+ Meer informatie

DE POSITIE VAN DE VROUW IN DE KERK

Referaat van prof. dr. W. VAN 'T SPIJKER

45 minuten leestijd

1. De rectorale rede van prof. J. Hovius in 1950

Ruim tweeëndertig jaren geleden droeg prof. J. Hovius het rectoraat over, nadat hij een rede had uitgesproken over de zaak die ons nu bezig zal houden. Hij deed dit onder de titel: De positie van de vrouw in Christus’ kerk (Sneek, z.j.). Dat wij ons opnieuw in dit onderwerp verdiepen vindt zijn oorzaak niet in enige onduidelijkheid die in het betoog van de toenmalige rector zou zijn aan te wijzen. De hoofdinhoud ervan mag ik hier bekend achten. Toch wil ik met een enkel woord de lijn van zijn denken schetsen. „De positie van de vrouw vóór de komst van Christus wordt principieel bepaald door scheppingsordinantie en zondeval” (5). In de schepping staat de vrouw volkomen gelijkwaardig naast de man, ofschoon er van een door God gewilde rangorde sprake is. Maar na de val wordt de vrouw van gelijkwaardige helpster tot onderdaan van de man gedegradeerd. In de geschiedenis ziet men de vernedering die over haar is gekomen. In Israël echter laat zich de werking der goddelijke genade bespeuren. De vrouw is in religieus opzicht hoger gewaardeerd bij Israël dan bij de andere volken. Met de komst van Christus verandert de plaats van de vrouw wezenlijk. In opzettelijke en duidelijke tegenspraak met de rabbijnen, heeft Christus, wat de verhouding tot God aangaat, mannen en vrouwen gelijk gesteld. Na de Pinksterdag is er sprake van een religieuze gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en wanneer wij de gegevens uit het Nieuwe Testament overzien, blijkt dat de discipelen naar het voorbeeld van Christus aan de vrouw een plaats hebben gegeven, die haar toekomt. Paulus zou nimmer in zijn brieven met zo veel eerbeid over het werk van vrouwen in de arbeid van het evangelie hebben kunnen spreken, wanneer hij nog uit de rabbijnse traditie had geleefd. Hij heeft ze niet willen terugdringen achter de zware muur van huiselijke plichten, waarachter zij eeuwenlang opgesloten waren geweest (12). In de kwestie van de positie van de vrouw zijn Paulus en de andere apostelen goede leerlingen van Christus geweest, met zijn Geest vervuld en door zijn Geest onderwezen.

Maar déze verheffing van de vrouw betekent niet dat zij voortaan op alle terreinen met de man gelijkgeschakeld wordt. Het verlossingswerk betekent geen omverwerping van de scheppingsordinanties. Het is integendeel redding en heiliging van het scheppingswerk. Dit geldt het huwelijk, het geldt ook de plaats van de vrouw in de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap der heiligen, de kerk des Heren. Wat het wezenlijke van het behoren tot de gemeente betreft, geldt van beiden hetzelfde: de vrouw staat niet achter bij de man, zij heeft in dezelfde mate als de man een profetische, priesterlijke en koninklijke roeping te betrachten. Zij deelt in dezelfde genade en staat wat dit betreft ook in hetzelfde ambt als de man. Wat het bijkomstige betreft is er wèl sprake van een verschil. Dit bijkomstige of accidentele heeft voornamelijk betrekking op de organisatie van de kerk en op het werk tot uitbreiding van Gods koninkrijk. In dit accidentele handhaaft God de rangorde van zijn scheppingsordinanties. Wie het Nieuwe Testament goed leest, zal daarin opmerken, dat de Here aan mannen de leiding van zijn kerk heeft toevertrouwd. Met nadruk wordt zelfs verboden aan de vrouwen om een Ieidinggevende positie in te nemen. Volgens de apostel hebben de vrouwen in de gemeente te zwijgen: ik laat niet toe, dat de vrouw lere noch over de man heerse, maar wil dat zij in stilheid zal zijn. Wanneer er in 1 Cor. wel sprake is van bidden en profeteren van de vrouw wijst dit op wat in het openbaar, maar daarom nog niet in de gemeente plaats vindt. Men kan niet bewijzen dat vrouwen in de tijd van het Nieuwe Testament een ambt hebben bekleed. Op de bodem van dit vraagstuk ligt feitelijk het Schriftvraagstuk (18). Wil men zeggen, dat Christus en de apostelen eenvoudig kinderen van hun tijd waren en dat zij het daarom niet verstandig achtten om de emancipatie van de vrouw te sterk te forceren, dan laat men feitelijk het normatieve gezag van de Schrift los, het wordt prijsgegeven of volkomen gerelativeerd. Ook voorstanders van een toelating van de vrouw tot het bijzondere ambt geven toe, dat het woord van de apostel het verbiedt. Het gaat hier om de geldigheid en draagwijdte van een bepaalde apostolische verordening. In het bijkomstige, of accidentele mogen vrouwen niet staan op dezelfde plaats als mannen. Maar wat het essentiële betreft kan het werk van vrouwen van de grootste betekenis zijn. In de begintijd van de kerk hebben vrouwen allerlei hulpdiensten verricht. De kracht van het jonge christendom is juist in vele vrouwen gebleken (19). Allerlei oorzaken hebben er toe geleid dat deze hulpdiensten van de vrouw teruggedrongen werden. In de middeleeuwen is het alles ver beneden de maat gebleven maar door de Reformatie kwam er een keer ten goede, er kwam eerherstel voor de vrouw. Bij de dienst der barmhartigheid hebben de gereformeerde kerken de vrouw weer ingeschakeld, ofschoon men slechts bij hoge uitzondering van het ambt van diaconessen wilde spreken.

Conclusie is, dat in de bijkomstige dingen de vrouw niet gelijkberechtigd naast de man zou staan. De scheppingsorde impliceert, dat onze kerken de vrouwen nimmer mogen toelaten tot het bijzondere ambt van predikant, van ouderling en diaken. Hier beslist alleen de Schrift. Maar dit betekent geenszins dat de kerken de vrouw niet veel meer kunnen inschakelen in velerlei arbeid. Juist vanwege de wezenlijke eenheid die er is mag het charisma dat aan vele vrouwen is gegeven niet ongebruikt blijven. Vooral in het werk der barmhartigheid zullen de kerken veel meer de vrouw dienen te mobiliseren. Het regeren van de kerk behoort tot het accidentele, vandaar dat de vrouw niet toegelaten kan worden tot het bijzondere ambt, waarmee ook in verband staat de afwijzing van het vrouwenkiesrecht als een daad van positief reageren. Overigens zullen de vrouwen veel meer kunnen worden ingeschakeld dan tot dusverre geschiedt. Van het laatste worden dan vele voorbeelden gegeven.

Het is een interessante vraag, of prof. Hovius de dingen vandaag op dezelfde manier geformuleerd zou hebben. Maar ik neem niet aan dat zijn standpunt veranderd zou zijn. Het is naar zijn volle overtuiging gefundeerd in de Schrift, die duidelijk spreekt.

