+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

68.

Met een hartelijke belangstelling vraagt de Pelgrim nu aan Hoop: „En hoe werd Hij u geopenbaard?” Daarop kwam hij zijn hart met een innerlijke blijmoedigheid uit te storten. „Ik zag Hem”, zo vangt hij aan, „niet met mijn lichamelijk oog, maar met de ogen des geestes, en dat geschiedde op deze wijze: Op zekere dag was ik zeer bedroefd, ik geloof meer dan ooit tevoren, en de oorzaak hiervan was, dat de grootheid en de onreinheid mijner zonden nog klaarder dan ooit mij voor ogen stonden. En terwijl ik niets anders voor ogen had dan de hel en de eeuwige verdoemenis mijner ziel, was het mij eensklaps als zag ik de Heere Jezus Christus van de hemel op mij nederzien; en hoorde ik Zijn woord: Geloof in de Heere Jezus en gij zult zalig worden. Maar ik antwoordde: Heere, ik ben een groot, een zeer groot zondaar. En Hij zeide: Mijn genade is u genoeg. Toen vroeg ik: Maar Heere, wat is geloven? En Hij deed mij het woord verstaan: Die tot Mij komt zal niet hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten, en ik zag in, dat geloven en komen hetzelfde zijn, en dat degene, die komt, dat is, hij wiens hart en genegenheid naar Christus uitgaat om door Hem behouden te worden, inderdaad gelooft in Christus. Nu kwamen de tranen mij in de ogen en ik vraagde wederom: Maar Heere, kan zulk een groot zondaar als ik ben waarlijk door U aangenomen en zalig gemaakt worden? En ik hoorde het woord: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Toen zeide ik: Maar Heere, hoe moet ik in mijn komen tot U, op U zien, opdat mijn geloof op de rechte wijze op U gevestigd worde? En Hij zeide: Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Hij is het einde der wet tot rechtvaardiging van een iegelijk die gelooft; Hij is gestorven voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking; Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden gewassen in Zijn bloed. Hij is de Middelaar tussen God en ons. Hij leeft om onze Voorspraak te zijn. Uit al deze woorden kwam ik tot het inzicht, dat ik de gerechtigheid in Zijn persoon, de verzoening van mijn zonden in Zijn bloed moest vinden; dat alles, wat Hij had gedaan om Gods wet te vervullen en het ondergaan van de straf daarvan, niet was voor Hemzelf, maar voor degene, die in geloof Zijn zoenverdienste aanneemt en haar dankbaar aanvaardt. En toen werd mijn hart vol vreugde, mijn ogen vol van tranen en mijn genegenheden liepen over van liefde tot de naam, het volk en de wegen van mijn Heere Jezus Christus!”

En nu mag Hoop leven uit de openbaring van Christus aan zijn ziel. Een openbaring die geen einde heeft. Velen hebbenjaarendag in de Schrift gelezen, maar zijn nooit door de dierbare werkingen van de Heilige Geest gekomen tot het geestelijk kennen van deze volheerlijke heilsopenbaring in het hart. Het leeft niet in het hart van deze mensen. De nieuwtjes van de dag met de dingen van de tijd hebben het hart. De Heere Jezus leeft niei in het hart, en het hart leeft niet in Hem. Zij weten niet wat het is vanuit deze Goddelijke heilsopenbaring met aanbidding te denken, te leven en te spreken. Hoop begeert met steeds meer klaarheid door Gods Geest geleid te mogen worden in de heerlijkheid en vastigheid van deze Goddelijke openbaring van Christus die vanuit Zijn eeuwige raad is voortgekomen. In het geloof is de openbaring van Jezus Christus nooit oud nieuws. Dan is het altijd nieuw, het is nieuwe wijn in nieuwe lederen zakken. En dat doet God en mensen vrolijk zijn, want de Zoon Gods is gezalfd met vreugdeolie. De Vader verblijdt Zich in Zijn Kind, de Zoon in Zijn bruid en de Heilige Geest in Zijn tempel. En zo is de blijdschap des Heeren de sterkte van Zijn volk. O, dat zalig blij zijn in de liefde des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

Wij zullen vervolgen de Heere te kennen in de openbaring van de verborgenheid der godzaligheid. En die openbaring zal geen einde hebben, zij duurt tot in eeuwigheid. „Oja, wat Hoop ons verteld heeft was waarlijk een openbaring van Christus aan Zijn ziel”, zeide de Pelgrim. En ik geloof, dat zijn hart er door verlevendigd is. „Maar zeg mij vooral eens”, vraagt hij verder aan Hoop, „welk een uitwerking deze ervaring had op uw gemoed?”

