+ Meer informatie

Het pension van Coen Fonk

Twintig gasten en tien nationaliteiten

15 minuten leestijd

Een bonter geheel is in Nederland niet te vinden. Op ruim twintig gasten telt De Tros in Emmeloord tien nationaliteiten. Het overschot van de samenleving. Een illegale Algerijn, een zwakbegaafde Somaliër, een schizofrene Tamil, een hoogbejaarde vrouw die in het bejaardenhuis niet te handhaven was... Tegen alle verwachtingen in leeft het samenraapsel in redelijke harmonie tesamen. Het revolutionaire hulpverleningsconcept van Coen Fonk blijkt te werken. Portret van een ondefinieerbaar pension, geleid door een merkwaardige idealist.

Als dominostenen staan de flatjes achter elkaar. Drie verdiepingen hoog, gebouwd voor poldergezinnen uit de jaren vijftig. Een woonkamer, een paar slaapkamertjes en een bescheiden balkon. Om ongewenste verwisseling van de identieke bouwsels aan de rand van Emmeloord te voorkomen, kregen ze namen die herinneren aan het natte verleden van de polder. De Meerpaal, De Tros, De Boei. Het enige waarin De Tros zich onderscheidt, is het pension op de bovenste etage. Aanvankelijk was het bestemd voor polderwerkers die gedurende de ontginning van het nieuwe land onderdak behoefden. Door het plaatsen van een paar tussenmuren kon het publieke onderkomen na hun vertrek meteen worden omgevormd tot drie woningen. De nummers 15,18 en 21. Zo ver is het nimmer gekomen.

De Tros
Sinds '81 wordt het pension gerund door Coen Fonk, een zestiger met een groot hart in een nog groter lichaam en een onnaspeurlijk gevoel voor humor. Op de meest onverwachte momenten barst hij uit in een nerveuze lach. Onhandig beweegt hij zich door de nauwe gang van zijn wonderlijke winkel: een samensmelting van crisisopvangcentrum, aanloophuis, psychiatrische instelling, asielzoekerscentrum en bejaardenhuis. Tot '79 was hij werkzaam in de jeugdhulpverlening, de laatste jaren als directielid van een kindertehuis. Na een slepend conflict in verband met zijn afwijkende opvattingen kreeg hij de bons. Toen hij zijn evenwicht hervonden had, besloot hij zijn vermogen te investeren in een uiterst riskant project. Een pension voor drop-outs die buiten de boot van het reguliere hulpverleningscircuit vallen, omdat ze zijn uitgekeken op therapeuten of omgekeerd. Omdat in Zwolle het project niet van de grond kwam, week hij in '81 uit naar Emmeloord, waar pension De Tros ter overname stond aangeboden. Een toepasselijke naam voor zijn doelgroep.

Olga
Olga is met haar 93 jaren de oudste bewoner. Ze overleefde het Jappenkamp, heeft kind noch kraai, is stokdoof en sinds enkele jaren ook dementerend. In een bejaardenhuis was ze niet te handhaven, „'t Is een onmogelijk mens", verzucht > De Trosfunc- Fonk, die zelden een onvertotioneert onder gen woord uit. „Bijna niet meer meer als aan- te doen. Maar ja, wie vangt haar loophuis. op als ik het niet doe?" Tegen twaalven komt ze mopperend binnenschuifelen. Luid schreeuwend weet Fonk haar naar een hoek van de kamer te dirigeren. De ruimte in de huiskamer is beperkt. Zeker met de maaltijden. De twee eettafels zijn berekend op dertien man. De rest blijft rond de salontafel zitten. Mij is een plaats aan de achterste tafel toebedeeld, tussen een stugge knaap uit Curagao en een Tamil uit Sri Lanka. Nathan. Hij lijdt aan schizofrenie en is in het pension geplaatst vanwege zijn knokpartijen met niet-Tamils. Op zijn zwerftochten door Emmeloord klampt hij Jan en alleman aan. De een om een sigaret, de ander om wat drinken, bij een volgende loopt hij ongevraagd binnen om te telefoneren.