2. Een veranderde situatie

Intussen hebben wij met een totaal veranderde situatie te maken gekregen. Niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten zijn er vele kerken geweest die de ambten hebben opengesteld voor de vrouw. In 1966 besloot de Nederlands Hervormde Kerk daartoe, nadat men reeds in 1950 een studierapport had laten verschijnen. Een minderheid sprak toen wel uit dat men op grond van de Schrift niet voor toelating van de vrouw tot het ambt zou kunnen zijn, maar dat in zeer bijzondere gevallen, naar het oordeel der kerk anders zou kunnen worden beslist.

In 1967 besloten de Gereformeerde Kerken op hun synode van Amsterdam om „op grond van de gebleken behoefte aan de dienst van de vrouw in het ambt voor de opbouw van de gemeente en in aanmerking genomen dat er geen afdoende gronden aan bepaalde Schriftgedeelten vallen te ontlenen om in het algemeen aan de vrouw een plaats in diverse ambten van de kerk te ontzeggen, de ambten voor de vrouw open te stellen en haar daarin een volwaardige plaats te verlenen met een voor haar geëigende taak”. Wèl moest daarvoor eerst een verandering tot stand worden gebracht in de kerkorde, terwijl men daarnaast over de zaak contact wenste te houden met de kerken van de Gereformeerde Oecumenische Synode. Maar in principe werden de ambten voor de vrouw opengesteld. De volgende uitspraken deed de synode (Acta 1965/66, artikel 368):

a. de Geest van Christus herstelt de vrouw geheel in haar volwaardige positie als mens Gods (Gal. 3 : 28) en integreert haar als zodanig volkomen in het dienstwerk tot opbouw van de gemeente;

b. het kan een verschraling van het leven van de gemeente betekenen, wanneer de aan de vrouw tot welzijn van allen verleende genadegaven bij de institutaire opbouw van de kerk verwaarloosd zouden blijven;

c. met de haar geschonken gaven mag de vrouw medewerken in de ambtelijke dienst, zoals deze in zijn geheel tot leiding van de gemeente is geroepen;

d. bij de opening van de toegang tot het ambt voor de vrouw dient haar een volwaardige plaats naast de man te worden ingeruimd overeenkomstig het beginsel van wederzijds aanvullend deelgenootschap in een gezamenlijke taak.

In de discussie die aan dit besluit vooraf ging waren verschillende bezwaren geopperd. Opgemerkt werd, dat het vreemd zou zijn, dat de kerk eerst nu de juiste bedoeling van de Schrift op dit punt zou hebben verstaan. De manier waarop gesproken werd over tijdgebondenheid van bepaalde teksten riep bevreemding op. In ieder geval zou duidelijk gemaakt moeten worden waarin die tijdgebondenheid dan bestond.

Prof. H.N. Ridderbos wees er op dat er bepaalde uitspraken zijn waaraan men niet mag voorbijgaan en noemde daarbij vooral 1 Tim. 2 : 11-15: Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid laten onderrichten, maar ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd en daarna Eva. In deze kerkorde (Ridderbos sprak van „een soort eerste kerkorde”) wordt verband gelegd met de schepping. Daarom kan men niet zeggen, dat Paulus in zijn spreken over de schepping niet los staat van de cultuuropvattingen van zijn tijd. Als men op deze manier iets van de Schriftgegevens gaat afdingen, waar is dan de grens?

Het verdient opmerking dat er op de synode van 1967 nog sprake was van een zekere „differentiatie” binnen de ambten, zodat de vrouw alleen dàn zou kunnen functioneren wanneer zij daarbij „een voor haar geëigende taak” had te vervullen. Maar dit aanbrengen van een zekere nuancering werd in 1969 min of meer losgelaten. Slechts was een mogelijk huwelijk van de vrouwelijke predikant nog onderwerp van discussie, en ook werd vastgesteld dat aan de vrouw „in de regel een bijzondere opdracht” zou worden gegeven (Acta 1969/70, artikel 198). Maar de gang van zaken in de latere jaren toont aan dat deze beperkingen wegvielen, zodat op dit moment nauwelijks nog van verschil tussen mannelijke en vrouwelijke ambtsdragers gerept wordt.

Van het overleg met de Gereformeerde Oecumenische synode is niet veel gekomen. In 1972 werd over de zaak een belangrijk rapport ingediend. Reeds in 1963 werd de kwestie aan de orde gesteld. Zoals het gaat: een commissie werd benoemd, die in 1968 rapporteerde, waarbij de vrouwelijke diaken mogelijk werd geacht. Maar de synode was toen van oordeel, dat de gehele kwestie van de ambten in de gemeente een bredere studie verdiende. Zo kwam er een rapport, waarin de gehele ambtsgedachte in de Schrift werd onderzocht. Het commissierapport vatte een en ander samen:

„Met betrekking tot de dienst van de vrouw in de kerk moeten deze drie bijbelse waarheden in onderling verband worden vastgehouden:

1. „Er is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk, want gij zijt één in Christus Jezus”. Mannelijk en vrouwelijk staan voor Christus gelijk.

2. Vrouwen zijn naar de scheppingsorde onderworpen aan de man in huis en in de kerk, en zijn daarom uitgesloten van het ambt van regerende en predikende ouderlingen (Eph. 5 : 22, 1 Tim. 2 : 11-15; 1 Cor. 14 : 33b-37; verg. 1 Tim. 3 : 4, 5).

3. Vrouwen hebben een unieke functie te vervullen in de diakonale taak van de kerk en in passende onderwijssituaties (1 Tim. 3:11; 5:9, 10 vv.; Titus 2 :3, 4; Rom. 16:1)”.

In overeenstemming met deze drie bijbelse waarheden werden nu de volgende uitspraken gedaan: Het is de leer van de Schrift, dat vrouwen zijn uitgesloten van het ambt van ouderling en predikant. Met betrekking tot het diakenambt werd gezegd, dat er niet een afdoende duidelijkheid was, om een verantwoorde beslissing te nemen, voor of tegen het toelaten van de vrouw tot het diakenambt. Daarom werd opnieuw het besluit van 1968 bevestigd, dat de ledenkerken behoedzaam zouden zijn in het voortschrijden in deze richting. Iedere kerk moest derhalve een eigen verantwoorde beslissing dienaangaande nemen.

Op de synode van Kaapstad kwam de kwestie slechts zijdelings ter tafel. De Nederduits Gereformeerde Zendingskerk rapporteerde dat zij geen vrouwelijke diakenen, ouderlingen of dienaren kende, maar dat het bij hen gebruikelijk was dat vrouwen deelnamen aan het gemeentelijk gebed, dat zij gebedsbijeenkomsten leidden en daarbij ook een boodschap brachten, de zieken bezochten, ander evangelisatiewerk verrichtten en werken van barmhartigheid. In aansluiting aan deze rapportage werd uitgesproken, dat bijzondere regelingen de normen van de Schrift niet behoeven aan te tasten. De norm van de Schrift bleef alzo staan: alleen mannen kunnen in het ambt worden bevestigd. Sindsdien is er binnen het werk van de Gereformeerde Oecumenische Synode geen aandacht meer geschonken aan de problematiek. Wèl kunnen we stellen, dat het besluit van de Gereformeerde Kerken in Nederland binnen de oecumenische organisatie geen weerklank heeft gevonden.

