+ Meer informatie

“….EN VERHINDERT ZE NIET…”

10 minuten leestijd

Kinderen in de gemeente, kinderen in de kerk: vergis ik me als ik denk dat dit thema niet vaak een plaats heeft in onze ambtelijke bezinning? Onlangs kreeg ik een vraag om studiemateriaal over dit onderwerp. Ik heb toen met het oog daarop ook de registers van ‘Ambtelijk Contact’ eens nagekeken. Er waren wel heel wat titels te vinden die betrekking hadden op jongeren in de kerk. Maar een artikel dat specifiek over de kinderen ging heb ik niet ontdekt. Is dat niet een grote lacune? Voor mijn gevoel heeft in onze tijd bezinning op de plaats van de kinderen een hoge urgentie. Met dit artikeltje zou ik daartoe een aanzet willen geven.

In de Bijbel, het Woord van God, zijn kinderen bijzonder belangrijk. Denk alleen maar aan het bekende woord van Jezus uit dit gedeelte van de evangeliën waar ook in het doopformulier naar verwezen wordt: Jezus die de kinderen zegent, nadat Hij gezegd heeft: ‘Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet’ (Luc. 18: 15-17)!

Hier wil ik de aandacht vestigen op twee andere Schriftgedeelten, onderling heel verschillend, maar in twee opzichten met elkaar overeenkomend. In de eerste plaats brengen ze ons allebei in Jeruzalem, in de tempel of in de nabijheid daarvan, dicht bij het hart van de dienst van God in Israël. En de tweede overeenkomst is dat in beide gedeelten kinderen worden genoemd. Ik doel op Nehemia 8: 1 t/m 7 en Matteus 21: 12 t/m 16.

Om met het laatstgenoemde gedeelte te beginnen: ook daarin komt Jezus - evenals bij de zegening van de kinderen - op voor de plaats van de kinderen temidden van Zijn volk. Het is vlak na de intocht in Jeruzalem, waarbij een grote menigte Hem heeft toegezongen: ‘Hosanna de Zoon van David, gezegend is Hij die komt in de naam des Heren! Hosanna in de hoogste hemelen!’ (vs. 9).

Maar van heel die uitbundige hulde is weinig meer over. Van de enthousiaste massa horen we niets meer. En typerend is wat er dan staat in vers 14: ‘er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in de tempel en Hij genas hen’. Gehandicapten, mensen die door degenen die gezond zijn al gauw als onvolwaardig worden gezien en aan wie in Israël de toegang tot de tempel ontzegd was, zij vormen nu het volk dat tot Jezus komt en waarin Hij Zich verheerlijkt.

En daar voegen zich dan in vers 15 de kinderen bij. Kinderen die door veel volwassenen ook al beschouwd worden als nog onvolwaardige mensen. Zij zijn het die op hun kinderlijke manier de lofzang gaande houden: ‘Hosanna de Zoon van David!’

Maar dan zijn daar de overpriesters en Schriftgeleerden die zich ergeren en die willen dat Jezus er iets aan doet.

Waarom willen ze dat? Omdat ze het maar rommelig vinden, dat geroep van kinderen in de tempel? Zo reageren kerkmensen in deze tijd nogal eens wanneer kinderen in de kerk op hun manier laten merken dat ze er zijn. Het is zo rommelig. Kinderen moeten in de kerk vooral stilzitten en stil zijn. Ze mogen er wel bij zijn, maar we willen het niet merken. Dan neem je de kinderen en hun aanwezigheid dus niet serieus.

Maar bij de overpriesters en Schriftgeleerden is iets anders aan de hand.

Zij nemen de kinderen en hun lied zeer serieus. Maar ze keren zich er fel tégen, want wat deze kinderen doen is in hun ogen niet minder dan een betoging houden voor Jezus als de Messias. En dat Jezus de Messias is, mag niet waar zijn - daarom willen ze dat Hij zijn onmiskenbare invloed zal gebruiken om een eind te maken aan wat de kinderen doen.

Maar Jezus doet juist het tegenovergestelde, Hij legitimeert, Hij wettigt het optreden van de kinderen met een beroep op Psalm 8: ‘Hebt ge nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof bereid?’