Stuurs
Op de vraag hoe het hem in De Tros bevalt, glimlacht hij mysterieus. De twee Irakese vluchtelingen tegenover me beginnen ook te grijnzen. Een zinvollere bijdrage kunnen ze niet leveren. Hun kennis van het Nederlands is uiterst beperkt. De zesde aan tafel is Peter, een in zichzelf gekeerde metaalbewerker die de arbeidsmarkt heeft gemist en al twaalf jaar werkloos rondloopt. Omdat hij zich te oud vond om nog langer bij zijn bejaarde moeder te wonen, trok hij in Eindhoven bij een krap behuisde schoolkameraad in. Tot die hem duidelijk maakte dat hij beter iets anders kon zoeken. Zo kwam hij in De Tros terecht, waar hij het grootste deel van zijn uitkering inlevert voor kost en onderdak. George, de Nigeriaanse assistent van Fonk, schenkt doorlopend melk en karnemelk. Hij eet pas als de anderen klaar zijn. Net als de pensionhouder zelf, die geagiteerd een ei pelt voor Olga. Stuurs kijkt ze voor zich uit, zonder een woord te wisselen met haar zwarte buurman.Ze heeft een afkeer van buitenlanders.

Baby
De eerste jaren balanceerde De Tros voortdurend op de rand van een faillissement. De situatie verbeterde wat, toen Fonk ontdekt werd door de sociale dienst. Sindsdien kreeg hij regelmatig mensen toegeschoven die naar de onderkant van de maatschappij waren afgezakt. De pensionkosten kon hij in rekening brengen. Daar bleef het bij. „Een paar keer heb ik gevraagd of we niet wat meer voor deze lieden konden doen. „Dat moet u zelf weten", was de reactie. „Het enige wat ons interesseert is dat ze een bed krijgen, dat het warm is en dat ze te eten hebben." Op een gegeven moment kreeg ik zelfs een moeder met een baby. Ze legde het kind in het bedje dat ik had klaargezet en verdween meteen weer. Heb ik drie maanden die baby verzorgd." Hoewel hij nog steeds als een vreemde eend in de bijt van de hulpverlening wordt beschouwd, is inmiddels een goed contact ontstaan met de reclassering, het algemeen maatschappelijk werk, de sociaal pedagogische dienst en het RIAGG. „Ik ben van hen afhankeUjk om te kunnen bestaan, maar omgekeerd hebben zij mij nodig voor mensen met wie zij verder geen kant uit kunnen."

Eenvoudige formule
Een stevig financieel fiindament heeft De Tros nog steeds niet. De pensionhouder moet opboksen tegen gesubsidieerde instellingen. Voor zichzelf heeft hij nauwelijks eisen. Een van de kamers is ingericht als kantoor. In het kamertje ernaast slaapt hij. Bij acute kamernood staat hij zelfs zijn slaapvertrek af en spreidt een kermisbed in het kantoor. De formule van Fonk is eenvoudig. Geef mensen vrijheid en vertrouwen, hanteer een aantal duidelijke huisregels en presenteer je vooral niet als hulpverlener. Een wezenlijk gesprek voer je in de keuken of achter de wasmachine, niet aan weerszijden van een bureau. „Ik heb de ellende gezien van de bureaucratie in de hulpverlening. Toen ik begon werden tehuizen geleid door een patriarch. De communicatielijnen waren kort en je wist waar je je aan te houden had. Op een gegeven moment was dat uit de tijd en kreeg je groepsleiders, assistent-hoofdleiders, hoofdleiders, teamleiders... Ambtenaren, die uitsluitend op vaste tijden en volgens vaste afspraken werken. Hetzelfde zie je in de ambulante hulpverlening. Daar zijn deze mensen op stukgelopen. Ze kunnen het woord hulpverlener niet meer horen. Daarom ben ik voor hen gewoon Coen Fonk."