Ook in de Christian Reformed Church in Amerika en Canada is de zaak aanhangig gemaakt. Daarover kan ik kort zijn. In 1978 werd door de synode uitgesproken, dat belijdende mannelijke leden van de kerk, die voldoen aan de bijbelse vereisten verkiesbaar zijn voor het ambt van dienaar en ouderling, en dat alle belijdende leden van de kerk, die aan de vereisten voldoen verkiesbaar zijn voor het diakenambt. Alleen zij, die officieel geroepen en bevestigd zijn kunnen een ambt in de kerk bekleden. Ook werd gezegd, dat het werk van vrouwelijke diakens onderscheiden moet worden van dat van de ouderlingen. Maar de volgende synode stond voor een aantal bezwaarschriften. Men vond dat te weinig uitkwam, waarin het onderscheid tussen het diaken- en ouderlingenambt gezocht moest worden. Opnieuw werd de zaak in studie genomen, maar dit behoefde geen belemmering te betekenen voor de kerken die het besluit van 1978 reeds hadden uitgevoerd. In 1980 echter retireerde men: de vrouwelijke diakenen, die bevestigd waren voor de beslissing van 1979 zouden hun ambtsperiode mogen uitdienen, maar een nieuwe verkiezing of bevestiging was niet toegestaan „without exception or qualification”. Eérst zou de vraag onder ogen gezien moeten worden, wat de zin is van de uitdrukking: de man is het hoofd van de vrouw, en wat de consequenties daarvan eventueel zijn voor het bekleden van een kerkelijk ambt. Intussen bleef het besluit van 1978 opgeschort en zo is de situatie gebleven sinds 1981.

De houding van de verschillende kerken binnen de Wereldraad is verschillend. Meer dan een derde van de aangesloten kerken kennen de vrouwelijke ambtsdrager. De meerderheid van deze kerken is te zoeken in de gereformeerde, lutherse en presbyteriaanse traditie, alsook bij methodisten, baptisten en pinkstergroepen. De kerk van Engeland is nog steeds over de kwestie verdeeld. De grote orthodoxe kerken en de rooms-katholie- ke kerk staan afwijzend tegenover het vraagstuk.

De klassieke canon 968 sneed elke manier van denken in die richting af: alleen een gedoopte man ontvangt op een geldige wijze de heilige ordinatie. Paus Paulus VI uitte zich verschillende malen over de kwestie, zo in een brief aan kardinaal Alfrink en in twee brieven aan de aartsbisschop van Canterbury. In 1976 verscheen er vanwege de geloofscongregatie in Rome een eerste officiële brede uitspraak. „De kerk houdt zich getrouw aan het voorbeeld van haar Heer, en is niet gerechtigd vrouwen tot de priesterwijding toe te laten. Tegelijk is de congregatie van mening dat het nuttig is in deze tegenwoordige situatie om deze houding van de kerk nader te verklaren”. Het document geeft een zeer gedocumenteerde uiteenzetting van de argumenten die voor vandaag nog steeds gelden binnen de rooms-katholieke kerk.

Het zijn vooral de jaren zeventig geweest, zoals wij zagen, die op het punt dat ons nu bezig houdt in verschillende kerken heel wat verandering hebben gebracht, terwijl andere kerken gedwongen werden de kwestie te bestuderen, of weer opnieuw onder ogen te zien.

Om tot ons zelf terug te keren: de synode van 1968 nam een besluit over het kiesrecht der gemeente, waaruit volgde dat ook de zusters der gemeente aan de verkiezing van ambtsdragers zouden kunnen deelnemen. In Rotterdam werd dit besluit, ondanks vele bezwaarschriften gehandhaafd. Met de Schrift was niet aangetoond, dat het deelnemen van de zusters aan de verkiezing van ambtsdragers een regeerdaad zou zijn. Daarom bleef de synode bij het besluit, dat zijn grond vond in de zienswijze, dat verkiezing van de ambtsdragers een opmerken is van de kant van de gemeente van de gaven die Christus verleent aan degenen die Hij roept.

In het rapport, dat in 1971 ter vergadering diende werd de aandacht gevestigd op het feit, dat de zaak van het kiesrecht van de gemeente een totaal andere zaak is dan de zaak van „de vrouw in het ambt”. In het staan in het ambt zou de vrouw inderdaad boven de man staan. Bij de verkiezing zoekt de vrouw met de man de door Christus in zijn gemeente geschonken gaven te onderkennen. Op grond van het bovenstaande is duidelijk, dat de zaak van het kiesrecht van de gemeente niet gezien kan worden als een eerste stap op de weg naar het openstellen van de bijzondere ambten voor de vrouw. Dit moge (aldus het rapport, Acta, blz. 324) nadrukkelijk vermeld worden in verband met de vrees voor het openstellen van de ambten voor de vrouw, zoals deze vrees naar voren komt in de bezwaarschriften. Wanneer de zaak van het kiesrecht van de gemeente (waartoe ook de vrouwen behoren) in het licht van Ef. 4:11 gezien wordt, is hierbij ook geen sprake van een toegeven aan een verkeerde emancipatie- begeerte. Op een bescheiden schaal hebben onze kerken tot nu toe met de problematiek te maken gehad. Maar het is verstandig om de gehele zaak te overwegen, nu niet alleen binnen de samenleving, waarin onze kerken staan zich zulke grote veranderingen hebben voorgedaan, maar ook binnen de gereformeerde gezindte zich een verandering voltrok in het denken over de vraag van het Schriftgezag.

3. De Schriftgegevens

Voordat de zaak van het Schriftgezag ons bezig houdt dienen we de gegevens van de Schrift zelf met betrekking tot de positie van de vrouw onder ogen te zien. Veel materiaal moet hier blijven rusten, omdat we anders meer tijd zouden nodig hebben dan ons nu ter beschikking staat. Omdat een keuze onvermijdelijk is gaan we voorbij aan al die plaatsen, waar over de vrouw in het algemeen wordt gesproken. Zo veel is zeker, dat haar positie reeds in het Oude Testament een geheel andere is dan in de buitenbijbelse literatuur. En wat in het Oude Testament zich reeds aankondigt blijkt in het nieuwe nog des te duidelijker. Christus heeft aan de vrouw haar plaats teruggegeven. Hij brak ook met de joodse opvattingen dienaangaande, iets wat in de ogen van de wetgeleerden onbegrijpelijk was en wat ook door zijn eigen discipelen niet terstond werd verstaan. In dit opzicht hebben ook de apostelen getoond hun Meester te hebben begrepen. Vooral na de Pinksterdag wordt het duidelijk dat de plaats van de vrouw in de gemeente een volwaardige is. Vrouwen nemen deel aan de vergaderingen der gemeente. Zij worden ook in allerlei gemeentelijke arbeid ingeschakeld. Tal van vrouwen worden ons in het Nieuwe Testament bij name genoemd. Hun betekenis voor de jonge christelijke kerk is groot geweest.

Dit alles kan alleen verstaan worden vanuit het heil dat Christus heeft verworven. Het geldt voor alle geledingen, zoals de Geest op Pinksteren is uitgestort over de gemeente. Door de kracht van de Geest delen zowel mannen als vrouwen, zowel slaven als vrijen, zowel ouderen als jongeren in het verlossingswerk van Christus. Paulus heeft wat dit betreft de bedoeling van het Pinksterfeest weergegeven met de bekende woorden uit Gal. 3:26-29: „Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus gedoopt zijn, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen”. Paulus spreekt hier over het volle heil, dat uit genade zonder de werken der wet, doet delen in de belofte die eenmaal aan Abraham werd geschonken. In dat heil wordt geen onderscheid gemaakt. Het is er voor allen die geloven. Daarin ligt de volkomen gelijkberechtigheid van het heil voor allen opgesloten. Ik mag mij ontslagen achten van de taak om dit heil in zijn rijkdom te tekenen. Déze zaak is niet in geding.