Zeker, ae grond der zaligheid is geheel buiten ons in de Heere, maar het gemoed wordt er door vernieuwd en deelt dan ook rijk en ruim in het genot der zaligheid tot verheerlijking van de Heere.

„Ik zag duidelijk in”, antwoordt Hoop, „dat de gehele wereld met al haar eigengerechtigheid onder het vonnis der wet ligt. Ook werd het mij volkomen duidelijk, hoe God de Vader rechtvaardig zijnde, de zondaar, die in Christus gelooft, wegens de hem toegerekende gerechtigheid, volkomen rechtvaardig verklaart. Hoezeer was ik met schaamte vervuld wegens de verdorvenheid van mijn vroeger leven en tevens was ik verbaasd over mijn eigen onwetendheid, want nooit tevoren was er in mijn hart een gedachte opgekomen, die mij zo de schoonheid van Jezus Christus deed aanschouwen. Hierdoor kreeg ik lust een heilig leven te leiden en begeerde iets te mogen doen tot eer en heerlijkheid van de naam des Heeren. Ja, al had ik duizend levens te verliezen, ik zou ze willig geofferd hebben voor de zaak des Heeren”.

Hoop mag zich dus verblijden in de schoonheid van Jezus Christus, in het rechtvaardig zijn voor God in Hem. De gerechtigheid, die hem was toegerekend in het wezen des geloofs bij de inlijving in Christus, het deelachtig worden van een nieuw geestelijk leven, geniet hij nu in de omhelzing van Christus als zijn Borg en Zaligmaker.

Bij het buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid had Hoop uit liefde tot dat recht niets meer op God tegen. Zijn doen was majesteit en heerlijkheid. Maar nu heeft God in Zijn rechtvaardigheid niets op Hoop tegen, evenals had hij nooit zonde gekend noch gedaan”.

Maar nu spreekt Hoop niet alleen uit het bezit en het genot der zaak, doch uit het doel der zaak en dat is de heiligmaking. „Dit volk heb Ik Mij geformeerd”, zegt de Heere, „zij zullen Mijn lof vertellen”. Uit de natuur van deze Goddelijke heilsopenbaring komt de onsterfelijke lust op heilig te mogen leven voor de Heere, tot eer en heerlijkheid van Zijn naam. Vanuit het leven met de Heere is het hart vervuld met een innerlijke bewogenheid omtrent de mens, die van deze geestelijke zaken geen kennis heeft. Gods kinderen komen met Onkunde in aanraking en stoten hem niet af. Al is het naar de mens gesproken onmogelijk Onkunde, die u overal ontmoet, de rechte kennis van deze geestelijke zaken bij te brengen, zo mag het tóch niet verzuimd worden, want de Heere wil het gebruiken. Van nature mist elk mens de rechte kennis van God en Goddelijke zaken. En in dat besef zoeken wij van dag tot dag met ernst het Goddelijk onderwijs in Zijn Woord. Het is dan ook het profetisch bevel: „Zoekt in het boek des Heeren en leest”, zegt Jesaja.

Vermanend zeiden de pelgrims met een bewogen hart:


Waarom toch, o Onkunde, blijft ge zo
dwaas,
Op heilzame raad niet te achten.
Wel tienmaal vergeefs u gegeven, helaas!
Maar blijft gij hem stadig verachten,
Eerlang dan berouwt u zo roekeloos een
daad;
Bedenk het, vriend, eer het voor u is te laat.
Wil niet wederstreven, noch vrezen,
Een heilzame raad, wel betracht, brengt
behoud.
Zo let op de reed’nen, door ons u ontvouwd.
Maar zo ge steeds wijzer wilt wezen,
Verachtend de raad, het zal zijn tot uw scha;
Daarvan wees verzekerd — Straks is het te
spa.


N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.