+ Meer informatie

Walrusonderzoek in Harderwijk ontmaskert één zintuig per jaar

Dolfinarium weet precies hoe op tanden lopende zeepaard z'n snor drukt

11 minuten leestijd

HARDERWIJK - Er wordt snel een wit schotje tegen een kast gezet. De diaprojector gaat op tafel. Pen gereed? Plaatje één: een zwaar besnorde walruskop. In plaats van een interview dit keer een minilezing over de zintuigen van het op tanden lopende zeepaard, exclusief voor het RD.

De lezing is niet voor het RD gemaakt. Ir. R. A. Kastelein, de onderzoeks-bioloog van het Dolfinarium in Harderwijk, hield de voordracht op een congres in Moskou. De Nederlandse bijdrage ging over de Walrus; zo kennen wij dat 'zeepaard'.

Eerst even kennis maken. De wetenschap gaf het dier de Latijnse naam Odobenus rosmarus. Een naam die ontstaan is uit waarnemingen. De beesten hebben vervaarlijke, sabelachtige slagtanden. Die worden soms wel 75 centimeter lang, met een omtrek van 25 centimeter en een gewicht van 3 kilo. Men zag dat de walrus op die tanden steunt en zich voorttrekt als hij zich over het land voortbeweegt. Vandaar de naam.

Een mannetje kan zo'n 4,5 meter lang worden en weegt dan ongeveer 1000 kilo. De omvang en het gewicht van de vrouwtjes blijven op twee derde van dat van de mannetjes steken; ook zij hebben slagtanden. Vanwege die tanden is er in het verleden uitputtend op .beide seksen gejaagd. Het woord ivoor verklaart hierbij alles.

De grote dieren zijn nu nog te vinden langs de kust van NoordAmerika. Daardoor kwamen zij onlangs in het nieuws. Amerika wil meer olie uit Alaska gaan halen. Er zou gevraagd zijn om te onderzoeken op welke afstand de walrussen de schepen kunnen horen aankomen. Als dat bekend is, zou er een veilige scheepsroute kunnen worden uitgezet. Zo mooi is het niet.

'Schelpdieren
Kastelein vertelt dat het andersom moet worden gelezen: „We weten dat er intensiever scheepvaartverkeer gaat komen. We willen nu op voorhand nagaan op welke afstand van de kolonies een voor de dieren veilige route kan worden uitgezet. Daarvoor moet je een heleboel weten over het dier, ook wat het kan waarnemen".

De walrus leeft in grote groepen, ze liggen soms een paar lagen dik gestapeld op het land of op het ijs. Dat zijn dan wel de volwassen vrouwtjes met de jonge mannetjes en vrouwtjes. De volwassen mannen blijven in aparte groepen. Hun kleur is vaalbruin, maar als ze op leeftijd gekomen zijn, ligt er een rose glans over.

Omdat het directe familie is van de zeeleeuwen en zeehonden, dacht men vroeger dat ook de walrus een viseter is. Maar dat was mis: het kolossale dier voedt zich met schelpdieren. Die beesten zitten in de bodem. O, dacht men, dan is het gebruik van die slagtanden duidelijk: ze wroeten er de grond mee los om de prooidieren boven te krijgen. De tanden zouden dan aan de "binnenkant of -boog" glad geslepen moeten zijn. Het is net andersom: de buitenkant is glad. Alsof het dier met de kop omlaag, al schuddend over de bodem gaat. Wat is er veel te ontdekken door goed waar te nemen.

Toch zijn de tanden wel functioneel: de dieren gebruiken ze als pikhaak om zich op het ijs te trekken. Verder fungeren ze als wapen, met name bij de mannetjes in de voortplantingstijd.

Snorharen

Niet alleen de slijtage van de tanden bracht de onderzoeker op een spoor, ook de stand en de slijtage van de snorharen doen vermoeden dat het dier als een bulldozer over de bodem gaat. Dat blijkt ook uit een echo-opname van de zeebodem waar een walrus overheen gegaan is: duidelijk is een 40 centimeter breed 'glad' spoor te zien, precies de breedte van de snor.

Zou hij soms met die snorharen zijn prooi opzoeken? Kastelein legt uit: „Dan moet je eerst weten hoe gevoelig die zintuigharen zijn". De werking ervan is 'eenvoudig': zo'n stijve haar stoot tegen een object. De haar raakt uit zijn stand en werkt als een hefboompje. De basis van de haar -in de huid— prikkelt dan een zintuigcel; er gaat een seintje naar de hersens en de waarneming is een feit.

Igor, de jonge walrus van het Dolfinarium, werd —voorafgaand aan het onderzoek— getraind. Het beest kreeg oogdoppen op. Het ziet er met die attributen op nog droefgeestiger uit dan normaal. Sommigen dachten zelfs op grond van het uiterlijk van de dieren te moeten concluderen dat ze dom zouden zijn. Niets is minder waar; de walrus leert snel en graag.