Vluchtelingen
In '89 werd de alternatieve pensionhouder benaderd door het ministerie van WVC voor de opvang van asielzoekers. Hij ging akkoord, op voorwaarde dat ze niet meer dan de helft van z'n gastenbestand zouden uitmaken. Sinds '92 krijgt hij bijna uitsluitend probleemgevallen, zoals Abdul en Liban, allebei afkomstig uit Somalië. Liban lijdt aan schizofrenie, Abdul is diep gestoord. De eerste tijd smeet hij alle meubilair van zijn kamer. Een matras was het enige wat hij in zijn nabijheid verdroeg. Na de komst van Liban is wat verbetering opgetreden. Een gezellig vertrek is het nog steeds niet, maar er staan weer ledikanten. Liban staat als een schildwacht in de deuropening, een rode pet achterstevoren op z'n kroeshaar. Als de fotograaf verschijnt, trekt hij z'n maat uit bed en begint hem met aandoenlijke zorg wat op te kalefateren. Een shirt over het magere bovenlijf, een borstel door het klitterige haar. Wezenloos kijkt de zwakzinnige Somaliër ons aan. Als de foto gemaakt is, valt hij terug in bed en trekt de deken weer over zich heen. Liban gaat met ons mee om aan het eind van de gang z'n schone goed op te halen. Bij terugkomst is z'n kamer op slot. Pas na lang roepen doet Abdul open. Z'n bovenlijf heeft hij alweer ontbloot. Het benauwde kamertje ziet blauw van de sigaretterook.

Behulpzaam
Door de toestroom van allochtonen zag Fonk zich genoodzaakt het pension uit te breiden. Hij kocht twee maisonnettes boven een garage, enkele straten verderop. Als het even kan plaatst hij daar gasten die zichzelf kunnen behelpen. Mensen als Ako, een Koerdische vluchteling uit Noord-Irak, die de status van politieke vluchteling heeft ontvangen. De afgestudeerde natuurkundige volgt 's morgens in Zwolle een cursus Nederlands, 's Middags trekt hij zich in zijn bescheiden slaapkamertje terug voor de taaistudie. „Ik had op mezelf kunnen gaan wonen, maar dit is beter voor mij. Hier heb ik meer contact met de mensen. Het is belangrijk dat je snel de taal leert. En Coen is als een vader. Niet alleen voor mij. Voor iedereen." Peter, die in een kaal hokje naast dat van Ako huist, gaat zijn eigen weg. Alleen met de maaltijden laat hij zich zien. De rest van de dag brengt hij door in de pakweg vijf vierkante meter die hij zijn privé-domein mag noemen. Met boven zijn bed een berenplaat en achter het raam een droefgeestige straat. In afwachting van de dag waarop hij uit Eindhoven bericht krijgt dat een flatje voor hem beschikbaar is. Hoewel dat nog twee jaar kan duren, staat de koffer achter zijn bed al gereed.

Geen band
,Ja, wat doe je zo de hele dag?", vraagt de werkloze metaalbewerker zich hardop af „Een beetje muziek luisteren. En een beetje liggen, 't Is eigenlijk geen leven, dat ben ik wel met je eens. Al was ik gisteren met iemand in een psychiatrische inrichting en toen dacht ik: het kan dus toch nog slechter." De kans dat hij een baan vindt, acht hij minimaal. „Wie wil iemand van 31 hebben, die al twaalf jaar niet heeft gewerkt. En voor de sociale werkplaats voel ik niet. Ik wil niemand beledigen, maar om het daar uit te houden moet je denk ik toch van een wat lager niveau zijn." > Om dezelfde reden zit hij zelden in de huiskamer van De Tros. „Ik voel me er niet thuis. Het is mij te internaatachtig. De meesten zitten stom tv te kijken. Met Coen heb ik ook geen band. Andere jongens wel. Neem nou Kees, met die hond. Die is pas weg, maar hij komt nog elke dag aan. Omdat hij een band heeft met Coen. Ik heb dat niet." De twee Irakezen die me onder de maaltijd verschillende keren minzaam hebben toegelachen, delen een ruime tweepersoonskamer. Kamaran Ahmed is een broer van Ako, Saba Mustafa een neef Beide Koerden verlieten vrouw en kinderen in de hoop in Nederland een vrij bestaan op te kunnen bouwen. Dinsdagmiddag en vrijdagmorgen volgen ze taalonderwijs. De rest van de week is de tv hun belangrijkste tijdverdrijver. Kamaran is ook aan het tekenen geslagen. Trots toont hij een werkstuk waarin het lijden van zijn volk is vastgelegd. Dan verdwijnt hij in een kast, om er na enige tijd in traditionele Koerdische dracht weer uit te voorschijn te komen. Ter ere van ons bezoek.