Daarmee geeft Jezus in de eerste plaats aan Zichzelf de plaats die Hem toekomt. Het eerbetoon dat naar Psalm 8 aan God wordt gebracht komt ook toe aan Hem, want Hij is inderdaad de Messias, de Zoon van God. De kinderen hebben gelijk met hun lied.

Maar daarmee geeft Jezus dan tegelijk aan die kinderen de plaats die hun van Godswege toekomt. Want de God van Israël is een God die temidden van het volk dat Hem lof bereidt, een ereplaats geeft aan wie zwak en gering zijn, en daarom ook aan de kinderen. Hij wil geprezen zijn uit de kindermond. En door zijn ‘vreemde’ voorkeur voor kreupelen, blinden en kinderen laat Jezus zien dat in Hem werkelijk de God van Israël onder de mensen is verschenen. Wie mogen er horen bij Zijn volk? Die mensen die Hem niet hun kracht kunnen bieden, maar alleen hun zwakheid, hun onvermogen. En is dat niet voor ieder mens de enige weg tot behoud?

Wij kunnen alleen gered worden als mensen die zelf op geen enkele manier groot zijn, maar die het moeten hebben van de grote Christus - en daarom horen ook en juist de kinderen erbij. ‘Zij zijn evenzeer als de volwassenen in het verbond van God en in zijn gemeente begrepen’, zegt de catechismus (antw. 74).

Iemand die dat goed begrepen had, was de grote voorganger van de Schriftgeleerden uit Jezus’ dagen, namelijk Ezra. We lezen van hem in Nehemia 8 dat hij de wet voor de gemeente bracht. Er is sprake van een liturgie met Schriftuitleg, respons van de gemeente en aanbidding. En waaruit bestaat die verzamelde gemeente? ‘Zowel mannen als vrouwen en allen die verstandig waren, verstandig om te horen’ (vs. 3 en 4 SV). En met die laatste groep moeten wel bedoeld zijn de jongeren en kinderen, zij dus die nog niet volwassen waren, maar al wel konden verstaan, konden begrijpen wat er gezegd werd. Ook zij horen er bij als het Woord van God wordt gelezen en uitgelegd. ‘Zij die het begrijpen konden’ zegt de N.B.G.- vertaling 1951.

Voor mijn besef ligt daar een belangrijke vingerwijzing in voor onze tijd. Ik ga er daarbij van uit dat de uitleggers uit Nehemia 8 ook hebben gedaan wat ze konden, om de dingen zó te zeggen dat het voor deze groep zo begrijpelijk mogelijk was.

En zou dat niet iets zijn dat ook voor ons een bijzondere zorg moet zijn, juist in deze tijd? Een tijd waarin de omgeving, de wereld waarin onze kinderen en jongeren dagelijks verkeren, steeds meer ontdaan wordt van de invloeden van het evangelie en steeds meer doortrokken raakt van andere invloeden. Het is een wereld die we post-christelijk noemen, dat wil zeggen: die door het christelijk geloof is heengegaan en waarin de God van de Bijbel er voor het besef van velen niet meer werkelijk toe doet, zelfs wanneer men, zoals in de dit jaar gehouden boekenweek, weer de leus aanheft: Mijn God.

Maar moeten we dan juist in de kerk niet des te meer zorg hebben voor degenen die het begrijpen kunnen, de jongeren en de kinderen, zorg dat het evangelie met z’n rijkdom - voorzover het aan ons ligt - inderdaad zal landen in hun hart, hun denken, hun leefwereld? En hébben wij die zorg ook in voldoende mate?

Er klinken op dit punt veel verontruste geluiden. Een paar citaten die ik in de laatste maanden bij mijn lectuur plukte, uit verschillende richtingen, maar allemaal uit onverdacht rechtzinnige hoek.

- Er is onder jongeren sprake van een massaal vervreemdingsproces ten aanzien van de gereformeerde traditie (drs. O.G. Geluk in zijn boek ‘Traditie als beweging’, met instemming geciteerd door de (vrijg.) Geref. ds. K. van der Geest in Ned. Dagblad d.d. 17/12 ’96).

