+ Meer informatie

De Nadere Reformatie

4 minuten leestijd

(V).

De Utrechtse Universiteit

We hebben reeds gezien, dat de Nadere Reformatie in Nederland geen correctie op de Reformatie was, maar de consequentie van de Reformatie.

Dr. H. Berkhof is er dan ook naast, wanneer hij bij de beoordeling van „het ontspoorde Piëtisme" (dat van de 18e eeuw) opmerkt, dat „dit Piëtisme mijlenver van Calvijn afstaat, maar zich helaas op sommige uitdrukkingen in de Dordtse Leerregels kan beroepen." *) Terecht heeft Dr. O. C. Broek Roelofs erop gewezen, dat „deze uitspraak berust op miskenning van de geloofswaarheid in de bedoelde Canones." 2 )

De Nadere Reformatoren hebben integendeel Calvijn heel goed begrepen door emst te maken met de Persoon en het werk van de Heilige Geest.

Ze hebben in praktijk gebracht, hetgeen de Dordtse vaderen bedoelden in de „Canones", inzonderheid in hoofdstuk I, artikel XII, dat spreekt van de vruchten der verkiezing als kenmerken des geloofs.

Trouwens, op de Dordtse Synode was al gesproken over de noodzaak, dat de toekomstige predikanten de praktische theologie leerden beoefenen. „Tot wekken eynde te wenschen ware dat in de Collegien ende Academien den jongelingen de Theologia Practica gheleert wierde, ende van verscheyde ghelegentheden der conscientien onderricht." Ze bedoelden, dat er eenheid moest zijn tussen dogmatiek, ethiek en mystiek.

De wens van de Dordtse Synode is in Voetius en de Utrechtse Universiteit vervuld geworden. Voetius werd de geestelijke vader en Utrecht het brandpunt van het Nederlandse Piëtisme. Er werd ijverig gestudeerd in de Domstad, maar daarnaast werd aan de praktijk van het geloofsleven alle aandacht besteed.

Jodocus van Lodenstein, Voetius' grote discipel heeft daarover vrij uitvoerig geschreven in zijn „Twee samenspraken over het geheel van Ds. Jacobus Koelman". 3) Het volgende citaat mogen we onze lezers niet onthouden:

„Nu een 30 a 40 jaren herwaarts heeft het den Heere behaagt, al wat bysonders aan die Kercke daar (te Utrecht) te doen. Na de Academie daar opgeregt is geweest, en is daar niet alleen de Gereformeerde waarheid meer klaar, overtuygende en seer overvloedig geleert geweest, in so veele publijcke en particuliere onderwijsingen, maar insonderheyd is daar de practijcke der Godtsaligheyd, die door den vleeschelijcken gereformeerde door den band versuymd, ja wel tegengelopen werd, opgeregtet end' als op den throon gestelt. Want als verscheydene vrome leeraren in den lande, dat wanschapen gebreck in de kercke siende, daar elc in haare plaatsen sig met ernst tegenstelden, so met woorden als met schriften en deselve daar over tegengelopen wierden, ja uytgemaackt, alsof sij wat nieuws in 't hooft hadden —

so dirigeerde het de Heere Godt, also dat Ds. Gisbertus Voetius, een man, aan wiens rechtsinnigheyd niet te twijfelen en was, aldaar Professor geroepen sijnde, die goede sake niet alleen toestemde, maar ooek in Kerck en hooge Schoole, door predicatiën, lessen ende collegien inplantede en sijn werck makende om de praktijksehe Gods-geleertheyd in forme van een lichaam der leere meer en meer op te toijen en te volmaken, plantende bij deselve magtig voort, niet alleen onder 't volck door predicatiën en veelvuldighe catechisatien, die hij daartoe aanstelde, maar oock onder de jonge studenten, die daar mede doorweyckt sijnde, sig 't gansche land door verspreijdeden."

We hebben gemeend dit lange en ingewikkelde citaat in z'n geheel te moeten weergeven, omdat het in een paar zinnen de hele Nadere Reformatie belicht. Hier spraken niet wat eenvoudige vromen, opgesloten in hun conventikels, hier waren wetenschappelijk gevormde mensen aan het woord, allen onverdacht orthodox in de leer.

Uit het bovenstaande kunnen we dus opmaken, dat het bepaald niet iets nieuws is onder de zon, wanneer de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking zoveel tegenstand ontmoet. Een bewijs te méér voor het feit, dat ook in de Kerk van drie eeuwen geleden niet alles goud was, wat er blonk.

Maar tevens blijkt eruit, hoeveel waarde onze vaderen gehecht hebben aan de wetenschappelijke opleiding van de predikanten. Wat een moeite doet van Lodenstein om te bewijzen dat het piëtisme niet iets nieuws, dat Voetius onverdacht rechtzinnig en dat de Utrechtse Universiteit zuiver-gereformeerd was.

Volkomen terecht zegt Goeters dan ook, dat het Nederlandse Piëtisme „die kirchliche Reformpartei" (de kerkelijke Reformatie-partij) genoemd mag worden. En de honderden candidaten die door Voetius klaargemaakt, de Utrechtse Hogeschool verlieten, hebben de praktische godgeleerdheid alom in het land uitgedragen.


1) Dr. H. Berkhof, Geschiedenis der Kerk, 2de druk, blz. 259.

2 ) Dr. O. C. Broek Roelofs, Wilhelmus Baudartius, dissertatie V.U. 1947, stelling 16.

s ) Jod. v. Lodenstein, Twee samenspraken over 't geval van D. Jac. Koelman, enz. Amst. 1679, blz. 23.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.