+ Meer informatie

„TOEPASSELIJKE PREDIKING”

9 minuten leestijd

De aanhalingstekens in de titel wijzen er op, dat het om een aanhaling gaat. In „Dienst”, ons zusterblad, schreef prof. dr. C. Trimp een artikel onder deze titel (maart/april ′85). Hij had bij het schrijven de (vrijgemaakt) gereformeerde ambtsbroeders op het oog. In een ander (vrijgemaakt) gereformeerd blad las ik de opmerking, dat het goed zou zijn dat op het artikel van Trimp werd ingegaan. Door wie en waar dat werd geschreven, is mij ontschoten. In elk geval heeft de redactie „de handschoen opgenomen” en mij gevraagd te reageren.

Laat ik beginnen met te zeggen dat het artikel uitermate sympathiek en instructief van strekking is. Het begint met een paragraaf over „het kerkeraadsgesprek over de preek”. Een thema dat mij na aan het hart ligt. Graag benadruk ik de noodzaak van zulk een regelmatig terugkerend gesprek. „De aandacht richt zich op de vraag of de preek een concrete boodschap voor de gemeente bevat en of die boodschap ook metterdaad bij de gemeente arriveert.”

In meen de strekking van het artikel te mogen weergeven als een poging tot hulp aan kerkeraadsleden met het oog op het gesprek in de kerkeraadskamer over de preek.

Trimp onderstreept het belang en de verantwoordelijkheid van de preek. Hij kiest voor de omschrijving de preek als bediening. Hij herinnert aan alles wat er voorafgaat aan het opdienen van een maaltijd. De preek als bediening is de laatste actie voordat het tot consumptie kan komen. Het gehoorde Woord van God moet als geestelijk voedsel zo eigen gemaakt worden, dat het leven met God krachtig en gezond wordt en blijft. De Geest reikt ons in de preek de verzoening aan en staat in voor de „toeëigening” van het heil.

Trimp schrijft dat toeëigening een dubbelzinnige term is. Zij kan zien op de arbeid van de Heilige Geest, die mij deel geeft aan het verkondigde heil. Zij kan ook duiden op de geloofsoefening, waarin het gemeentelid zich dat heil eigen maakt.

Hij geeft in dit artikel de voorkeur aan de term toepassing, hetgeen ziet op het werk dat Christus door Zijn Heilige Geest aan ons wil doen. De Heilige Geest bedient Zich van het Woord, waarin Hij zelf spreekt. Hij bedient zich ook van het gesproken woord in de prediking.

Hieruit trekt hij de conclusie dat heel de preek behoort tot de toepassing als werk van de Heilige Geest. Toepassing is dus niet het actuele, toegespitste woord aan het eind van de preek. Zij is niet een onderdeel of sluitstuk, maar behoort kenmerk te zijn van de preek als zodanig. De hele preek moet als bediening toepasselijk zijn. Bediening en toepassing zijn twee woorden voor dezelfde zaak. Het is niet zo dat bediening is uitleg èn toepassing. Het gaat om uitleg als bediening = toepassing.

De toepasselijkheid van de prediking betreft dus het karakter van de preek als bediening van het Woord.

De preek moet afgestemd worden op het gehoor. Zo gaat het ook bij een maaltijd. Deze is afgestemd op de behoeften en mogelijkheden van de tafelgenoten.

Deze afstemming brengt vijf vereisten mee:

1. De predikant moet de gemeente respecteren. Hij moet gemeenteleden niet bevoogden of bemoederen. Zij zijn in staat om zelf het Woord van God te verwerken.

2. De predikant moet de preekstoel respecteren. Hij moet niet allerlei zaken ter sprake brengen, uit de samenleving, de politiek en de wereld. Hij moet het Evangelie en de wet van Christus prediken.