- De kerk reageert onvoldoende op het levensbesef van veel hedendaagse jongeren en geeft te weinig ondersteuning in het gevecht dat zij moeten voeren om als christenen in de samenleving te staan (ds. K. van der Geest, idem).

- Weet u dat 80% van de jongeren uit RD-kring graag luistert naar housemuziek? (hoofdredacteur Paul Meinders van Koers, geciteerd in ND d.d. 21/2 ’97).

- Als wij kinderen willen bereiken moet de gemeente uitstralen dat zij voor de jeugd belangrijk is. Daarvoor is nodig dat kinderen warmte, belangstelling en genegenheid van kerkmensen ervaren (prof. dr. W. ter Horst op een Driestar-symposium, geciteerd in ND d.d. 19/12 ’96).

- En een laatste citaat, uit een artikel van mevrouw J. Sneep-Oorbeek in De Wekker van 14/3 ’97: Er zijn zoveel voor ons bekende termen en uitdrukkingen, die voor een buitenstaander, maar ook voor onze kerkelijke jongeren, een onbekend begrip zijn en die geen inhoud voor hen hebben. Termen als zonde en genade… die heel belangrijk zijn… zouden we eens moeten omschrijven in hedendaagse taal…

Zijn dit geen vragen die volop onze aandacht moeten hebben? Ze zijn voornamelijk gesteld met het oog op de jongeren, maar ze gelden niet minder ten opzichte van de kinderen.

Gebleken is namelijk dat de leeftijd waarop meisjes en jongens innerlijk afhaken van kerk en geloof bij velen al niet meer ligt in de puberteit, maar daarvóór, op de leeftijd van een jaar of tien(!). (Gehoord tijdens het C.G.J.O-symposium over ‘Jeugdbeleid in de gemeente’ op 1/3 ’97).

Ik moet nog vaak denken aan de diaken uit een van onze Christelijke Gereformeerde Kerken die ik al een aantal jaren geleden hoorde vertellen hoe bezorgd hij was over z’n zoontje van 8 jaar die hij haast met geen mogelijkheid meer mee kon krijgen naar de kerk. En, zei hij er bij, als ik de kerkdienst probeer te beleven met zijn ogen en oren kan ik daar nog inkomen ook.

Zou het daarom niet erg nodig zijn dat wij - vanuit de vraag hoe wij aan kinderen die plaats geven die hun volgens de Schrift toekomt - ons kerkelijke en gemeentelijke leven nog eens goed nakijken? Dan denk ik aan ons woordgebruik, onze gewoonten, onze kerkzang en kerkmuziek. Maar niet minder aan de geestelijke atmosfeer in de kerk. Hoe gaan we met elkaar om, in de gemeente en op kerkelijke vergaderingen?

Is dat zó dat de jeugd kan aanvoelen - en jongeren en kinderen voelen scherp aan - : Hier heerst een Geest die anders is dan de geest van de wereld? In een wereld die steeds onherbergzamer wordt en steeds minder toekomstperspectief biedt is daar het huis van God (en dat is toch de gemeente en de kerk) als een schuilplaats in de wildernis, huis waarin Gods vrede is, waar ook de kinderen kunnen ervaren dat er liefde woont en blijdschap, maar waarin ze dan ook werkelijk als kinderen meetellen en mee mogen doen *)?

Zodat onze kerken voor jongeren én kinderen werkelijk een tehuis kunnen zijn, waarin ze niet verhinderd worden om tot Jezus te komen. Zodat ze - naar ons kijkend - heilig jaloers worden en gaan zeggen wat Ruth gezegd heeft tegen Naomi: ‘uw volk (kerk) is mijn volk, en uw God is mijn God’.

Drs. W. Steenbergen is predikant in ’s-Hertogenbosch.

*)Voor de duidelijkheid: ik denk hierbij niet aan het in andere kerken steeds meer gepractiseerde deelnemen van kinderen aan het heilig avondmaal; dat is ook voor mij principieel ‘een brug te ver’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.