Immers nu komt de vraag, hoe de Here dit heil in de gemeente werkt. Hij doet dit door hen, die Hij daartoe roept en bekwaamt. De Here geeft naar het woord van de Schrift in de gemeente sommigen tot apostelen, tot profeten, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben. Dezelfde gedachte treffen wij aan in 1 Cor. 12 en 14, en ook in Rom. 12. Naast de z.g. Pastorale brieven zijn dit wel de belangrijkste plaatsen waarin in het Nieuwe Testament over de ambten wordt gesproken. Christus geeft ze aan de gemeente, uit de gemeente en tegenover de gemeente. Zij worden ingeschakeld in de orde van het heil. Zij werken niet zelf het heil, maar zij worden daarbij gebruikt.

Stellen we nu de vraag, wie Christus daarvoor aanwijst, dan zijn het de apostelen en profeten, de herders en leraars, de ouderlingen en de diakenen, indien wij tenminste proberen de gegevens van het Nieuwe Testament samen te vatten. En dan worden in deze bediening van de orde van het heil vrijwel nimmer de vrouwen ingeschakeld.

Er zijn zelfs enkele plaatsen die in dit verband altijd weer naar voren komen, en die de inschakeling van de vrouw op dit punt beslist uitsluiten. Ik denk hier, ook al weer om me te beperken, vooral aan drie plaatsen. Het zijn 1 Cor. 11 : 3-16; 1 Cor. 14 : 34, 35 en 1 Tim. 2 : 11-14. Deze plaatsen bevatten de volgende gegevens: In de eerste plaats gaat het over het hoofd-zijn van de man, gelijk Christus het hoofd van de man is, zo is de man het hoofd van de vrouw. Daaruit trekt de apostel conclusies voor de positie van de vrouw in de gemeente. In 1 Cor. 14 vinden we de bekende „mulier taceat-tekst”: zoals in alle gemeenten der heiligen, moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen weten, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente. In 1 Tim. 2 : 11-14 staan de bekende woorden: Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid laten onderrichten, maar ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.

In al de rapporten die over de kwestie van de vrouw in het ambt op de verschillende synodes gediend hebben, hebben deze uitspraken van de apostel een rol gespeeld.

Men kan er immers niet omheen, tenzij men de teksten eenvoudig als latere toevoegsels, als interpolaties beschouwd. Maar binnen de gereformeerde traditie vindt men deze opvatting hoogst zelden. Daarom is men over het algemeen geneigd om ze in de bespreking te betrekken. Dit geschiedt dan, in grote lijnen geschetst, op tweeërlei manier. Paulus zou, zo zeggen meestal de voorstanders van de toelating van de vrouw tot het ambt, wanneer hij spreekt over de ondergeschiktheid van de vrouw, vooral denken aan de positie van de gehuwde vrouw. Het huwelijk is een beeld van de verhouding van Christus tot de gemeente. De gemeente is aan Christus onderdanig, zoals de vrouw aan de man is onderworpen. Wij zouden dus veel meer met een ethische aanwijzing dan met een „kerkordelijke” bepaling te maken hebben, men zou er in de vraag van de positie van de vrouw in de gemeente niet zo veel waarde aan mogen hechten. Het hoofd- zijn van de man raakt het huwelijk en de ethiek van het huwelijk, niet de gemeente en haar structuur.

De uitspraak dat de vrouw moet zwijgen, en thuis maar aan haar man zou moeten vragen om inlichtingen, omdat het lelijk staat voor een vrouw om te spreken, zou vanuit dezelfde achtergrond dienen te worden opgevat, en daarom vandaag in die zin niet meer van toepassing zijn. Zij golden voor de tijd, waarin het inderdaad onwelvoeglijk was voor de vrouw om zich naar buiten te presenteren. Ook hier geldt ten diepste het ethische moment, dat door de apostel in verband wordt gebracht met de schepping van de vrouw na, en uit de man. Hoogstens zou men daaruit kunnen afleiden, dat een kerkelijke dienst door een vrouw slechts kan worden waargenomen, wanneer deze in overeenstemming is met haar eigen aanleg.

Daartegenover staat de gedachte van hen, die niet vanuit de ethische gezichtshoek, maar vanuit het kerkordelijk aspect de teksten benaderen. En dit laatste ligt voor de hand. Immers Paulus spreekt met name in de bedoelde teksten over zaken, die ten nauwste met de orde binnen de gemeente samenhangen. Wat in de eerste Corinther- brief dienaangaande wordt gezegd, eindigt met de tekst die in heel de kerkrechtelijke literatuur een rol speelt: Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden. In dat licht staan de opmerkingen van Paulus. Nog duidelijker blijkt dit, wanneer men in aanmerking neemt, dat de z.g. Pastorale brieven grote delen bevatten, die worden aangemerkt als behorende tot een vroeg-christelijke kerkorde. Daarom ligt het voor de hand aan te nemen, dat Paulus ook hier verordeningen geeft die voor de opbouw van de gemeente van betekenis zijn. Natuurlijk hebben wij hier geen kerkordelijke bepalingen in de zin waarin wij vandaag, na een geschiedenis van vier eeuwen over de kerkorde spreken. Maar dit betekent juist, dat hier een beginsel wordt gegeven, dat van betekenis blijft, juist omdat het niet een menselijke verordening betreft, maar onderdeel vormt van de openbaring Gods, zoals wij die in de Heilige Schrift hebben ontvangen. Met andere woorden, wat hier gezegd wordt zal op de een of andere manier verwerkt moeten worden in ons spreken over de orde van de kerk. Juist zo is het van de grootste betekenis, dat deze teksten maar niet een ethische inhoud hebben, maar een kerkordelijke.

Wij raken hier aan de vraag die in heel de kwestie van de grootste betekenis is:

4. De kwestie van het Schriftgezag

Men heeft in dit stuk van zaken gaarne een parallel getrokken met het vraagstuk van de slavernij. De uitspraken van Paulus zouden gezien moeten worden tegen de achtergrond van het evangelie, dat aan allen wordt gepredikt, en dat zó juist in zijn onmiddellijkheid de opheffing heeft betekend van de slavernij. Paulus heeft met betrekking tot de slavernij geen enkel gebod gegeven. Hij heeft zelfs Onesimus naar zijn meester teruggestuurd. In het sociale verschijnsel van de slavernij heeft hij niet rechtstreeks ingegrepen, maar de prediking heeft langzamerhand dit verschijnsel doen verdwijnen, omdat het in de wortel was aangetast: in Christus is geen slaaf en geen vrije. Dat heeft doorgewerkt. Zó, stelt men, werkte ook langzamerhand door de volle betekenis van het: in Christus is noch man noch vrouw.

Eerst langzamerhand is de positie van de vrouw opgeheven tot het niveau van de gelijkheid. En zo zou dan nu ook de volle consequentie daarvan moeten worden getrokken, doordat ook in de kerk, ook wat de ambten betreft, het onderscheid wordt uitgewist tussen man en vrouw.

