+ Meer informatie

Rotterdam kiest op 6 maart nieuwe deeleemeenteraden

4 minuten leestijd

ROTTERDAM — De inwoners van Rotterdam in negen deelgemeenten kunnen woensdag 6 maart, tegelijk met de •verkiezingen voor Provinciale Staten van Zuid-Holland, hun stem uitbrengen voor een nieuwe deelgemeenteraad. De bedoeling van Burgemeester en Wethouders is, met uitzondering van een klein deel in het centrum, heel de gemeente Rotterdam op te delen in deelgemeenten. Dat gebeurt in 1994. Ter voorbereiding daarop worden nu al de grenzen van enkele bestaande deelgemeenten aangepast en het aantal raadsleden teruggebracht. Van dat laatste hebben vooral de kleine partijen last. SGP, GPV en RPF, of combinaties daarvan, zullen namelijk in de meeste deelgemeenten niet meer terugkeren. Een ordinaire strijd om de macht of een verkapte maatregel om toch de eigen zetels te kunnen bezetten?

Het Rotterdamse model van binnengemeentelijke decentralisatie is tamelijk uniek. Er is in Nederland geen andere stad te vinden die —zowel qua tijd, vorm, als inhoud- een enigszins vergelijkbare ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ook steden in de ons omringende landen geven op een andere wijze vorm aan de binnengemeentelijke decentralisatie. Rotterdam heeft in dit beleid een eigen spoor getrokken. Hoe het niet moet, heeft Rotterdam vooral van Amsterdam geleerd. In het Amsterdamse model heeft men na de instelling van deelgemeenten ook de gemeentelijke diensten opgesplitst. Door die versnippering van diensten met overal een eigen directeur verdwijnt de kennis en dat leidt tot een verlies van met name kwaliteit. In een stad als Rotterdam is gespecificeerde kennis juist noodzakelijk. „Het moet geen federatie van aparte eilandjes zijn", zegt deelraadsvoorzitter van IJsselmonde Coos Rijsdijk.

Een beschouwing over de toekomst van het Rotterdamse deelgemeentenbestel kan niet plaatsvinden zonder de ontstaansgeschiedenis van dat bestel erbij te betrekken.

Het decentralisatieproces in Rotterdam start al vrij kort na de Tweede Wereldoorlog. Op 25 maart 1947 wordt aan de gemeenteraad de Verordening op de wijkraden voorgelegd, waarin bepaalde wijken een adviesbevoegdheid krijgen. Naast de erkenning van de eigen identiteit van bepaalde wijken, dienden de wijkraden de burgerzin te bevorderen. De wijkgedachte verschafte de eerste 20 jaar na de Tweede Wereldoorlog de ideologische grondslag voor het wijkradenbestel.

Later werd aan de wijkgedachte een sociale dimensie toegevoegd: binnen het door de wijk gevormde territoriale kader zou een samenlevingspatroon moeten ontstaan, gebaseerd op hechte sociale bindingen binnen de woonomgeving. Overigens kan in de zogenaamde wijkgedachte een anti-stedelijke houding worden herkend. Dat blijkt onder andere uit de angst voor de slechte invloed van de grote stad op de jeugd (de zogenaamde asfalt-jeugd) en uit de negatieve kwalificaties die veelvuldig met de grote stad in verband worden gebracht (verderf, armoede, criminaliteit en massaliteit).

De behoefte aan sociale geborgenheid neemt in het wijkstreven een belangrijke plaats in. Samenwerking op kleine schaal moest leiden tot een harmonisch samenleven van burgers. Wanneer een aantal, voor het gebied representatief te noemen, politieke groeperingen daarom vroeg, kwamen er wijkraden. Dat gebeurde in Hoek van Holland, Pernis, Hoogvliet, Heyplaat, Overschie en IJsselmonde in 1947, Hillegersberg/Schiebroek in 1948, Kralingen en Kralingseveer in 1949, Oud Charlois en Nieuw Charlois in 1952 (samengevoegd in 1965) en Pendrecht in 1965.

Aan het eind van de jaren vijftig werd de wijkgedachte verdrongen door nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de uit de Verenigde Staten overgewaaide denkbeelden over "community organisation", in ons land bekend als het opbouwwerk. Ook in Rotterdam vond het opbouwwerk een goede voedingsbodem. Daarmee ontstond tevens een spanningsveld tussen de in betekenis toenemende rol van de overheid èn de democratische eis van participatie van de bevolking bij de bevordering van het welzijn van de locale gemeenschap.

Het conflict spitste zich toe op de al dan niet vermeende tegenstelling tussen het sociaal-culturele taakdeel op wijkniveau (opgeëist door de wijkopbouworganen) en het bestuurlijk taakdeel op wijkniveau (de wijkraden). In een aantal wijken werden wijkopbouworganen gesticht (in 1956 in Schiebroek, in 1960 in Zuidwijk en in 1961 in Prins Alexanderpolder, Lombardijen en Pendrecht), terwijl in 1964 een Stedelijk Sociaal Opbouworgaan werd ingesteld. Het conflict was hiermee geïnstitutionaliseerd. In het kader van de democratiseringsgolf die in de tweede helft van de jaren zestig over ons land spoelde, ontstond een spanningsveld tussen verkregen rechten van wijkraden enerzijds en de zich mobiliserende organisaties en burgers anderzijds.

BesiüuTsórgamt

Met de instelling van drie rechtstreeks gekozen deelgemeenteraden in 1972 (Charlois, Hoogvliet en Hoek van Holland) werd in Rotterdam een mijlpaal bereikt in de ontwikkeling van de binnengemeentelijke decentralisatie. De instelling van deze deelgemeenten ging gepaard met de overdracht van bestuurlijke bevoegdheden, die sinds de wijziging van de Gemeentewet in 1964 mogelijk was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.