel lastiger om het belang - het bezwaard zijn, zo u hecht aan die formulering - hard te maken. Ook voor kerkelijke vergaderingen geldt het belang vereiste. Wat dat betreft worden zij op één lijn gesteld met (doop en belijdende) leden. Voor personen die geen lid zijn, geldt een hogere drempel. De desbetreffende persoon moet “rechtstreeks door een besluit worden getroffen” en daarin “in redelijkheid niet kunnen berusten”. Deze bepaling biedt de meerdere vergadering ruimte om van geval tot geval te beoordelen of iemand het recht van appel heeft. Aan welke situaties moet gedacht worden? Het komt mij voor dat het meestal zal gaan om personen die betrokken zijn bij de plaatselijke gemeente waarin het besluit is genomen, bijvoorbeeld meelevenden, familieleden van leden, of ex-leden. Daarnaast heeft het besluit waartegen zij opkomen hen echt geraakt, en is dat ook voorstelbaar. Bij de behandeling van het reglement ter synode is het voorbeeld gebruikt van de organist die, als niet lid, jarenlang naar ieders tevredenheid de gemeentezang heeft begeleid, maar die moet plaatsmaken voor de niet bijzonder getalenteerde twaalfjarige dochter van de nieuwe predikant. De organist is geen lid, maar wel betrokken bij de gemeente en bovendien rechtstreeks door dat besluit getroffen, terwijl ook heel voorstelbaar is dat hij daarin niet zomaar wil berusten. Voor dat soort situaties van onrecht biedt artikel 1.4 een opening. Niet voor de RD-lezer - lid van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland - die, hoogst verontrust door wat hij in zijn dagblad leest over het besluit van de kerkenraad van de CGK te X om de HSV in de eredienst te gaan gebruiken, appel instelt tegen dat besluit.

Ik vraag, ten slotte, nog aandacht voor het begrip “verweerder” (1.6). De kerkelijke vergadering die het primaire besluit neemt waartegen appel wordt ingesteld, is de verweerder. Dat zal meestal de kerkenraad en soms de classis zijn, af en toe ook de GS. Het gaat dan om de kerkelijke vergadering die het primaire besluit heeft genomen. Die kerkelijke vergadering blijft de gehele procedure verweerder. Dus ook wanneer er na het appelbesluit opnieuw in appel wordt gegaan. Dat is een verschil met vroeger, toen de kerkelijke vergadering die het appelbesluit nam verweerder werd als tegen dat appelbesluit appel werd ingesteld. Om het concreet te maken. Broeder B(ezwaard) komt bij de classis in appel tegen het besluit van zijn kerkenraad. Hij krijgt bij de classis ongelijk en gaat naar de PS. Bij de classis is de kerkenraad de verweerder. Onder de oude regeling viel de kerkenraad in de procedure bij de PS weg. De classis werd in die procedure verweerder. Dat is niet meer zo; de kerkenraad blijft verweerder en moet in de gelegenheid worden gesteld in de procedure bij de GS zijn mening te geven (9.4). Het is belangrijk daar als scriba van de roepende kerk van een GS opmerkzaam op te zijn (als afgevaardigde naar een PS waar een appelprocedure speelt trouwens ook).

REIKWIJDTE

In artikel 2 is beschreven voor welke kerkelijke procedures de appelregeling geldt. Het antwoord kan kort zijn: voor alle appelprocedures bij classis, PS en GS (2.1), ook wanneer het gaat over de uitoefening van de kerkelijke tucht of de positie van ambtsdragers (2.2). Ten slotte geldt de regeling ook voor revisieverzoeken.

VOORKOMEN IS BETER DAN GENEZEN

Als het tot een appelprocedure komt, zijn er eigenlijk alleen maar verliezers, hoe het appelbesluit ook uitpakt. Daarom is het maar beter om te proberen een appelprocedure te voorkomen. Natuurlijk kun je als kerkenraad niet alleen maar besluiten nemen waarmee iedereen het eens is. In veel appelprocedures gaat het echter, leert de praktijk, niet eens zozeer om wat er is besloten, maar om hoe het is besloten. De appellant voelde zich niet serieus genomen en/of niet gehoord. Artikel 3 bevat een aantal regels voor de totstandkoming van besluiten. De bedoeling van die regels is te bevorderen dat besluiten zorgvuldig tot stand komen, zodat het in de appelprocedure niet meer hoeft te gaan over het hoe van het besluit, maar over het wat, over de inhoud in plaats van over de procedure. Eigenlijk zijn het heel voor de hand liggende regels. Je hoeft geen jurist of kerkrechtdeskundige te zijn om ze te verzinnen. Toch wordt er in de praktijk lang niet altijd de hand aan gehouden. Laten we de regels eens wat nader bezien. Kerkelijke vergaderingen moeten hun besluiten nemen na goede voorbereiding en met verwerking van vroegere besluitvorming (3.1). Dus, geen overhaaste beslissingen. Daar komen vaak problemen uit voort. De regel “eerst tot tien tellen voor je wat besluit” geldt ook voor kerkelijke vergaderingen. En, het is ook wel zo verstandig om na te gaan of er over het onderwerp van het besluit al niet eerder wat besloten is. En als dat zo is, of een nieuw besluit dan wel nodig is, dan wel waarom het anders zou moeten uitvallen. Als het gaat om besluiten over ambtsdragers die nadelig zijn voor die ambtsdragers (een besluit tot schorsing bijvoorbeeld), moet de ambtsdrager in de gelegenheid worden gesteld zich over het voornemen tot dat besluit uit te laten (3.2). Hetzelfde geldt voor besluiten betreffende de uitoefening van de kerkelijke tucht. Deze regel vloeit voort uit het in het vorige artikel besproken kernbeginsel van hoor en wederhoor. Ingrijpende maatregelen neem je niet zonder degene die het aangaat te hebben gehoord, of in de gelegenheid te hebben gesteld zich te doen horen. Op die manier wordt ook voorkomen dat wordt besloten op basis van eenzijdige informatie. Schending van de in artikel 3.2 neergelegde regel zal er in de meeste gevallen toe leiden dat het besluit niet in stand kan blijven. De kerkelijke vergadering zal zijn werk opnieuw moeten doen en de betrokkene alsnog moeten horen alvorens te beslissen.

VOORUITBLIK

In een volgend artikel komt - eindelijk - de appelprocedure zelf aan de orde. Hoe kom je in appel, aan welke vereisten moet een appelschrijven voldoen en wat moet de kerkenraad van de roepende kerk/het moderamen van de kerkelijke vergadering doen om de behandeling van een appel vlot te laten verlopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.