Kogelvrij

Met oogdoppen op moet het dier een ronde of driehoekige vorm op een glazen plaat opsnorren in de meest letterlijke zin van het woord. Het leert „ja" knikken als het een rondje gevonden heeft en „nee" schudden als het om een driehoekje gaat. Een goede reactie wordt beloond, in Harderwijk met een vis.

Als het de training onder de 'vinpootknie' heeft, begint de echte proef. Het dier gaat achter de ruit. Die is wel gemaakt van kogelvrij glas, want hij zou er eens doorschieten... De videocamera filmt het zoeken. Op de film wordt de zoekbeweging dus van nabij gevolgd. Als de grootte van de Foto Dolfinarium/ Harderwijk. vormpjes wordt gevarieerd, blijkt dat zelfs rondjes met de doorsnede van het drukknopje van een balpen kunnen worden opgespoord. Dat is zo'n beetje de ondergrens, kleiner gaat niet meer. Dat betekent dat de tastzin van de walrussnor ongeveer overeenkomt met die van de vingertoppen van de mens.

Daarna liet Kastelein het vormpje 'zwerven' over de plaat, bij voorbeeld naar de rand. Als de walrus het vindt -dat kan al met de wat grotere snorharen aan de 'buitenkant'- doet hij al zijn best om de vorm in het centrum van zijn snor te drukken. Pas dan wordt aangegeven of hij rond of driehoekig is. De onderzoeker heeft nu weer wat geleerd: de walrus localiseert met de buitenste snorharen een object. Als het eenmaal gevonden is, wordt met de centrale haren de identificatie (herkenning) uitgevoerd.

Dat verloopt allemaal gladjes, maar wat gebeurt er als de ondergrond ruw is, zoals de zeebodem? Dat is na te gaan. Op de glasplaat wordt een laag grof zand gelijmd. Zo wordt zij herschapen in een stukje 'bodem'. Kastelein: „Het localiseren van de vorm gaat nu wat moeilijker, maar als het vormpje eenmaal is gevonden, gaat het benoemen net zo makkelijk als op de gladde plaat. Het lijkt er dus op dat als de walrus in de natuur een schelpdier -meestal een buisje dat boven de bodem uitsteekt— heeft gevonden, hij het dan goed kan onderscheiden van het zand. Het dier kan de afleidende 'ruis' dus onderdrukken".

Eskimo's

Toen het belang van de snorharen bekend was, wilde Kastelein ook wel eens weten hoeveel zenuwbanen er met de snor verbonden zijn. Daarvoor werd de anatomie van de snuit bekeken. Eskimo's eten walrusvlees. Van hen kreeg de Harderwijker bioloog een paar koppen. Dat moet uitdrukkelijk worden vermeld, want er wordt niet gedood ten bate van het onderzoek. Bij het ontleden (in samenwerking met dr. Gerrits van de 'Erasmus') bleek dat er dikke zenuwbundels van de snorharen naar de hersens lopen. De haren aan de zijkant hebben per zes haren een zenuwbaan, in het centrum van de snor is de verhouding een op een. Dat is het bewijs dat het dier daar uiterst gevoelig is.

Heeft het dier op de bovenomschreven manier de prooi gelocaliseerd en 'benoemd', dan wordt de schelp met de harde neus uit het zand gewroet. Wat dat betreft is de walrus dus te vergelijken met onze varkens, die met hun woelschijf ook in de bodem wroeten. Walrussen echter blazen dan ook nog water. Daardoor komt de prooi soepel omhoog. Er zijn walrussen gevonden die zo'n 6000 resten van schelpdieren in hun maag hadden. Het dier is zeker twaalf uur per dag bezig om die prooidieren te zoeken en te verorberen. Walrussen moeten dus veel intensiever werken om de dagelijkse kost bijeen te schrapen dan de zeehonden en -leeuwen. Vissen is heel wat makkehjker.

Andere zintuigen

Ook de andere zintuigen worden zo aan proeven onderworpen. Wat het gehoor betreft: inmiddels is duidelijk dat de lange, wat kromme gehoorgang actief gesloten, maar ook actief geopend kan worden. De vraag is wat de prikkel is om de buis weer open te krijgen. De Russen houden het op vloeistof, maar bewezen is het nog niet. En verder zou Kastelein wel eens willen weten wat het acoustisch nut is van zo'n lange holle buis. Daarvoor heeft hij contact gezocht met TNO.

Met professor KöSter van de Utrechtse Universiteit zijn er contacten om de reukzin nader te analyseren, terwijl weer een ander onderzoeksteam -onder leiding van de Leidse hoogleraar Dubbelman— zich bezighoudt met de vorm van

WETENSCHAP ^TECHNIEK

Schepping en tijd
Denken alle creationisten dat de aarde 6000 jaar oud is? En is de aarde echt niet ouder dan 6000 jaar of heeft de wetenschap het met 4,56 miljard jaar toch bij het rechte eind? Deze en veel andere vragen op dit gebied zullen onderwerp van lezing en discussie zijn op het congres "'Schepping & tijd". Dat congres wordt georganiseerd door de stichting Kreaton in samenwerking met de Akademie Oud-Zandbergen. Het wordt gehouden op 12 en 13 december in de gebouwen van de Akademie Oud-Zandbergen in Huis ter Heide.

