+ Meer informatie

ONDERSCHEIDENLIJK PREKEN

10 minuten leestijd

Wat wordt eronder verstaan?

Het thema van dit artikel is voor de een onverteerbaar ouderwets en voor de ander noodzakelijk actueel. De redactie heeft het mij voorgelegd. Wat wordt met de titel bedoeld? Het gaat om preken waarin onderscheidingen voorkomen en onderscheid gemaakt wordt. Men kan voor dit onderscheid terecht in het proefschrift van dr. Brienen, die in de prediking van de Nadere Reformatie onderzocht heeft hoe er onderscheiden werd en welke onderscheidingen gehanteerd werden. De hoofdonderscheiding is die tussen wedergeborenen en onwedergeborenen. Binnen elk van beide groepen zijn nog weer nadere onderscheidingen aan te brengen. Ik noem nu van de eerste groep: de aan hun zonden ontdekten; toevluchtnemenden; in Christus gelovenden; gevorderden; verzegelden, zowel uitwendig als inwendig (blz. 269).

Het gaat, lijkt me, om twee dingen: In de eerste plaats om de tekening en herkenbaar- making van het verschil tussen gelovigen èn ongelovigen; wedergeborenen èn onwedergeborenen. Dit gebeurt opdat niemand zich bedriege voor de eeuwigheid.

Hiernaast wordt binnen beide groepen nog weer onderscheiden om hen te onderkennen in hun onderscheiden geestelijke houding; en opdat zij zichzelf herkennen èn verder geholpen kunnen worden. In verband met dit laatste zou ik van een pastoraal motief willen spreken. De predikant moet geestelijke leiding geven. Met het oog daarop moeten mensen opgezocht en aangesproken worden waar zij zich bevinden. Een prediker die voor die situatie en dat geestelijk adres geen oog heeft, loopt gevaar langs de mensen heen te preken. Dit pastorale motief werkt dus zowel naar de hoorder als naar de prediker. Beiden zijn gebaat met duidelijke onderscheidingen. De een kan gericht preken. De ander zal gericht geestelijk onderwijs ontvangen. Brienen heeft tegenstanders en voorstanders uit vroege en latere tijd beschreven. Men zie blz. 271-286. Onder de voorstanders rekent hij onder andere de bekende T. Hoekstra, G. Wisse en A. A. van Ruler. Ook al hebben deze corrigerende opmerkingen gemaakt, zij staan voor de zaak van onderscheidenlijk preken.

Het zal duidelijk zijn, dat kenmerken-prediking nauw verband houdt met onderscheidenlijke preken. Als het onderscheid wordt gemarkeerd, komen immers de kenmerken aan de orde, door welke elk van de beschreven posities of houdingen wordt gemarkeerd. Aan nog een aspect van het onderwerp moet aandacht worden gegeven. Dat is het feit dat onderscheidenlijk ook wel gebruikt wordt in verband met de prediking van wet en evangelie. Een zekere J.L. van Dierbach heeft een Voorrede geschreven bij de uitgave van de Keurstoffen van ds. B. Smytegelt (Amsterdam 1764). Daarin stelt hij dat de wet een zeer onderscheiden gebruik heeft ten opzichte van onbekeerden en bekeerden (blz. XIV). Hier wordt onderscheidenlijk in verband gebracht met de prediking van eerst de wet, die verbrijzelt en naar de genade begerig en voor de genade ontvankelijk maakt. En daarna de prediking van het evangelie voor hen, die daaraan behoefte hebben gekregen. De beloften van het evangelie moeten voornamelijk verkondigd worden aan de verloren zielen, die van tevoren door de wet overtuigd zijn van hun zonden en enigszins begerig gemaakt zijn naar de verlossing in Christus. Hier wordt het onderscheid tussen wet en evangelie overgebracht op de beleving van de hoorders. Zij moeten eerst het oordeel van de wet hebben aanvaard, zij moeten onder het juk van de wet zijn doorgegaan, alvorens een predikant met het evangelie bij hen mag komen. Zij zijn zelf niet eerder aan het evangelie toe, dan nadat zij het oordeel van de wet hebben aanvaard.

Het ligt voor de hand te zeggen dat ook deze opvatting over onderscheidenlijk preken iets te maken heeft met het voorgaande. De verbrijzeling door de wet is een noodzakelijk eerste kenmerk van hen, die in het evangelie leren geloven.