3. Hij moet zijn tekst respecteren. Dat wil zeggen: hij moet de tekst zelf laten spreken. Hij moet laten zien hoezeer het dienen van deze God levensredding en levensvervulling is. Hij moet de gemeente lokken tot de verwachting van de heerlijke toekomst, die zij tegemoet gaat.

4. Soms moet de predikant uit respect voor de tekst heel concreet worden en zeer toegespitst preken. Hij mag dan ook niet zijn eigen voorkeur, leefpatroon of stokpaardje naar voren brengen. Steeds blijft het de vraag: Is de preek als zodanig brood voor de Kerk. De gemeente heeft recht op brood. Stichtelijk tutti-frutti kan dat niet vervangen.

5. Er zijn situaties, waarin de predikant ten aanzien van kwesties in de gemeente niet specifiek een ja of nee op de preekstoel kan uitspreken. Wijsheid en bezonnenheid dienen ertoe de zaak in een breder kader te zetten.

Vanuit deze principiële gezichtspunten moet er in de kerkeraadskamer over de preek gesproken worden. En dan kan de predikant aan de hand van opmerkingen van de ambtsdragers nagaan of hij in zijn preken ingaat op vragen, die leven en resoneren in de harten van de gemeenteleden.

Als we het geheel overzien, dan treft de hartelijke en ernstige toon waarop over de preek wordt gesproken. Er wordt aangedrongen op bediening van het Woord zonder bijkomstigheden en op dienstbaarheid aan Christus en Zijn Geest met de uitleg van het Woord.

De grondstelling is: preken is uitleg en toepassing. De toepassing is niet iets dat er apart bijkomt. De toepassing is één met de uitleg. Vandaar dat wie het Woord bedient, toepast. Toepasselijk preken geschiedt daar waar het Woord wordt bediend. Ik vraag me af of Trimp de zaak niet te simplistisch voorstelt. Hij schreef dat toeëigening een dubbelzinnig woord is: toeëigening door de Heilige Geest èn door de hoorder zelf. Hij meent dat toepassing alleen door de Geest gemaakt wordt. Niettemin wordt duidelijk dat ook de predikant in de toepassing actief is. Let op concrete toepassing die nodig is! Toepassing is naar mijn gedachte even dubbelzinnig als toeëigening. Ik gebruik Trimps eigen term. Zelf zou ik hier niet van dubbelzinnig willen spreken.

In elk geval heeft ook de predikant een taak met betrekking tot het maken van de toepassing. Hij moet de boodschap van de tekst concretiseren.

Hier is een oud vraagstuk aan de orde! De vroege gereformeerde homiletiek sprak over preken als uitleg en toepassing. Naar mijn gedachten wilden de gereformeerde homiletici uit vroeger eeuwen zeggen: preken is meer dan exegetiseren. Men kan exegese omschrijven als uitleg. Doch wie geëxegetiseerd heeft, heeft daarmee nog niet een preek klaar. Wat de preek tot preek maakt, is juist de verwerking van de resultaten van de exegese. Die verwerking noem ik de toepassing.

Natuurlijk kan men zeggen: wie geroepen is om het Woord te bedienen, is geroepen om de uitleg toepasselijk te verrichten. Er zijn passages in het artikel van Trimp waarin ik deze tendens opmerk. Dan zegt hij in feite: prediking is toepasselijke uitleg van het Woord.

Toch vraag ik me, opnieuw lezend, af of hij het bijvoeglijk naamwoord toepasselijk wel gebruikt wil zien worden. Hij kiest veeleer voor: bediening van het Woord; en dat is per definitie toepassing.

Met deze laatste conclusie kan ik instemmen. Het komt er in elk geval op neer dat er een uitleg gegeven wordt die afgestemd en toegespitst is naar de hoorders! Denk aan het herhaaldelijk gebruikte beeld van de maaltijd. De spijzen worden voor het gebruik klaargemaakt. De prediker is exegetisch met het Woord bezig om in de prediking een maaltijd of brood op te dienen!