Maar deze redenering verliest de kracht, wanneer we bedenken, dat in vergelijking met de slavernij er sprake is van een aanmerkelijk verschil. Binnen de gemeente is het verschil tussen slaven en vrijen opgeheven, door de kracht van het evangelie. De apostel heeft daarvoor geen afzonderlijke verordeningen gegeven. Binnen de gemeente is met betrekking tot het heil ook sprake van gelijkheid tussen man en vrouw. Maar de apostel heeft dienaangaande wèl zijn instructie gegeven, ofschoon hij van dat eerste: „In Christus is noch man noch vrouw”, nimmer heeft teruggenomen. In zekere zin blijft er sprake van ongelijkheid, nl. wanneer het gaat om de vraag, wie bij de opbouw van de gemeente hebben voor te gaan, zodat de gemeente zichzelf opbouwt in de liefde.

De apostel heeft hier teruggegrepen naar de schepping: Adam is eerst gemaakt. De man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit de man genomen. Paulus bedoelt hier geen rangorde die zou kunnen leiden tot onderwerping in een soort van slavernij. Hij zegt immers tegelijk: In de Here is de vrouw zonder de man evenmin iets, als de man zonder de vrouw. De vrouw is uit de man, de man is door de vrouw, en alles is uit God (1 Cor. 11 : 11, 12). Voor God is ook in de schepping de man gelijk aan de vrouw en de vrouw aan de man. Maar dit heft de orde van de schepping niet op. Voor Paulus is dit een duidelijk argument in 1 Tim. 2: 11-14. Met zo veel woorden wordt hier terugverwezen naar de Schepping zelf, waarin het onderscheid tussen man en vrouw gewild en bereikt is, in een gelijkwaardigheid die spreekt van wederzijdse afhankelijkheid, maar die tegelijk asymmetrisch is. De vraag of Paulus het scheppingsbericht goed heeft gelezen ligt buiten onze bevoegdheid, nu wij wat hijzelf schreef hebben te aanvaarden als het werk van de Geest, die de apostel inspireerde, en die ook de gemeente bouwt uit levende stenen, naar zijn eigen orde.

Ik moet aannemen, dat de apostel wist waarover hij sprak, toen hij naar de schepping verwees. Reeds in de schepping komt het onderscheid tussen man en vrouw uit. In de herschepping, die in de gemeente gerealiseerd wordt, wordt dit onderscheid niet teruggedrongen, maar geheiligd. Ik kan onmogelijk ingaan op de moeilijke vragen van de theologie omtrent de verhouding van schepping en herschepping. Zó veel is zeker, dat het heil niet langs de schepselmatige differentiatie heengaat, dat de verlossing de natuur niet opheft, maar heiligt. En zonder achter Paulus’ spreken een theologie van scheppingsordinanties te vermoeden, lijken zijn uitspraken toch wel zo duidelijk, dat zij als een onontwijkbaar gegeven in al hun duidelijkheid blijven staan.

Dat dit een kwestie van Schriftgezag is zou ik hier niet breder behoeven te betogen. Ik zwijg over de mogelijkheid van een latere invoeging van deze teksten, die dan niet tot het eigenlijke bestand van het Nieuwe Testament zouden behoren. Ik kan ook niet meegaan met de gedachte van een tweevoudig gezag, dat voor een deel bepaald wordt door de tijdsomstandigheden en voor een ander deel door de eigenlijke inhoud van het evangelie. Niemand heeft duidelijker dan Paulus het eigenlijke evangelie in zijn inhoud en kern gepredikt. Hij wist zich er zeker van, toen hij sprak, dat hij niet anders zou prediken, al zou er een engel uit de hemel komen. Maar de stelligheid, waarmee hij deze uitspraken gedaan heeft verraden geen minder zekere toon. En zou de apostel, wanneer er sprake zou zijn geweest van een bepaalde tijdgebondenheid, zo stellig hebben gesproken? Zou de man, die door de Geest van Christus geleid een complete cultuur uit haar voegen heeft gelicht, in dit stuk van zaken uitdrukking hebben kunnen geven aan wat in de cultuur van zijn dagen gemeengoed was, en derhalve hier verstaan moeten worden als een tijdgebonden mens? Wie de gegevens overziet, die volgens de apostel beslissend zijn voor die functies in de gemeente, waardoor de gemeente, mannen en vrouwen samen, zichzelf kan opbouwen in de liefde, zal daar tevergeefs zoeken naar een plaats voor de vrouw ingeruimd. Men bezie de lijsten van de vereisten voor ambtsdragers, zoals deze in de Pastorale brieven voorkomen. De vrouw ontbreekt daarin. En zo is, wanneer we het geheel van uitspraken bezien, er geen andere gevolgtrekking mogelijk, dan deze: in het Nieuwe Testament worden de ambten in de gemeente gezien als slechts beschikbaar voor de man.

Een kwestie van Schriftgezag is het daarom voor ons, tenminste opgevat in de goede gereformeerde zin, dat wij van de tekst van de Schrift niet willen afwijken, dat wij niet spreken over een gezag, dat zich eerst vormt binnen en vanuit onze relatie met de Schrift. Neen, een Schriftgezag, waaraan wij ons willen onderwerpen, omdat het niet verkeerd kan zijn wat Christus voor zijn gemeente verordende. „Ik ben in het Woord gevangen”, sprak Luther op zeker ogenblik in zijn leven. Het betrof de avondmaalsstrijd. Nu het om de kwestie van het ambt gaat liggen deze uitspraken voor ons, en zullen we zeggen: we zijn in het Woord gevangen. Juist nu een modern levensgevoel ons in een andere richting dringt, zullen we bedenken, dat onze weg alleen zegen kan hebben, wanneer zij is naar het Woord. Men zal zeggen: dit is biblicisme, dit is een beroep op de Schrift op de klank af. Of men zal zeggen: dit is fundamentalisme, een hechten aan oude voorstellingen, zonder rapport met de tijd. Ik meen, dat er erger dwalingen zijn, verderfelijker opvattingen, die wij vandaag horen dan die van biblicisten en fundamentalisten. Maar daarom zullen we nog niet zeggen, dat dit een biblicistisch standpunt is, of een fundamentalistische zienswijze. Ik aarzel niet om te zeggen, dat hier de Schrift verstaan, of althans opgevat wordt, zoals dit eeuwen lang in de gereformeerde traditie heeft plaats gehad; zoals het door tal van uitmuntende Schriftuitleggers is verwoord; en zoals het eveneens eeuwenlang in de praktijk is gebracht. En ik zie geen reden om deze beschouwing van de Schrift prijs te geven. En wel des te minder, nu een gezaghebbend man als prof. dr. Kuitert heeft gewezen op het feit, hoezeer een wissel in de vraag van het Schriftgezag is omgegaan, toen men aperte gegevens uit het Nieuwe Testament naast zich neerlegde. Hij was er niet rouwig om. Wij zouden het ten zeerste betreuren, indien van ons hetzelfde gezegd zou kunnen worden. (Verg. Kerkinformatie '76, No. 55/56, blz. 9.).

5. De weduwen dan en de diakonessen?

Geeft het Nieuwe Testament echter niet op verschillende plaatsen de indruk dat er ook vrouwelijke ambtsdragers zijn geweest? Paulus spreekt over de weduwen, over een zekere Phébe, dienares, of diaken der gemeente en over oude vrouwen, die onderricht geven in het goede. Vinden we hier geen aanwijzingen, dat er op zijn minst in de eerste tijd verschillende vrouwen een soort van ambtelijke opdracht ontvingen en zou daar dan niet een aanknopingspunt kunnen liggen voor een verdere en ook voor een eigentijdse ontwikkeling?

