+ Meer informatie

OVER PREDIKANTEN EN PREEKVOORZIENERS

11 minuten leestijd

Dit wordt een hachelijk verhaal, maar het moet toch eens een keer gebeuren. Het is alweer een tijdje geleden dat in ons landelijk weekblad ‘De Wekker’ een aantal preekvoorzieners aan het woord kwam (109e jaargang, nr. 23). Dat was een goed initiatief: zij verrichten werk dat heel veel inzet vraagt, dat met grote tact en volharding gedaan dient te worden, en waarvan de gemeente doorgaans maar weinig merkt. Het is ook werk waarin men veel teleurstelling opdoet: veel telefoontjes leveren niet het beoogde resultaat (een zondag, of een halve zondag ‘bezet’ door een predikant) op. Kortom, men mag diep respect hebben voor de broeders en zusters die op deze wijze dienstbaar zijn aan de gemeente.

Er is ook een andere kant aan de zaak; daarmee bedoel ik de predikanten die al deze telefoontjes (of brieven) ontvangen en ze beantwoorden. Zij worstelen evenzeer met een probleem, namelijk dat ze graag willen helpen en de nood van de preekvoorziener aanvoelen, maar vaak onmachtig zijn daadwerkelijk te hulp te schiefen.

Dit artikel dient voor een juiste beeldvorming tussen predikanten en preekvoorzieners. Over en weer wil het namelijk nog wel eens ‘schuren’: wanneer een preekvoorziener op een maandagochtend voor de tiende keer bot vangt, of wanneer de predikant voor de derde keer die ochtend nee moet verkopen…

Schets van de situatie

Het is goed om eerst eens nuchter de mogelijkheden en onmogelijkheden van de zondagse preekvoorziening op een rij te krijgen. Daartoe bezien we de getalsmatige gegevens.

Onze kerken teilen 187 gemeenten, die samen 199 preekplaatsen hebben. Om in al deze preekplaatsen ‘s zondags een predikant te laten voorgaan, hebben we om te beginnen 145 gemeente-predikanten. Daarnaast is er een aantal predikanten dat niet aan het gemeentelijk werk deelneemt, maar toch (van tijd tot tijd) via de prediking de kerken dient. Er zijn daarin drie categorieën:

• De emeriti-predikanten. Er zijn er 39, waarvan er in ieder geval 11 niet meer voorgaan. Over blijven er dus 28. Ik ga ervan uit dat zij jaarlijks een maand vakantie opnemen en dat zij verder gemiddeld één maal per veertien dagen een zondag in de kerken dienen. Voor de één geldt dat het minder is, voor de ander is het meer, maar als gemiddelde komt dat aardig uit. Zij vervullen dus ieder 24 zondagen per jaar, dat is samen 672 zondagen per jaar.

• De predikanten in bijzondere dienst. Dat is een ingewikkelde groep in het kader van ons schema. Er zijn er 22, waarvan er ieder geval 12 niet beschikbaar zijn voor de zondagse diensten (wegens arbeid in het buitenland enz.). Over blijven 10 predikanten; een aantal van hen heeft ‘s zondags dienst in de eigen setting (verpleeghuis, dovendienst enz). Naar schatting kunnen zij gemiddeld per maand 1½ zondag aan de kerken geven, 11 maanden per jaar. Dat geeft 165 zondagen.

• De (emeriti-)hoogleraren en de universitaire hoofddocent in Apeldoorn). Een groep die waar mogelijk de kerken dient, en dat heel regelmatig; ook van hen geldt dat zij niet alle zondagen van huis kunnen zijn (thuissituatie, fysieke en mentale last). Ik stel dat er acht 11 maanden lang één maal per veertien dagen een zondag in de kerken dienen. Dat zijn in totaal 192 zondagen.

Dit alles betekent dat in deze categorie 1029 zondagen bezet kunnen worden. Ik benadruk dat dit een getal is dat aan de optimistische kant is. Veel meer zal het echt niet zijn, eerder iets minder.

