+ Meer informatie

Naar de katechisatie

6 minuten leestijd

125

DE HEILIGMAKING. (1)

Op de weldaad van de „rechtvaardigmaking” des zondaars voor God volgt de heiligmaking. Let wel: niet omgekeerd. Nooit kan de heiligmaking enige invloed uitoefenen op de rechtvaardigmaking. Want de heiligmaking, zoals die in de wandel van Gods kinderen openbaar wordt, heeft geen verdienstelijkheid, gelijk ook niet het „geloof”. Gods volk wordt immers niet gerechtvaardigd o m het geloof, maar door het geloof. Het geloof is „middel”, „instrument”, zoals we besproken hebben.

Wat verstaat u onder de weldaad van de „heiligmaking”? De vernieuwing van de gehele mens, innerlijk en uiterlijk. Rom. 12: 2: „En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehaaglijke en volmaakte wille Gods zij.” I Petr. 1: 15 en 16: „Maar geijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uwe wandel, daarom dat er geschreven is: zijt heilig, want Ik ben heilig.”

Deze vernieuwing van de gehele mens heeft dus plaats direct n a de rechtvaardigmaking, want die wordt immers gekend door het GELOOF.

Zij is onderscheiden van de rechtvaardigmaking. De rechtvaardigmaking geschiedt éénmaal, als een rechterlijk vonnis van vrijspraak over de zondaar. Zij is ook volkomen, want de gerechtigheid van Christus, die wordt toegerekend, is volkomen. De heiligmaking is een voort gaand werk van de Heilige Geest. Zij is ook wat de beoefening betreft hier ten dele. I Kor. 13: 9 en 10: „Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele. Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, teniet gedaan worden.” Er is ook een toenemen in heiligmaking en een verachtering van dezelve. We hopen hierop nader terug te komen.

We kunnen de heiligmaking onderscheiden in tweeërlei zin, namelijk in actieve zin en in passieve zin.

Onder „in passieve zin” moeten we dan verstaan de daad Gods, waarbij de heiligheid van Christus aan al de uitverkorenen wordt toegerekend als weldaad door Christus verworven en geschonken in de wedergeboorte.

Onder de heiligmaking in „actieve” zin verstaan we de beoefening van heiligmaking in de wandel van Gods kinderen.

We willen dit nader verduidelijken.

De heiligmaking in „passieve” zin.

Zij is dus een weldaad door Christus verworven. Zij wordt bij de wedergeboorte de zondaar toegerekend en wel bij schenking en deelachtigmaking. Zie I Kor. 1: 30: „Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.” Gods kinderen leren Christus kennen als hun rechtvaardigheid voor God, maar ook als hun heiligmaking.

We moeten hier vooral letten op het woord: TOEGEREKEND. Rome leert, dat de rechtvaardigmaking is een instorting van gerechtigheid en heiligheid. Niet maar alleen door enkel genade, maar door HELPENDE genade is de gelovige in staat goede werken te doen. Want Rome leert ook, dat de mens door de zondeval een VERZWAKTE wil en natuur heeft. Rome is daarom half-pelagiaans. De bekende Dr. Kohlbrugge schrijft in zijn „Enige vragen en antwoorden tot onderzoek en oefening van zichzelf of bij het doen van belijdenis des geloofs’ het volgende: „God rechtvaardigt als Rechter de goddeloze, op grond van Christus’ genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid, alléén uit het geloof, zonder werken der wet.”

Wat nu is de heiligmaking in „actieve” zin?

Het is BEOEFENING van heiligmaking, welke uitkomt in de WANDEL der gelovigen. „Zijt heilig, want Ik ben heilig.”

In de wedergeboorte legt de Heilige Geest het NIEUWE beginsel van het genadewerk Gods. En dit is het beginsel van „heiligheid”, waarvan Zondag 44 in het antwoord op vr. 114 spreekt: „een klein beginsel dezer gehoorzaamheid”.

Het is een beginsel, dat nog wel klein is ten opzichte van de werking ervan, maar dat.... leeft! Diezelfde Zondag 44 zegt: „maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonde vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.’ Het is de „hebbelijkheid” van het geloof, waarin de uitgangen van het vernieuwde hart uitgaan naar den Heere, naar Zijn Woord en dienst met dus een heilige afkeer van de zonde en van de wereld. De Bijbel staat vol van opwekkingen tot het betrachten van de heiligmaking door Gods kinderen. Slechts enkele willen we er noemen. O.m. I Thess. 5: 23: „En de God des Vredes heilige u geheel en al.” Efeze 4: 24: „En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. I Petr. 1: 15: „Maar gelijk Hij Die u geroepen heeft heilig is, zo wordt ook gij zelve heilig in al uw wandel.’ Christus wekt de Zijnen op met het „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.” Matth. 5: 16. En in Joh. 15 tot vruchtdragen. En om nog een tekst te noemen uit het Oude Testament: „Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.” Jes. 43: 21.

Men heeft wel eens van de zo even genoemde Dr. Kohlbrugge gedacht, dat hij deze actieve heiligmaking loochende, in de zin van: onze heiligmaking ligt in Christus, althans dat hij er weinig acht op sloeg. Toch is dit niet geheel juist. Hij stelde wel degelijk een beoefening van heiligmaking. In het „Geref. Weekblad” van 23 september j.l. staat hierover een artikel: „Een hardnekkig misverstand”. Wie dit artikel kan bemachtigen, leze het er eens op na.

Dat Kohlbrugge wel eens zeer krasse uitdrukkingen doet: zoals „ik ben dood en verrot”, zo doet hij dat tegenover de „nomisten”, dit zijn de „werkheiligheids-drijvers”. Hij stelde zich scherp tegen de „brave Hendrik-theorie” van de verkapte Remonstranten. Vandaag zijn het de „medemenselijkheids”-figuren die op het doen van goede werken voor de naaste de nadruk leggen, waarin heel hun godsdienst bestaat, los van de EERSTE tafel van de Wet: allereerst wat God toekomt!

Kohlbrugge spreekt duidelijk van een andere heiligmaking, de heiligmaking, waarvan sprake is in Hebr. 12: 14, Rom. 12: 1, I Thess. 4: 3, Rom. 6: 12 en 19. En Rom. 9: 14: „hoeveel te meer zal het Bloed van Christus Die door den eeuwigen Geest Zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om den levenden God te dienen.’ Naar al deze teksten verwijst Kohlbrugge.

Onze vaderen hadden de strijd aan twee fronten met deze nomisten, die tot wettische werkheiligheid dreven en met de antin o m i n i a n e n, de wets-bestrijders, die het met het betrachten van heiligmaking niet zo nauw namen. Zij gaan van het standpunt uit: de wet is door Christus vervuld. Op de onderhouding van de wet komt het minder aan. De gedachtegang, welke Paulus aanhaalt in Rom. 6: 15: „Wat dan, zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade?” Maar dan getuigt Paulus met kracht: „dat zij verre!”

In een volgende les willen we D.V. nader ingaan op de „actieve” heiligmaking, zoals die openbaar wordt in de wandel van Gods kinderen, met de strijd hieraan verbonden.

O, bedenken we het toch: zonder wedergeboorte zal niemand het Koninkrijk Gods kunnen ingaan, maar ook: „zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien.” Smeken we om dit noodzakelijk werk van de Heilige Geest, dat Hij het in ons verheerlijke of, zo wij er geen vreemdeling van zijn, het versterke en verlevendige. We moeten gewassen worden door het bloed e n de Geest van Christus!

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.