Illegalen
Tegenover zeven door het ministerie geplaatste vluchtelingen heeft Fonk twee illegalen, die hem alleen maar geld kosten. Een Algerijn en een Liberiaan. Nordin zat in de gevangenis, toen tbc bij hem werd geconstateerd. Via de reclassering kwam de Algerijn in het Emmeloordse pension. Daarna woonde hij een halfjaar op zichzelf Opnieuw ging het mis. Met 138 uur strafarbeid aan z'n broek en een ingetrokken verblijfsvergunning logeert hij nu alweer maanden in De Tros. Uitgezet wordt hij niet. En Fonk moet maar zien. „Het gebeurt geregeld dat de politie met een illegaal voor de deur staat. Of ik er plek voor heb. Zo niet, dan moet ik 'm maar weer op straat zetten. Dat is toch een zot beleid. Pas heb ik er een keihard geweigerd. Heel vervelend, maar het kan niet anders. Ik heb er al twee. Terwijl dat commercieel helemaal niet kan. Maar je zet mensen niet zomaar buiten de deur. Dan weet je vooruit hoe het gaat. Ze moeten zien te overleven en komen in de criminaliteit terecht. Die verantwoording durf ik niet op me te nemen. Maar je zit er wel mee. Ze kosten me handen vol geld."

Hectisch
Als we twee dagen later terugkomen, is de situatie in het pension hectisch. Kees, een oudbewoner, komt even buurten met z'n gelijknamige hond. Olga loopt met een wijkverpleegster door de gang. In de keuken is een loodgieter aan het klussen. In het kantoortje rinkelt de telefoon. En Fonk struikelt met een dienblad over een verdekt opgestelde vlaggestok. Terwijl hij voor zijn poes wat koffiemelk in een schoteltje op het bureau giet, staat de pensionhouder de vrouw aan de andere kant van de lijn te woord of er niets aan de hand is. Een dame uit Limburg, die drama's heeft meegemaakt met haar zoon en de hulpverlening. Of Fonk geen plaatsje voor de knaap heeft. Ze is ten einde raad. Met eindeloos geduld legt de voormalige orthopedagoog uit dat daarvoor een plaatsende instantie nodig is. Bovendien ligt Emmeloord niet naast ZuidLimburg. In de deuropening wacht een Nigeriaan geduldig tot het gesprek is afgelopen. De poelier wacht op de bestelling. Vermoeid wrijft Fonk over z'n voorhoofd. Het leven eist van hem een zware tol. Zeven dagen per week is hij voor zijn gasten in touw, van 's morgens zes tot 's avonds half twaalf

Kees
De huiskamer zit vol, vanwege het druilerige weer. Links van me staart een Nederlandse schizofreen me wantrouwend aan. Op de bank kijken Nathan en Liban tv. Rechts zit Hassan Mohammed Sulaiman, een Soedanese vijftiger in een paars shirt. In het asielzoekerscentrum was hij niet te handhaven, maar bij Fonk is hij zo mak als een lam. Ako heeft vandaag geen school en loopt verloren op en neer te drentelen. Verveeld trekt hij een damcomputer uit de spellenkast in de hoek van de kamer. Zijn stemming verbetert wat als hij me kan inwijden in de geheimen van de Koerdische damkunst. Z'n twee familieleden houden het bij dominoën, een spel dat de laatste maanden grote populariteit geniet. Kees sluit zich bij hen aan. Hij heeft het nodige van het leven gezien. Geen werk, zoontje verloren, vrouw vertrokken. Z'n verblijf in De Tros kwam ten einde toen hij een flatje kreeg, maar 's morgens en 's avonds is hij er nog altijd te vinden. Vooral met de Koerden heeft hij goed contact. De Nederlanders laat hij Hnks liggen. „Dat zijn niet mijn types."