Op deze vulling van de term onderscheidenlijk preken ga ik nu niet dieper in. Ongeveer gelijk met dit artikel verschijnt van mijn hand een studie over Wet en Evangelie. In dit boek ben ik met name op de verhouding in de volgorde van wet en evangelie, ook voor de prediking dieper ingegaan. Wellicht doet de gelegenheid zich voor later ook in ons blad daarop terug te komen. Ik noemde deze opvatting om te voorkomen dat sommige lezers haar bij de behandeling van het thema zouden missen. Dan zouden ze de indruk kunnen krijgen dat het probleem als zodanig mij onbekend is of onverschillig laat. Dat is niet het geval.

Confessioneel geijkt

Het gaat mij nu verder om het onderscheid dat door de prediker gemaakt wordt tussen de hoorders in gelovigen en ongelovigen. Wie deze probleemstelling op zich laat inwerken, moet wel de vraag stellen of de prediker dat onderscheid maakt, dan wel of hij het aanwezige onderscheid benoemt. In het eerste geval is het onderscheid een schepping van zijn hand. In het laatste geval zoekt hij naar woorden die een bestaande feitelijkheid omschrijven; wil men: benoemen.

Voor mij is het duidelijk dat onderscheidenlijk preken geen recht van bestaan heeft, als het plaatsvindt bij de gratie van een door de prediker ontworpen en aan de gemeente opgedrukte en opgedrongen creatie.

Slechts als het onderscheid een feitelijk gegeven is, waarop de prediker stuit en waarmee hij rekenen moet, dan is onderscheidenlijk preken geoorloofd.

Het centrale onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen komt in de Catechismus onder andere ter sprake in zondag 31. Het gaat daar uitgerekend over de prediking, als de bediening van de sleutels van het hemelrijk. Ik behoef niet heel antwoord 84 over te schrijven. Ik vermeld alleen dat daar gezegd wordt dat het hemelrijk ontsloten wordt, zo dikwijls als de gelovige de beloften van het evangelie met een waar geloof aanneemt; het wordt toegesloten voor ongelovigen en die zich niet van harte bekeren. Met dit antwoord is het aanbrengen van onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen in de prediking een confessioneel geijkt gegeven. De reformatorische opvatting over de prediking als het bedienen van de sleutels van het Koninkrijk der hemelen, brengt mee dat er over geloof en ongeloof wordt gesproken. Dat is niet een zaak van de predikant, die het onderscheid aan de gemeente opdringt. De beloften van het evangelie moeten gepredikt worden met bevel van bekering en geloof (Leerregels II, 5). Ik noem er slechts enkele: Johannes 3 : 16 èn 36; Mattheüs 7 : 21,23 en Lucas 13 : 23-30. Bekend is ook het onderscheid dat we in Psalm 1 aantreffen: De twee wegen. Het is opmerkelijk dat dit de eerste is uit de bundel psalmen. Hij heeft iets van toonzetting.

Geloof en ongeloof, bekeerd en onbekeerd, levend uit de Geest of naar het vlees - dat is het verschil, dat voor de eeuwigheid beslissend is. Het is nodig dat dit onderscheid in de prediking doorklinkt. De conclusie met betrekking tot de hoorder moet ieder zelf maken. Wel moet duidelijk gemaakt worden, wat een waar geloof is en wat het betekent zich van harte tot God te bekeren. Er is kennelijk ook iets dat op geloof lijkt, en het niet is. Er is kennelijk ook iets dat op bekering lijkt, maar waarin het hart niet meekomt.

Juist vanuit de tekst moeten geloof en bekering in hun functioneren duidelijk gemaakt worden. In het verleden is over bekering en geloof gesproken, los van de tekst die bepreekt werd. Het ging dan om een onderwerp of hoofdstuk uit de praktische godgeleerdheid. Dat hoofdstuk leidde een leven op zichzelf. Het werd telkens herhaald. De relatie met de uitleg van de Schrift was doorbroken. Dit zijn misvattingen en tegelijk karikaturen van het onderscheidenlijk preken over een tekst.

Met nadruk neem ik het op voor onderscheidenlijk preken, zoals daarover vanuit de Schrift en de belijdenis werd geschreven. Het is niet slechts confessioneel gelegitimeerd. Het is zelfs een confessioneel vereiste manier van preken. Hierbij moge wel opgemerkt worden, dat dit onderscheid niet telkens op dezelfde wijze en in dezelfde bewoordingen gemaakt moet worden. Dan krijgt het iets van een voorgeschreven schema dat over de tekst wordt heengelegd en haar tot zwijgen brengt. Onderscheidenlijk preken moet juist het functioneren van de tekst in het leven van de hoorder dienen en bevorderen. Ik wijs een schema in dit opzicht af, maar pleit voor de zaak.