In 1 Tim. 5 is sprake van weduwen, die in ere gehouden moeten worden, wanneer zij het waarlijk zijn. Paulus onderscheidt een drietal soorten van weduwen: eerst de weduwen, die nog een familie om zich heen hebben. Deze vrouwen moeten eerst aan eigen kinderen of kleinkinderen godsvrucht tonen, en zij moeten ook allereerst door de hunnen worden onderhouden. Zij komen dan niet ten laste van de gemeente. Een andere categorie is die van de jonge weduwen, die het leven als het ware nog voor zich hebben. Dezen mogen niet kandidaat staan voor de functie van de gemeenteweduwe, zij hebben de weg van het huwelijk opnieuw te zoeken en zij moeten dan hun huis besturen. De laatste soort van weduwen, waarvan sprake is, is die categorie, die aangeduid wordt als weduwen, die het echt zijn. Zij komen voor rekening van de gemeente, die hun eer zal bewijzen. Deze eer kan tot uitdrukking gebracht worden in het feit dat de gemeente hen onderhoudt. Het is de alleenstaande vrouw, die haar hoop op God vestigt. Haar taak is te volharden in het gebed, zoals Anna in de tempel verbleef en daaruit niet week met haar vasten en bidden. Als weduwe kome in aanmerking, of zoals we ook zouden kunnen vertalen: als weduwe worde op de lijst van weduwen ingeschreven, degene die aan de volgende vereisten voldoet. Zij moet de leeftijd van zestig jaren hebben bereikt. Zij mag slechts éénmaal getrouwd zijn geweest. Zij moet een getuigenis hebben van goede werken, die zij verricht: kinderen grootbrengen, gastvrijheid bewijzen, de voeten der heiligen wassen, verdrukten ondersteunen, kortom het behartigen van alle goed werk. Hun namen worden genoteerd, en zij kunnen aanspraak maken op steun van de gemeente, zoals de gemeente aanspraak kan maken op het werk, dat zij in de gemeente doet, en dat zich grotendeels beweegt op het terrein van de praktische hulp.

Paulus spreekt hier over de weduwen binnen het kader van de taakomschrijving, die de gemeente ten opzichte van haar heeft en in verband daarmee tegelijk over de taak die deze vrouwen ten opzichte van de gemeente hebben.

Een vraag die hier van betekenis is, is die naar het officieel karakter van deze functie. Dit is zonder enige twijfel aanwezig. Maar hun inschrijving op de lijst van weduwen betekent geen ordinatie of bevestiging in de zin, waarin we daarvan lezen met betrekking tot de ouderlingen. Mogelijk - maar dat is niet zeker - legden zij een gelofte af. De uitdrukking die Paulus gebruikt is anders dan die voorkomt, wanneer er sprake is van de „aanstelling” van ouderlingen (Tit. 1 :5). Hun namen worden ingeschreven, zodat zij herkenbaar zijn voor de gemeente. Hun werk ligt vooral in de charitatieve sfeer. De werken der barmhartigheid oefenden zij zelf uit en zij stimuleerden anderen daartoe, waarbij zij zich vooral richtten op de praktijk van de goede werken in de gezinnen en in de gemeente inzake gastvrijheid voor vreemdelingen enz. In de kerk van het westen bestond deze functie lange tijd voort. Zij verrichtten hun werk onder toezicht van de bisschop, de ouderling en de diaken, maar ontvingen geen ordinatie.

Soms heeft men deze weduwen op één lijn gezien met de diakones, die vertegenwoordigd zou zijn in Phébe, Rom. 16:1: Ik beveel Phébe, onze zuster, tevens dienares der gemeente te Kenchreae bij u aan. Deze Phébe wordt door Paulus een diakonos genoemd, die velen heeft bijgestaan. Het is de enige plaats in het Nieuwe Testament waar een vrouw als diaken wordt genoemd. De vrouw is, zoals de naam verraadt, van heidense afkomst en waarschijnlijk een vrijgelatene. Zij wordt onze zuster genoemd en dienares van de gemeente van Kenchreae, de oostelijke haven van Corinthe. De uitleggers geven toe, dat er omtrent haar positie geen volkomen zekerheid bestaat. Het werk dat zij verrichtte zal grotendeels gelegen zijn geweest in het opvangen van reizigers, het verlenen van bijstand aan behoeftigen. En zij heeft dit gedaan in verbondenheid aan de gemeente. Waarschijnlijk heeft zij de brief van Paulus naar Rome gebracht. Paulus beveelt haar aan de gemeente daar aan omdat zij hem zelf ook zeer behulpzaam is geweest. Maar er is onzekerheid over de vraag, of Phébe in officiële zin een ambt bekleedde. De uitdrukkingen van de exegeten variëren. Zij draagt zoiets als een ambtstitel (Schlier). Ridderbos schrijft: „Bij dienares vraagt men zich af, of hiermee een bepaald ambt bedoeld is, dat Phoebe (ev. met anderen) bekleedde, dan wel of hierin slechts een algemene kwalificatie ligt van de diensten, die zij aan de gemeente bewees. Zekerheid is hierover moeilijk te verkrijgen”.

Wel lijkt het duidelijk, dat Phébe het werk doet, dat een diaken in de gemeente op zich heeft genomen. Met Oepke (TWNT, I, 788) zou men kunnen zeggen: „De aanduiding van Phoebe als „diakonos” van de gemeente in Kenchreae, ligt op het punt waar het charisma aansluitingspunt is voor de opdracht, voor het ambt”. Wat Phébe doet, doet zij in dienst van de gemeente. Maar deze relatie met de gemeente is daarom nog niet gelijk te stellen met een ambt. Zij wijst op een activiteit, die wij in de brieven van Paulus zo dikwijls ontmoeten en waaruit blijkt, dat, ook al is er van een ambt geen sprake, er juist door vrouwen een activiteit ontwikkeld wordt, zonder welke de snelle groei van de kerk nimmer te verklaren zou zijn.

Wat Paulus schrijft in Titus 2:3-5 over het onderricht dat oudere vrouwen hebben te geven (de presbutis) is slechts te verstaan, wanneer we de context laten meespreken. Eerst wordt gezegd hoe oude mannen moeten zijn, daarna wat de taak is van de oude vrouwen in de gemeente. Zij moeten priesterlijk zijn in hun optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende, zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben, bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde. Het gaat te ver, wanneer we hier een ambtelijke taak zouden zien, die officieel gerangschikt zou kunnen worden onder de ambten. Veeleer wordt haar taak gezien als een opvoedende en begeleidende van de gezinnen in de gemeente, die cellen, waaruit heel de gemeente was opgebouwd.