Het thema "Schepping & tijd" zal vanuit verschillende vakgebieden -filosofie, astronomie, radiometric, sedimentologie en paleontologiebelicht worden. „Het doel van het congres is dat creationisten en evolutionisten een beter begrip krijgen van de wederzijdse standpunten en argumentaties", aldus de stichting Kreaton.

De sprekers zijn afkomstig van diverse wetenschappelijke instituten in de Verenigde Staten, Noord-Ierland en Nederland. Zo zullen onder meer dr. Ariel Roth en dr. Clyde Webster het woord voeren. Zij werken aan het Geoscience Research Institute, dat deel uitmaakt van de Loma Linda Universiteit in Californië (VS). Dat instituut is een van de weinige creationistische centra ter wereld waar geologen daadwerkelijk onderzoek verrichten vanuit een creationistisch kader.

Meer informatie en inschrijvingsformulieren verstrekt de Stichting Kreationistisch Studiecentrum: (03429) 2132 of (03430) 16094.

Nieuwe steentijd
Geologisch onderzoek door de Rijksuniversiteit in Leiden heeft aangetoond dat het gebied van de grote rivieren in de nieuwe steentijd intensief bewoond is geweest. Een meter of zes onder de grond hebben de geo-archeologen een groot aantal afvallagen uit de nieuwe steentijd ontdekt. Tot voor kort ging men er van uit dat door de aanwezigheid van moerassen, meren en waterlopen het gebied in de prehistorie zo goed als onbewoonbaar moest zijn geweest.

Het onderzoek, gesteund door de NWO-stichting voor Archeologisch Onderzoek Archon, toont echter aan dat de rivierduinen, donken genoemd, destijds intensief werden bewoond. Door middel van een dicht netwerk van boringen hebben de wetenschappers inmiddels vijftien donken onderzocht op de aanwezigheid van afvallagen. De onderzoekers vonden veertig van deze afvallagen, die voor de bewoning kenmerkend zijn. De lagen zijn zeer goed herkenbaar aan het fijn verdeelde houtskool, verbrand bot en donkzand.

Broeikasoplossing
De oplossing voor het probleem van het versterkt broeikaseffect ligt onder onze voeten. De kooldioxyde die vrijkomt bij de verbranding van fossiele brandstoffen, kan best opgeslagen worden in de lege aardgasvelden in onze bodem. De capaciteit van deze velden is zo groot, dat de volledige Nederlandse COi-uitstoot van 50 jaar daarin kan worden opgeslagen. Drs. Kornelis Blok, die volgende week maandag op deze materie aan de Rijksuniversiteit Utrecht promoveert, schat dat Nederland over tien jaar rijp is voor deze oplossing. In zijn proefschrift beschrijft de onderzoeker ook een pakket van 300 energiebesparende maatregelen die de COiuitstoot al voor het jaar 2000 drastisch kunnen beperken.

Onderzoekscholen
De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek heeft dertien aspirant-onderzoekscholen geselecteerd. Daarbij werd een keuze gemaakt uit 38 door de universiteiten ingediende voorstellen. Voor deze scholen zijn subsidies toegekend variërend van 750.000 tot 1,2 miljoen gulden. In totaal is met deze eerste ronde een bedrag gemoeid van 12,65 miljoen gulden. NWO is van plan om in 1992 weer een dergelijke ronde te houden. De organisatie heeft daarvoor 12,5 miljoen gulden in de begroting opgenomen.

In de eerste subsidieronde is sprake van een grote spreiding over de verschillende universiteiten. De Rijksuniversiteit Groningen heeft twee onderzoekscholen toegekend gekregen en de Rijksuniverseit Leiden en de Erasmus Universiteit Rotterdam samen drie. Alleen de Technische Universiteit Twente ontvangt in deze ronde geen subsidie. de tong.

Het gezichtszintuig leek tot nu toe niet zo belangrijk. Maar weer levert het onderzoek verrassingen op. Hoewel de dieren hun ogen aan weerszijden van de kop hebben, kunnen ze —door de oogbol naar voren te draaien— wèl 'diepte zien'. Verder blijkt uit weefselonderzoek dat er kegeltjes in het netvlies liggen. En dat zou er op wijzen dat de dieren kleur kunnen zien. Om hun vijanden hoeft dat niet, een ijsbeer is op een kleurenplaatje ook wit. Voor het ontduiken van een gevecht met roze (dus volwassen) mannetjes kan het van pas komen.

Maar niet alles kan tegelijk, daarom nog even geduld. „Voorlopig meldt het programma van onderzoek „een zintuig per jaar", aldus Kastelein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.