Gemeentepredikanten

Daarnaast komen de gemeente-predikanten. Zij hebben een aantal zogenaamde vrije zondagen, te stellen op 10 per jaar. Nu wordt het spannend: hoeveel van die zondagen preken zij? Daarover bestaan de meest uiteenlopende gedachten bij hen die voor de preekvoorziening zorgen. Ik ga er van uit dat de gemeente-predikanten gemiddeld vier zondagen helemaal vrij houden. Ik weet dat de ene predikant er (veel) meer vrij houdt, en dat sommigen bijna iedere zondag preken. Opnieuw stel ik dat het gemiddeld aardig zal kloppen. Ik hoop het eerlijk gezegd ook: we gaan uit van een maand vakantie; dan mag de predikant ook helemaal vrij zijn! Ik meen dat het van groot belang is dat wij een aantal diensten per jaar onder het Woord zijn en zodoende iets van de Here ontvangen, waarvoor we niet eerst zelf hard hebben moeten werken en bidden. Ik wijs in dat kader op een artikel een maand geleden over de ‘tobbende dominees’. Dan maakt het tevens niets uit of die vakantie nu in het buitenland of dicht bij huis besteed wordt. Zes zondagen blijven dus over om ‘weggegeven’ te worden. Per jaar zijn dat samen 870 zondagen.

Nodig en beschikbaar

Hoeveel diensten zijn er voor vacante preekplaatsen nodig? Uit bovenstaande gegevens is af te leiden dat er 199-145=54 vacante preekplaatsen zijn. Die hebben ieder per jaar 52 zondagen; dat is samen 2808 zondagen. Daamaast zijn er ook nog eens ongeveer drie extra ‘zondagen’ (bid-en dankdag, Kerst, oud en nieuw). In totaal worden het er 2808+3x54=2970 ‘zondagen’.

Maar… de gemeenten die een predikant hebben gaan natuurlijk ook op het preekvoorzienerspad voor de 10 vrije zondagen van hun predikant. Er komen dus nog 145×10=1450 zondagen bij.

In totaal moet er dus jaarlijks in onze kerken voor 4420 zondagen voorziening worden gezocht.

Wat is daarvoor beschikbaar? Voor de niet-gemeentepredikanten stel ik dat de 28 emeriti en de 8 hoogleraren op de drie extra ‘zondagen’ (van Kerst enz.) de kerken dienen. Dat komt bovenop het getal van 1029 dat we al hadden. Dat maakt samen 1029+(28+8)×3=1137 beschikbare zondagen. Daar komen de 870 zondagen van de gemeente-predikanten bij.

In totaal zijn er dus 2007 zondagen weg te geven in het kader van de preekvoorziening.

Het gat gedeeltelijk opgevuld

Dit alles betekent dat er voor 4420-2007, dat is voor 2413 zondagen per jaar geen voorziening is. Dat wil per zondag zeggen dat in 44 Chr. Geref. Kerken de hele dag gelezen zou moeten worden, of 88 diensten.

Voor goed begrip: in deze berekening is geen rekening gehouden met tijdelijke uitval van predikanten: ziekte, bijzonder verlof enz. Het is dus een vrij optimale berekening. Anderzijds heb ik bewust de zondagen buiten beschouwing gelaten die in het kader van het preekconsent door studenten aan onze Theologische Universiteit kunnen worden vervuld. Laat ons zeggen dat deze factoren elkaar in evenwicht houden.

Wanneer preekvoorzieners deze getalletjes op zich in laten werken, zouden zij begrijpelijkerwijs het hoofd in de schoot kunnen leggen. Hoezeer men ook rondbelt of -schrijft, het is en blijft een feit dat er een behoorlijk gat zit tussen ‘vraag en aanbod’. Geen wonder dat men steeds vroeger in enig jaar voor een volgend jaar gaat beginnen…!