Wat we tot nu toe hebben gezien biedt geen enkele mogelijkheid om de eerder genoemde teksten bij Paulus in een wat ander licht te zien. De gegevens over de weduwen, over een mogelijke vrouwelijke diakonos, over het onderwijs door oudere vrouwen in de gezinnen van de gemeente zijn zo diffuus, dat ze geen tegenwicht vormen tegen de duidelijke uitspraken van de apostel die hij in 1 Cor. 11 en 14 en ook in 1 Tim. 2 gedaan heeft. Wèl heeft er in de vroege kerk een zekere vrouwendienst bestaan, maar zij verdween langzamerhand. Hun arbeid bestond voornamelijk in assistentie bij het diaconaat, hulp bij het dopen van vrouwen en huisbezoek bij vrouwen. Kerkelijk gezien zijn zij straks in de kloosters verdwenen als maagden van Christus of als berouwvolle zondaressen die in een leven van boete de kerk dienden vooral met gebed.

6. Ambt en charisma

De vraag die nu aan de orde komt is, of wij met deze opvatting van de Schriftgegevens en van het Schriftgezag niet in strijd komen met wat de Heilige Geest ons leert over de genadegaven, die Hij verleent tot opbouw van de gemeente. We zouden ook kunnen vragen, of we geen onrecht doen aan de uitingen van de Geest, zoals deze in de gehele gemeente tot openbaring komt. Het is moeilijk staande te houden dat de Geest alleen aan de mannelijke leden van de gemeente zijn gaven verleent. Kunnen en mogen we die gaven dan veronachtzamen, ook wanneer ze bij de vrouwelijke leden der gemeente worden aangetroffen?

Een enkele opmerking kunnen we ons hier slechts veroorloven. De eerste is, dat we geen tegenstelling kunnen of mogen aannemen, zoals in de moderne exegetische literatuur wel gebeurt, tussen wat Paulus schrijft in de brief aan de Corinthiërs en wat hij leert in de z.g. Pastorale brieven. Ook al zouden de laatste van later oorsprong zijn dan vordert de eenheid van de Schrift, dat we het een niet tegen het ander uitspelen. Men kan niet zeggen, dat de vrije charismatische ontwikkeling van de gemeente van Corinthe van een totaal andere signatuur is dan de meer kerkordelijke inslag van de Pastorale brieven, zodoende doet men onrecht aan de betekenis van de canon, zodoende worden ook ambt en charisma tegenover elkaar geplaatst. Dit laatste levert ons enerzijds spiritualisme op en anderzijds formalisme. Uitgaande van de eenheid der Schrift zeggen we dat ambt en charisma bij elkander behoren.

Maar zij vallen niet samen. leder die een ambt bekleedt, heeft daarvoor een charisma nodig. Maar ieder die een charisma heeft bekleedt daarom nog geen ambt. Het eerste is zonder meer duidelijk. leder die een ambt bekleedt ontvangt daartoe de vereiste genadegave. De gemeente herkent die gave en zo is zelfs het charisma uitgangspunt bij de kerkelijke verkiezing. Immers de verkiezing tot het ambt is niets anders dan dat de gemeente de gaven herkent, die Christus gewoonlijk aan hen geeft, die Hij voor het ambt heeft geroepen en bestemd. Déze gaven geeft Hij niet aan allen, ofschoon allen een charisma hebben.

Er is verscheidenheid van werkingen en van bedieningen, maar daarachter staat dezelfde Here en dezelfde Geest, die dit alles werkt, één en dezelfde Geest, die aan een ieder in het bijzonder toebedeelt, gelijk Hij wil. Aan een ieder, zo staat er. Dat betekent, dat niet één lid van de gemeente zonder een afzonderlijke en unieke gave is. Aan een ieder: het gehele Lichaam wordt doorwoond van dezelfde Geest. Dit besef ontbreekt veelal. Men kan, zo leert de Schrift, niet een werkelijk lid zijn van het Lichaam van Christus, wanneer men niet deelt in de gaven van de Geest, die ons samenbindt aan Christus en aan elkander. Maar wat hier gezegd wordt van een ieder in de gemeente, mannen en vrouwen, slaven en vrijen, geldt niet in dezelfde zin van allen en een ieder, wanneer het gaat om de ambten. Dàn spreekt dezelfde apostel in dezelfde hoofdstukken over „sommigen”.

Gij zijt het Lichaam van Christus en een ieder voor zijn deel leden. En God heeft sommigen aangesteld tot apostelen, tot profeten, leraars enz. Zij zijn niet allen apostelen. Niet allen profeten. Niet allen leraars. God stelde sommigen aan, zo lezen we in 1 Cor. 12 :28. In Efeze 4 lezen we: Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon. Zo komt, als ik die uitdrukking zou mogen overnemen, het bijzondere ambt niet op uit de gemeente, het staat evenmin los van de gemeente, het wordt gegeven aan en in de gemeente, om de gemeente toe te rusten tot onderlinge dienst. Allen hebben een charisma. Niet allen hebben een charisma dat behoort tot die taak die God gegeven heeft aan sommigen. Hùn charisma zal het moeten zijn, om het charisma van allen te doen functioneren binnen de gehele gemeente, opdat deze zal groeien in kennis en liefde, in onderlinge hulpvaardigheid in alle dingen, die tot het tijdelijke en eeuwige leven strekken.

Hier herinneren we ons het onderscheid, indertijd reeds door Voetius gemaakt: in het essentiële zijn alle gelovigen gelijk. In het accidentele is er onderscheid. Het wil eenvoudig gezegd herinneren aan het feit dat het ambt op de keper beschouwd behoort tot die tijdelijke verschijnselen, die er straks niet meer zullen zijn. Het bijzondere ambt valt eenmaal wel weg. Het algemene ambt is blijvend, het is bestemd voor de eeuwigheid. Het bijzondere ambt is er tot toerusting van het algemene. Het is te vergelijken met een hulplijn, die wordt uitgewist, wanneer de som af is. Slechts een hulpmiddel. Het kan niet ontkend worden, dat dit vaak vergeten is. De kerk en de kerkmensen hebben vaak gedaan, alsof de gemeente om hen draaide, om de ambtsdragers. Bij Rome is dit zelfs een gedachte geworden die alles overheerste: de kerk is in de hiërarchie tegenwoordig, in de heilige ambten, de representatieve kerk!

De Reformatie heeft met dit overtrokken ambtsbesef gebroken. De kerk is het volk dat vergaderd is rondom en vanuit het Woord en door de Geest. En in dat volk functioneert het bijzondere ambt als het middel, dat God gebruikt om alle krachten in zijn volk te mobiliseren tot de komst van zijn Rijk. Maar de Reformatie heeft daarbij vastgehouden aan de lijnen van het Nieuwe Testament. En hoe hoog de achting van de reformatoren ook was voor de vrouw, zij hebben niettemin de ambten gezien als slechts toegankelijk voor de mannelijke leden der gemeente. Ook daarin zijn zij aan de Schrift getrouw gebleven. Maar de gehele kerkgeschiedenis is er om aan te tonen, dat zij zonder de vrouw niet geschreven had kunnen worden.

