+ Meer informatie

MIDDAGBESPREKING

8 minuten leestijd

De door de inleider gesignaleerde breedte van het onderwerp gaf aanleiding tot een breed vraag en antwoordspel, dat zich na de middagpauze over vele punten uitstrekte. Deze inleider, prof. dr. H.G.L. Peels, werd daarbij geassisteerd door prof. dr. G.C. den Hertog, ds. A.P. van Langevelde en ouderling P. van Duijvenbode. Uit dit toch meerdere uren durende, maar nooit vervelende gebeuren kan uiteraard slechts puntsgewijs iets weergegeven worden. Moge het de afwezigen laten merken dat zij nogal iets gemist hebben.

Als heel wezenlijk werd een van de eerste opmerkingen ervaren, dat er bij het signaleren van de vele moderne vragen en opvattingen in en buiten de kerken in de lijn van Ezechiël en Daniël ook verootmoediging zal moeten worden uitgesproken. Wij mogen degenen die problemen hebben met de vanouds geldende geloofswaarheden niet veroordelen op afstand. “Wat zijn wíj geweest voor die anderen?” is de vraag die wij stellen moeten. Soms moeten we erkennen dat we elementen van het Woord hebben laten liggen. We dienen daarom solidair te zijn met dit land en dit volk. “Gij mocht zelf eens in verzoeking vallen”.…

Een persoonlijk getint verhaal meldde de keuze van jongeren, die een heel andere weg kozen dan die van het modernisme. Zij gingen de weg van een biblicisme waarin bijbelteksten “keihard letterlijk” worden genomen. Ook die over genezing. Deze keus voor wat nu maar generaliserend de “evangelische beweging” werd genoemd, werd toch ook als moeilijk ervaren.

De inleider achtte die keus enerzijds wel begrijpelijk. Bij alle verwarring en bij het zien van veel afval in de grote kerken grijpt men naar een vaste en radicale overtuiging. Wees daarom allereerst blij, dat deze jongeren bezig zijn met die dingen. Tegelijk moet anderzijds gezegd worden, dat ook dít een uiterst modern verschijnsel is. Men zoekt feitelijk verificatie, bewijs van het geloof in genezingen. En in de tweede plaats moet men hen mee nemen naar de Schrift zelf. Wát staat er nu eigenlijk? In welk verband staat het? Zijn de dingen écht zo duidelijk? Bestaat er wel geloof zonder aanvechting?

Er is bezwaar in te brengen tegen het alles-of-niets denken. Met dit al kunnen de echte vragen nl. ontkend of verdrongen worden. Bovenal: vroeg of laat komen ook deze jongeren met het prikkeldraad in aanraking. En zal hun zekerheid dan houden? Ook moet ervoor gewaarschuwd worden de bijbel niet als “receptenboek” te gebruiken. Genezingen vinden er ook onder ons plaats. Dat moet dankbaar genoteerd worden. Maar als men dat zou willen “organiseren”dan moet je voorzichtig zijn.

Overigens: we moeten ook onszelf spiegelen aan hun enthousiasme. Een verwijzing naar het door de Heiland gesignaleerde kleingeloof en zijn verklaring waarom de leerlingen de boze geesten van een jongetje niet konden uitdrijven - Mattheus 17 - leidde via de parallelteksten tot het belang van de relatie van ouders met betrekking tot de kinderen die zij ten doop hielden.

Hiermee kwam de catechese ter sprake. Daar is het belangrijk de vragen van de jongeren serieus te nemen. Het gaat dan niet alleen om les geven, maar ook om pastor zijn. Catechese gaat zo in de richting van groepswerk. Belangrijk is het taalgebruik. Dat moeten wij niet van de jongeren overnemen. We moeten het gebruik ervan door jongeren wel accepteren en verstaan. Zelf moeten wij verstaanbaar -willen- zijn. Het is van levensbelang om goed stevig onderwijs te geven. Dat schept een kader waaraan je houvast hebt. Soms is het goed iets uit het hoofd te leren. Dat geeft een goede gereformeerde ruggengraat. Gezegd mag worden: jullie kunnen je geholpen weten door wat er in het verleden is vastgelegd o.a. in de belijdenissen. Daar kun je veel aan hebben. Maar jullie moeten je het jezelf weer opnieuw toeëigenen.

De algemeen erkende noodzaak van leerdiensten, die als middagdienst niet altijd goed bezocht worden, gaven aanleiding tot de suggestie om ze dan - ook - maar ‘s morgens te houden.

Bij het zoeken naar antwoorden op hedendaagse vragen zal men soms ook op de betrekkelijkheid van de oude antwoorden stuiten. We zullen zo goed mogelijk moeten putten uit de Schrift, maar als het mogelijk is ook verder moeten gaan dan in de belijdenis is verwoord. Zaken als Israël, zending en evangelisatie, de vragen rond rijkdom en armoede komen daarin nog niet zo aan de orde.

Een oproep gaat bij dit alles uit om jonge mensen die gaan studeren goed te begeleiden, ze hebben het hard nodig.