Aanloophuis
Voor tientallen oud-bewoners is De Tros een aanloophuis geworden. Ze kunnen er voor acht gulden warm eten. Fonk is ook niet te beroerd om hun kleren eens te wassen, of paperassen in te vullen. „Die man doet alles voor je", zegt Kees. „En hij laat je in je waarde. Natuurlijk heeft-ie ook wel 's z'n buien, maar dat heb ieder mens. Ik zou in Emmeloord geen betere gelegenheid weten. Al is het niet meer als vroeger. De een verstaat geen Nederlands en ik ben niet zo goed in Engels, dus je loopt wat langs mekaar heen. Ik geef Liban en Abdul wel 's een schouderklopje, maar als je met ze praat verstaan ze d'r geen ene moer van." Achter hem zeult Fonk met een stapel wasgoed, de twee bovenste knoopjes van z'n overhemd nog los. Zonder ooit iets te forceren heeft hij het wonderlijke allegaartje in zijn pension tot een redelijk harmonieus geheel weten samen te smeden. Door oog te houden voor de enkeling. Zijn leermeester Kees Boeke prentte hem al in zijn vroege jeugd de waarde van het individu in. Van al zijn gasten lepelt hij feilloos de dag op waarop ze kwamen. En in de wc hangt een verjaardagskalender met daarop de verjaardagen van de bewoners.

Jubileum
Eind vorig jaar werd op passende wijze het 12V2-jarig jubileum van de vergaarbak gevierd. Het werd een publiek eerherstel voor de miskende hulpverlener. Onder de lange rij van sprekers was onder meer professor Heydendaal, hoogleraar maatschappelijk-gehandicaptenzorg aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Fonk zelf onthield zich van een toespraak. Hij is de man van de praktijk gebleven, die naast alle coördinatie en administratie kleding wast, tafel dekt, wc's schrobt, plantjes water geeft en een potje domino met z'n gasten speelt. „Ik heb wel eens momenten dat ik denk: wat bezielt me eigenlijk om alsmaar aan de onderkant van de samenleving te zitten. Maar als je ziet dat zo'n pension voor een aantal mensen het opstapje is om wat verder te komen, geeft dat toch weer energie om door te gaan. Het enige wat me beangstigt, is dat ik ouder word. Wie neemt het straks van me over?" Olga is door de wijkverpleegster weer in bed geholpen. In de kamer ertegenover is een maatschappelijk werkster op bezoek bij een Marokkaanse puber, die na een daverende ruzie met z'n ouders op straat is gezet. In de huiskamer dekken Ako en Nordin de tafel. „Ik moet altijd nadenken", grijnst de Algerijn. „Bij jullie mes rechts en vork hnks. In Arabië andersom." George treft in de keuken voorbereidingen voor de avondmaaltijd. Op het aanrecht ligt een plastic zak vol kip. Een ideale vleessoort, die jood, christen en islamiet mag eten. De eerste jaren trok De Tros ook nog wel eens een passant. Of stagières van bedrijven in Emmeloord. „We hebben hier van toerist tot alcoholist", zei Fonk soms gekscherend. Maar die tijd is voorbij. De academicus die in Emmeloord praktijk loopt, is nu een witte raaf in De Tros. Vorig jaar trok de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond de consequentie. Het frisblauwe bord bij de ingang met "Erkend door de ANWB" werd verwijderd. „Ze vonden dat we niet meer voldeden aan hun normen", zegt Fonk en glimlacht berustend. „Daar hebben ze misschien wel gelijk in."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.