7. De positie van de vrouw in de kerk

De positie van de vrouw in de kerk is altijd van de grootste betekenis geweest. Zij zijn niet maar object van ambtelijke arbeid geweest. Zij hebben zelf aan het werk van de barmhartigheid van meet af aan een werkzaam aandeel gehad. Paulus heeft zijn werk niet zonder hen gedaan en niet zonder hen willen doen. Lydia opent haar huis. Phébe dient de gemeente en verleende hem persoonlijk bijstand, Prisca en Aquila beschouwt hij als zijn medearbeiders in Christus Jezus. Zij hebben hun leven voor hem gewaagd (Rom. 16:3). Al de heidengemeenten kunnen haar dankbaar zijn. Maria heeft zich veel moeite gegeven voor de gemeente in Rome, hetzelfde geldt van Tryphena en Tryphosa, terwijl het ook met zoveel woorden van Persis wordt vermeld, naast hen worden ook een zekere Julia en de zuster van Nereus genoemd, kortom een grote schare van vrouwen staat om de apostel heen. Blijkbaar hebben zij zijn opvatting over de vrouw in het ambt niet als een hindernis voor werkelijke activiteiten in de gemeente en ten dienste van Gods koninkrijk ervaren. Zij bekleedden geen ambt, in de zin waarin wij daarover spreken, maar zij werden op allerlei manieren ingeschakeld en zij hebben zich met gevaar voor hun leven zelfs ingespannen voor het evangelie. Paulus heeft ook niet geaarzeld om hen op allerlei manieren in te schakelen. Vrouwen als Prisca, Euodia en Syntyche hebben hem op een geheel eigen manier geholpen. Zij hebben samen met hem in de prediking van het evangelie gestreden. De lijst met namen zou kunnen worden uitgebreid met die van hen die in de vroege kerk bekend zijn geworden om hun dienst aan de Here. De meesten van hen hebben naamloos hun werk gedaan. En zo is het de gehele geschiedenis door geweest.

De kerk van de Reformatie heeft de vrouw een plaats teruggegeven. En ook de geschiedenis der Reformatie zou niet geschreven kunnen worden zonder het noemen van talrijke namen: Katharina van Bora, Katharina Zell, Wibrandis Rosenblatt, Margaretha Blaurer, Idelette van Buren en talloos velen meer. Wat zou Luther zijn geweest zonder zijn Käthe, wat Zell zonder zijn Katharina, wat Bucer zonder Wibrandis, wat Calvijn ook zonder Idelette. Zij hebben hun mannen gevormd en hun de onbegrijpelijk vele arbeid mogelijk gemaakt. Onvergelijkelijk is hun inzet geweest. Luthers vrouw had de zorg niet maar voor een tamelijk ongeregelde huishouding, ongeregeld dan vanwege alles wat zich rond Luther afspeelde, maar zij nam een complete huisgemeente voor haar rekening. Katharina Zell nam de zorg op zich voor vluchtelingen. Zij vergezelde haar man in een ontmoeting met opstandige boeren, en samen met een magistraatspersoon nam zij de zorg op zich voor 3000 vluchtelingen, die in Straatsburg toevlucht zochten. Wibrandis maakte Bucer het werken mogelijk en de pastorie tot een voorbeeld voor de hele gemeente. De ongehuwde zuster van de reformator uit Konstantz verstond haar roeping niet minder. En dan zijn dit enkele namen. Zij vertegenwoordigen duizenden anderen, die gedaan hebben wat de liefde van Christus hun ingaf.

Ook over de kerk van de Afscheiding is niet te denken wanneer we de vrouwen zouden uitschakelen, die de gevolgen van volkshaat en overheidsverachting hadden te verduren. Ik schets dit niet meer, omdat het duidelijk kan zijn dat de plaats van de vrouw in de gemeente niet heeft te lijden door wat wij negatief zouden kunnen noemen de uitsluiting uit het ambt. Er zijn er geweest, en er zijn er nog, die voor twee ambtsdragers het werk deden, in getrouw ziekenbezoek, in hulp en bijstand aan mensen in nood, in onderricht wanneer daaraan behoefte is. En wanneer wij de gedachte vasthouden, dat de bijzondere ambten er zijn om de gehele gemeente toe te rusten, te activeren en aan te sporen, dan ligt hier een roeping die voor vandaag bijzonder noodzakelijk is, en die met zorg moet worden ter hand genomen.

Met geen woord hebben we tot nu toe gesproken over de moderne emancipatiebeweging die zich uit in het feminisme in al zijn verschillende vormen. Het is voor een groot deel gericht op een maatschappelijke vernieuwing, die uitgaat van de idealen van het socialisme. De nog vrij jonge feministische theologie leunt daar tegen aan. Opzettelijk heb ik dit moderne verschijnsel niet genoemd, omdat ik van overtuiging ben, dat sommige stemmen onder ons die pleiten voor de openstelling van de ambten voor de vrouw, op geen opzettelijke manier met deze achtergrond in verbinding staan. Ook mocht de bespreking niet getrokken worden in een hoek van waaruit van te voren een beschuldiging reeds zou klinken. Daarom sprak ik daarover niet.

Maar nu aan het einde gekomen wil ik wel opmerken, dat wij niet op een eiland leven. En dat we derhalve te rekenen hebben met deze zaken. De diepste motieven van het feminisme zijn naar mijn mening vreemd aan de diepste motieven van het evangelie, zoals zij ook vreemd zijn aan datgene wat de Schrift verstaat onder verschil en gelijkheid van man en vrouw. Wij zouden, wanneer de wereld van de geest van dit revolutionaire, harde feminisme werd doortrokken, een van de rijkste schatten van het christelijk geloof kwijt raken: de zelfopofferende liefde, die van mannen en vrouwen wordt gevraagd die Christus hebben leren kennen en die daarmee staan onder de klem van het: Gij geheel anders. Laat in onze kerken toch mogen blijven die gave van de Geest, die de hoogste is, die van de liefde. Zij gaat niet tussen alles door, zij gaat boven alles uit. De gemeente zal in deze tijd van verharding, verzakelijking en soms ook verbittering, meer dan ooit moeten zijn de plaats waar de echte gemeenschap der heiligen wordt verstaan. De nood zal ons daartoe ook drijven. Die nood is wellicht eerst van praktische aard. Nu allerlei subsidiekranen dichtgaan en de algemene hulpverlening daardoor in grote moeilijkheden komt, hebben wij in de gemeente het arsenaal te zoeken, dat de krachten levert voor onderlinge hulp. De opbouw van de gemeente zal zonder haar niet kunnen geschieden, maar zij zal, misschien zelfs in de nabije toekomst steeds meer zijn aangewezen op eigen krachten. Hier liggen taken voor hen, die weten wat de barmhartigheid van Christus van ons vraagt. En hier moeten de diaconieën attent zijn op de mogelijkheden die in de gemeente aanwezig zijn: bejaardenhulp, ziekenzorg, werkelijke bijstand is nodig. De weduwen uit 1 Tim. 5 verrichtten zulke arbeid. Zij waren hulpvaardig. Zij beoefenden de deugd van de gastvrijheid, zij wasten de voeten der heiligen en zij deden al die werken, die zij in eigen situatie maar konden behartigen. Het zou een wezenlijke bijdrage zijn aan het vormen van gemeenten, die steeds meer zich verplaatst zien in de positie van de oud-christelijke kerk: een wereld, die niet-christelijk is en daarin een kerk, die geheel anders is. Inventiviteit is een gave van de liefde. Wij zullen op dit punt de vrouwen moeten inschakelen, veel meer dan vroeger werd gedaan. Daarvan hebben wij veel te verwachten. Zo ligt hun werk in het verlengde van het diaconale ambt, dienend er te zijn voor elkaar. En zo zal de gemeente de toekomst tegemoet leven, die toekomst, die ons getekend wordt in het laatste bijbelboek, wanneer de kerk volkomen zal zijn de Vrouw van het Lam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.