Eén gegeven is tot op heden echter nog niet verwerkt, en dat is het fenomeen van de zogenaamde ‘derde beurten’; verschwende predikanten zijn bereid een derde dienst op een zondag te leiden (sommigen, slordig met de agenda, komen zo nu en dan tot de ontdekking dat er zelfs een vierde staat). Theoretisch zou iedere gemeente ‘s zondags voorzien kunnen worden wanneer 88 gemeente-predikanten elke zondag een derde beurt vervullen (ik laat de groep emeriti enz. voor dit detail buiten beschouwing; zij mogen gerust de jeugd dit juk laten dragen!). Men kan zich voorstellen dat dit getal realiter zondag aan zondag niet te bereiken is. Daar ga ik graag nader op in.

De ‘derde beurten’

In het algemeen durf ik te stellen dat de predikanten hart voor de kerken hebben, ook in deze zin dat zij naar vermogen bij willen dragen in de nood van de preekvoorziening. Sinds de mobiliteit van het predikantencorps is toegenomen, hebben vele gemeenten het fenomeen ontdekt van de extra dienst die een predikant op een zondag zou kunnen vervullen. Binnen een straal van 50 km rondom de eigen woonplaats is de afstand redelijkerwijs te overbruggen. Persoonlijk heb ik er geen enkele moeite mee om op die wijze een steentje bij te dragen in de preekvoorziening. Integendeel, het voor een tweede keer houden van een preek die je net (of de week daarvoor) in eigen gemeente gehouden hebt, geeft de mogelijkheid om eventuele opmerkingen die je na die eerste keer ontving, te verwerken. Ik voel mij ook minder gespannen wanneer ik eenmaal een keer ‘door een preek ben heengegaan’. Denkelijk begrijpen zeker mijn collega’s wat ik bedoel. Ook heeft het iets moois in de kring van kerkenraden van het eigen kerkverband te verkeren en onder de opening van het Woord elkaar te ontmoeten. Dat schept een onderlinge band die waardevol is en als zegen te kenmerken is. Dit ter aanmoediging van de preekvoorzieners en ten gunste van hen.

Ontegenzeggelijk zit er ook een andere kant aan, die dit alles niet vanzelfsprekend maakt. De ‘derde beurt’ op zondagmiddag of -avond betekent meestal 2½ of 3 uur lang van huis en gezin weg zijn. U kunt zich indenken dat dit niet in iedere fase van de ontwikkeling van het predikantsgezin wenselijk is. Een predikant is - in veel gevallen - ook echtgenoot en vader. Er zijn predikantskinderen die rondlopen met de gedachte dat hun vader er voor alle gemeenteleden is, behalve voor hen… mag de zondag ook voor die gezinnen een beetje ‘gezinsdag’ zijn? lets anders is dat de verzorging van de zondagse eredienst een grote geestelijke en mentale druk op een voorganger legt; en als ik mij niet vergis, is die druk in de afgelopen jaren, rond alle kritische kanttekeningen die rond de diensten in den lande geplaatst worden, eerder toe- dan afgenomen. Niet ieder kan dit drie maal per zondag volbrengen; twee maal is - ook gezien iemands gezondheidssituatie soms - dan meer dan genoeg.