„Ervaring in de prediking”

Moeten we nog verder gaan? Moeten er ook onderscheiden situaties en gradaties in het geloofsleven ter sprake gebracht worden? Ook nu zou ik naar de Leerregels willen wijzen. Met name in hoofdstuk V treffen we een beschrijving van belevingen aan, die in de prediking plaats mogen krijgen. Ik noem nu slechts: „Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven de Heilige Geest, verbreken voor een tijd de oefening van het geloof, verwonden zwaarlijk hun consciëntie, en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt” (V, 5). In artikel 9 wordt over „de mate des geloofs” gesproken. In artikel 11 over de onderscheiden twijfelingen des vieses, de zware aanvechting, het (niet altijd gevoelen van) volle betrouwen des geloofs en de zekerheid der volharding. In artikel 2 wordt gesproken over de heilige oefeningen der godvruchtigheid, in artikel 3 over de overblijfselen der inwonende zonde. In artikel 13 wordt gezegd dat de aanschouwing van het aanschijn van de verzoenende God de Godvruchtigen zoeter is dan het leven en de verberging ervan bitterder is dan de dood. Men leze heel dit hoofdstuk. Men kan ook denken aan de verschillende benamingen die Ezechiël gebruikt in hoofdstuk 34. Bucer heeft over deze verschillende schapen zeer pastoraal geschreven. Daarvoor zij verwezen naar het boekje van K. Exalto „Een pastorale gemeente” (Apeldoorn 1986). Achtereenvolgens wordt gehandeld over de verloren, de dwalende, de gekwetste of gewonde schapen, de zwakke, de gezonde en de sterke schapen. Het is goed om van tijd tot tijd een dergelijke onderscheiding aan te brengen, zonder dat men van deze verdeling een principe of een must maakt. Het onderscheiden van deze verschillende situaties getuigt in elk geval van een pastorale benadering in de prediking.

Deze onderwerpen, als tekening van ervaring (positief en negatief) moeten in de prediking aan de orde komen. Dat moet niet primair gebeuren om de mensen geestelijk te portretteren en zo zich in hun eigen beeld (= albeelding) te doen verlustigen. Dat ware een vorm van geestelijk narcisme. Ze moeten wel ter sprake worden gebracht om mensen te helpen, te bemoedigen, te vermanen, aan te sporen en terecht te wijzen. Wie dat moet doen, dient van de situaties, beter nog: van de ervaringen iets af te weten.

Ik zou dit gedeelte niet willen onderbrengen bij de titel: onderscheidenlijk preken. Die titel zou immers tezeer de nadruk leggen op onderscheiden fasen in het leven van mensen. Het zou duiden op allerlei te fixeren stadia die een mens doorloopt, voordat hij geestelijk geheel gerijpt is. Zulk een benadering heeft algauw iets van een schema waarin de hele ontwikkeling vastgelegd wordt. Dat schematische lijkt mij niet juist. Dat de predikant in moet gaan op onderscheiden ervaringen en mensen verder moet (trachten) te helpen, is voor mij duidelijk in het licht van hoofdstuk V van de Leerregels. Ik meen dat dit geheel is in de traditie, die de hoogleraren Wisse, Van der Meiden en Kremer wilden voortzetten.

Is het terecht om in de prediking plaats in te ruimen voor ervaring? Onlangs had ik het genoegen op uitnodiging van „Voetius” in Utrecht over dit thema te spreken. Daar heb ik het goed recht van „ervaring in prediking” bepleit. Daarbij moet gezegd worden dat dit alleen binnen een voluit gereformeerde predikkunde geoorloofd is. Wie haar in een modern kader bepleit, brengt de ervaring ter sprake, niet als ervaring van de waarheid, maar als ervaring om de waarheid tot stand te brengen. Dat kan heel „bevindelijk” klinken. Het is echter een heel andere ervaring dan welke de Leerregels voor ogen staat. Deze lezing verschijnt (ongeveer gelijk met dit artikel) in Theologica Reformata. Ik moge daarheen verwijzen.

Ervaring in de prediking is geen contrabande! Geen subjectivistische versmalling van het Woord. Zij is aanduiding van de werkzaamheid van het Woord, van het betrokken zijn van de mens bij het evangelie. Zonder die betrokkenheid kan het niet. Dat is de eigenlijke kern van het onderwerp: onderscheidenlijk preken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.