Soms is er aanleiding te vermoeden, dat er thuis door de ouders weinig met de kinderen wordt gesproken over geloof. Dat is erg. Ook omdat kinderen de meest wezenlijke vragen kunnen stellen. Iemand zei ietwat gechargeerd: Als er thuis over geloofsvragen gesproken wordt, komen veelal slechts drie dingen aan de orde:

a. dat je netjes moet bidden voor het eten;

b. zolang je in ons huis bent moet je minsten één keer per zondag naar de kerk; en

c. niet kopen op zondag…

Je moet als ouders antwoord proberen te geven op hun vragen. Kinderen moeten bij hun ouders een hart vinden - d.w.z. levend contact met God.

Op de vraag of we nog wel getuigende gemeente zijn, antwoordde de inleider dat algemene opmerkingen in de trant van “er is een reveil nodig” het niet doen. Het begint heel persoonlijk, op de knieën voor God. Men mag overigens het goede dat er is, niet veronachtzamen. Sommige gemeenten zakken weliswaar in, anderen daarentegen groeien op. Wij mogen bidden en bouwen.

Wij zijn inderdaad een stad op een berg, zo werd gemeld na een desbetreffende vraag. Het gaat in Mattheus 9 immers allereerst om een constatering. Maar het is ook een opdracht. En we komen t.a.v. die opdracht wel tekort. Als tekenend meldde ds. van Langevelde, dat iemand die op zoek was naar “het meer in het leven” dat niet vond in overigens degelijke kerken. Maar ze was wel duidelijk ontroerd door wat ze over Jezus las in de bijbel. We moeten investeren in relevantie en verstaanbaarheid bij de verkondiging.

Hoe ga je om met mensen die uit de randkerkelijkheid en verder - gelukkig - weer op de terugtocht zijn naar de kerk? zo was een praktijkvraag. Het antwoord werd kort en bondig gegeven in drie kernwoorden: nabijheid, integriteit en authenticiteit.

De opmerkingen van jongeren, dat zij wel geloven, maar niet per se de kerk nodig hebben, worden aangevuld met en uitgelegd als: de kerk spreekt niet aan, boeit niet en ik voel me er niet thuis. Daarop kunnen dan ook wedervragen gesteld worden, bijvoorbeeld: Hoe kun je groeien als je niet in de gemeente komt om het Woord te horen uitleggen en de gemeenschap der heiligen te beleven? In dezelfde lijn werd gezegd: Bij de Alpha-cursus kun je soms bemoedigende resultaten opmerken t.a.v. geloof, terwijl de weg naar de kerk soms heel moeilijk gevonden wordt als de gang naar een heel andere wereld.

Hierbij is, zo werd gesteld, de taal van de kerk van belang. Die zullen we zorgvuldig moeten kiezen. We zullen niet nodeloos drempels moeten leggen. Tegelijk moet het besef van “het heilige” in de kerk beslist niet verloren gaan. Ook werd opgemerkt, dat het wezenlijk is, dat we de woorden “mee naar buiten nemen”. ‘s Zondags spreken over “gij zult niet begeren” en ‘s maandags als reclame-man inspelen op het nodeloos begeren van de mensen kan niet.

Er kan ook verzet zijn tegen het hart van het evangelie: verzoening door het bloed van Christus: is het een God van liefde die bloed vraagt? Let wel: daarvan is niet zomaar een uitleg te geven. Het gaat immers om een “dwaasheid” en “aanstoot”. Toch zullen we moeten proberen dóór te spreken en daarbij de hand in eigen boezem steken. Als God dít vraagt, is dan onze schuld zó verschrikkelijk? In die lijn moeten we het gesprek verder zoeken te gaan. Hier is geen rationalistische theologie op los te laten.

We gaan ook op huisbezoek. Bij mensen thuis kun je lectuur tegen komen van wereldse afkomst, terwijl de opdracht bij steeds grotere informatiestromen er is dit alles te weren. Hoe verhouden zich isolement en aanvaarding van de cultuur? De inleider wilde hier waken voor symptoombestrijding. Wij zijn alle kinderen van onze tijd: informatie-consumenten. Dan kan gevraagd worden: wat betekent voor u leven van het avondmaal? Begin bij de indicatief van het heil! Daarna kan gezegd worden: dit of dat past niet bij een leven uit het heil. Wij moeten wel uitkijken daarbij geen eigen stokpaardjes te berijden. Maar inderdaad mag onderstreept worden: slechts één ding is nodig…

Ambtsdragers moeten ook de moderne literatuur lezen, zo werd opgemerkt door broeders, werkzaam in het voorgezet onderwijs. Jongeren zijn immers verplicht dat te lezen. Bovendien: literatuur is wel de seismograaf van de samenleving genoemd. Veelal levert dat slechte zaken op. Maar zo ontdek je daar ook de vragen, die mogelijk zo al eerder geformuleerd kunnen worden. Dat een en ander leidde tot een spontane reciteerwedstrijd tussen de broeders Vuijk en Koole moge een indicatie zijn voor de ongedwongen en spontane wijze waarop vergaderd werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.