Andere factoren

In het bovenstaande gedeelte zijn nog slechts enkele theoretische lijnen getrokken t.a.v. de vulling van de zondagse diensten. Wie echter meer speciaal naar de praktijk gaat kijken, merkt dat het ideaal van de preekvoorziener nog minder gemakkelijk gehaald wordt dan de genoemde cijfers al doen vermoeden. Die praktijk is namelijk aanzienlijk weerbarstiger dan de theorie. Dat komt omdat vele predikanten hun vrije zondagen heel eensgezind op bepaalde data opnemen. Het kost bijvoorbeeld veel preekvoorzieners weinig moeite om de zondag na bid- of dankdag voorzien te krijgen. Maar zie eens een gemeentepredikant voor Kerst of Pasen te krijgen… Slechts in gemeenten waar predikanten ‘in combinatie’ voorgaan, is dan iets te halen. De zondagen in juli en augustus zijn berucht: veel predikanten nemen hun vakantie (zeker als de kinderen nog meegaan), zijn dus (meestal) drie zondagen achter elkaar weg en er is weinig beschikbaar. leder begrijpt dat de studenten die vanuit ‘Apeldoorn’ mogen preken - in die periode veelvuldiger dan tijdens het cursusjaar - dat grote gat niet kunnen opvullen. Het geheel heeft dus een grillig verloop, waar moeilijk greep op te krijgen is. Dan spreek ik nog niet over het feit dat de dominee van Zaamslag aanzienlijk minder kan bijdragen aan derde beurten (eenvoudigweg omdat er nauwelijks gemeenten in de omtrek zijn) dan de dominee van Rijswijk (waar het aantal gemeenten in een straal van 50 km ruim boven de dertig uitkomt).

Een nog klemmender factor

Tot slot wil ik iets aansnijden vanuit een heel andere invalshoek. Tot op heden is dit artikel aan de objectieve kant gebleven. Preekvoorzieners én predikanten krijgen echter ook soms te maken met een heel subjectieve kant, die te maken heeft met de onderlinge band tussen gemeenten en predikanten in onze kerken. Wat bedoel ik? Uit gesprekken hier en daar maak ik op dat er van beide kanten, zowel vanuit gemeenten als vanuit predikanten, soms barrières worden opgeworpen, voorwaarden worden gesteld t.a.v. het voorgaan in de gastgemeente. Die voorwaarden liggen dan in de liturgie die in de betreffende gemeente gebruikelijk is.

In 1934 nam onze generale synode een besluit met de volgende inhoud: ‘Geen student, kandidaat of predikant heeft het recht zelfstandig de liturgische orde te bepalen. Dit recht komt uitsluitend de kerkenraden toe’. Na enige tijd onder het stof gelegen te hebben, is dit artikel in de jaren ’80 weer in de Kerkorde opgenomen; u vindt het onder art. 64. De lijn is duidelijk: gastpredikanten voegen zich naar de plaatselijk gebruikelijke orde. En dat is ook goed: de gemeente zou anders in grote verwarring kunnen komen. Kerkenraden moeten - soms moeizaam verkregen - besluiten t.a.v. liturgie, inclusief bijbelvertaling en zangbundel kunnen doorvoeren zonder daarbij door een voor(bij)ganger gehinderd te worden. Daarom zien mijn liturgiebriefjes er, al naar gelang de gemeente waar ik voor mag gaan, zeer gevarieerd uit.

Wat zou het nu heilzaam zijn als zowel predikanten als kerkenraden c.q. preekvoorzieners elkaar niet bij voorbaat zouden atmeten naar de eigen voorkeur op dit gebied! Een nadere kennismaking met elkaar rond het verkondigde Woord zou - met respect voor de variatie in liturgie - onze kerken bijzonder kunnen bouwen. Teveel vormen onze kerken een soort ‘eilandenrijk’. Is het niet zo dat predikanten soms wegens een bepaalde vertaling of berijming ergens niet willen voorgaan? Weten we dan niet hoe relatief vertalingen en berijmingen zijn? En laat dat naar twee kanten werken: ik weet van een kerkenraad met een duidelijk liturgisch beleid, die niettemin een predikant uit de naaste omgeving graag laat voorgaan en daartoe de eigen gewoonten voor die dienst ‘verruimt’. Enige soepelheid naar beide kanten kan zo veel goed doen. Er is veel mogelijk als men er op let dat het uiteindelijk gaat om de verkondiging van het Woord, in welke liturgische bedding dan ook!

En met deze persoonlijke ontboezeming eindigt dit artikel, waarbij ondergetekende hoopt dat met name het cijfermatige gedeelte niet te ingewikkeld is geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.