Als ik Trimp goed begrijp is hij geen tegenstander van een toepassing. Hij wil deze echter niet als apart, subjectief element opnemen. Hij acht de toepassing eigenlijk gegeven met de uitleg. Vanwege het zo nauw bij elkaar houden van uitleg en toepassing, zijn ze één en niet twee; zo kan hij bediening van het Woord per definitie gelijk stellen met toepasselijk preken.

Opnieuw zeg ik: waarom één en geen twee woorden? Als de exegese verricht is, is de verwerking van de exegese tot een preek die brood voor het hart is, een tweede fase in de voorbereiding van de preek. Men moet het in de uitleg gevondene toespitsen, het brood verwerken. Deze verwerking noem ik de akte van het toepassen. Als ik Trimp goed begrijp, wijst hij de zaak van de toepassing en ook de verschillende fases in de broodbereiding niet af, alleen wil hij voor het hele proces de term bediening van het Woord gebruiken, terwijl de toepassing het werk van de Heilige Geest is.

Ik blijf er voor pleiten dat de toespitsing van het in de exegese gevondene de toepassing naar de gemeente is. Ik erken dat men exegese en toepassing soms zo uit elkaar gehaald heeft, dat de toepassing een zelfstandig stuk van de preek ging worden; zelfs los van de exegese. Waar dat gebeurt, is de term toepassing niet meer op zijn plaats. Daar wordt de uitleg immers niet toegepast. Daar wordt een van de tekst onafhankelijke beschouwing, of een aan de tekst vastgeplakte, zelfstandige redenering voor toepassing uitgegeven. Deze verdient die naam echter niet!

Met Trimp zou ik tegen die procedure en methode partij willen kiezen. Anderzijds zie ik niet in, waarom de toepassing niet als bewerking van de exegese zelfstandig genoemd zou mogen worden. Wat Trimp naar voren brengt: toepasselijk preken = bediening van het Woord, zie ik als omschrijving van de roeping van een dienaar van het Woord! De uitvoering van die roeping betekent metterdaad de tweeslag: uitleg en toepassing. Ik heb er geen moeite mee te zeggen dat deze onderscheiding geen scheiding mag worden. Ik wil graag onderstrepen dat ze in de bediening van het Woord bij elkaar behoren. Niettemin is het toepassen van de resultaten van de exegese een tweede fase in het maken van de preek na het exegetiseren. Ik acht het nodig, met twee woorden te blijven spreken. Dan kan men immers ook vragen of deze toepassing bij deze tekst behoort. Wie van deze tweeslag niet wil spreken, identificeert uitleg en toepassing. Ik meen begrepen te hebben dat Trimp zulk een identificatie niet wil. Er is bij hem ruimte voor overgang van uitleg naar toepassing, ook al wil hij ze vlak bij elkaar houden. Het lijkt mij gezonder, zuiverder en beter te bediscussiëren als men openlijk de tweeslag handhaaft.

Dat komt de toepassing ten goede en het geeft de mogelijkheid naar de legitimiteit van de toepassing bij deze tekst te vragen.

Bij mij blijft de indruk achter dat Trimp de toepassing aan de Heilige Geest toeschrijft, en daarmee de taak van toespitsing, concretisering - ongewild - onderwaardeert. Ik wijs een aparte toepassing - na de tussenzang, zoals vroeger - af. Ik onderscheid wel tussen uitleg en toepassing, al besef ik dat de overgang vloeiend is. Het zou kunnen zijn dat er naar mijn opvatting toch meer in de toepassing aan de orde moet komen dan Trimp nodig acht. De functie van het geloof, het werk van de Geest dat het heil schenkt, wedergeboorte en bekering horen bij het toepasselijk preken. Of wil Trimp zeggen: de Geest maakt de toepassing, en daarom behoeven wij over de Geest en Zijn werk binnen de toepassing niet te spreken? Dan verschil ik met hem van mening. Bij de toepassing behoort ook het spreken over bekering en geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.