+ Meer informatie

Sociale werkvoorziening jubileert

"Hier kan men zien wat er met deze jongen of dit meisje toch nog te bereiken is"

8 minuten leestijd

Jan Hooikammer pakt een metalen plaatje van de pallet links naast hem. Hij legt het onder een machine, die er twee hoeken afhakt. Daarna gaat het plaatje, de basis voor een afschermbordje voor aanhangwagens, naar de pallet rechts. Geen collega van Werkvoorzieningschap Reestmond die zijn rappe tempo kan evenaren, glundert hij.

"Ik heb hier 33 jaar gewerkt. Ik ben maar één dag ziek geweest", zegt Jan. Hij staat op van zijn stoel, loopt naar een hoge stelling. Wijst met zijn zware handschoen. Alle gaten en hoeken in de stukken ijzer die daar liggen, zijn het werk van Hooikammer. In het recente onderzoek waaruit bleek dat Nederlanders steeds minder om hun werk geven, staat zijn mening niet verwoord. Vakantie, dat betekent wachten tot hij weer mag beginnen.

Dat mensen met een handicap gewoon moeten kunnen werken, lijkt een simpele stelling. Maar aan het stekje van Hooikammer op de metaalafdeling van Reestmond, een organisatie waaraan onder andere de gemeenten Meppel en Staphorst deelnemen, gaat een hele geschiedenis vooraf. Bij 75 jaar historie van de sociale werkvoorziening vallen de nodige kanttekeningen te plaatsen.

Zwaar verminkt

"In iedere familie is helaas wel een -zij het ook ver verwijderd- lid dat door de Voorzieningheid wat minder bedeeld is met de natuurlijke geestelijke en physieke middelen om zich door het leven te slaan. Hier kan men zien wat er met deze jongen of dit meisje toch nog te bereiken is. En dat is frappant! Verschillende instellingen zijn er met smaakvol ingerichte inzendingen vertegenwoordigd en laten zien aan de hand van diapositieven, foto's en gipsmaquettes, wat zij terecht gebracht hebben van menschelijke wrakken, ternauwernood bij eenig rampspoedig accident aan den dood ontrukt, maar voor het leven zwaar verminkt. Duidelijk komt uit hoeveel de menschelijke wil kan bereiken, vooral wanneer hij een psychisch steuntje krijgt."

De schrijver van het verslag in De Telegraaf van 3 oktober 1928 is onder de indruk van de tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum. En laat dat net de bedoeling zijn van de organisatie, de Nederlandse Vereeniging tot bevordering van den Arbeid voor Onvolwaardige Arbeidskrachten (AVO). Mensen met een handicap konden óók een plek op de arbeidsmarkt verwerven, maar daarvoor moesten eerst de geesten rijpen.

"Nederland liep duidelijk achter met allerlei maatregelen voor mensen met een handicap", zegt Frans Huijsmans, hoofd voorlichting van de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie (ANGO). "Het mag misschien cynisch klinken, maar een belangrijke oorzaak is de Eerste Wereldoorlog. Die was aan Nederland voorbijgegaan. Dus hadden wij niet te maken met grote aantallen oorlogsslachtoffers die invalide waren geworden en opnieuw hun draai moesten zien te vinden in de samenleving."

Nederland wist echter een inhaalslag te maken. Verschillende particuliere initiatiefnemers sloegen de handen ineen, wat op 31 augustus 1927 leidde tot oprichting van de AVO, een van de organisaties die uiteindelijk zouden opgaan in de ANGO. Leidende gedachte was dat mensen met een handicap door werk inkomen, onafhankelijkheid en zelfrespect kunnen krijgen. Huijsmans: "De AVO-leiders noemden ook het vernieuwende idee dat werk de mensen zou afhouden van afglijden in ijdelheid, alcoholisme en criminaliteit."

Achterstand

Een congres in Amsterdam moest ruim een jaar later leiden tot meer kennis over de situatie van gehandicapten. Die kennis, zo bleek, was nauwelijks voorhanden. Temeer een bewijs voor de achterstand die ons land had daar waar het ging om de positie van mensen met een handicap op de arbeidsmarkt. De genoemde tentoonstelling in het Stedelijk Museum beoogde de beeldvorming bij te stellen.

"Kennis vergaren over mensen met een handicap en de beeldvorming bijstellen, het klinkt driekwart eeuw later nog bijzonder actueel", zegt Huijsmans. "Zo actueel, dat ik me afvraag of ik er wel eens blij mee ben. Want je zou je haast afvragen of er in de tussentijd wel iets is verbeterd." Het congres leverde in ieder geval concrete aanbevelingen op en, zeker zo belangrijk, de politiek trok zich de boodschap duidelijk aan.

Meteen al na de oprichting van de AVO waren op verschillende plaatsen in het land sociale werkplaatsen van de grond gekomen. Dat proces zette door. "De nadruk op lokale initiatieven duidt op een moderne beweging", zegt Huijsmans. "Het besef rees bovendien al snel dat het niet slechts om een werkplaats ging, maar ook om een afzetmarkt. Met het stapelen van voorraden schiet je weinig op."

Een aardig voorbeeld van het vrij eentonige werk in sociale werkplaatsen was het ponsen in 1935 van 268.928 fietsplaatjes, die dienden als bewijs voor de rijwielbelasting. Een opdracht van het Rijk, hoewel het nog jaren duurde voordat de aanbevelingen van het AVO-congres in overheidsbeleid waren omgezet. Want de interesse uit Den Haag ten spijt, door de beurscrash op Wallstreet in 1929, de daaropvolgende economische crisis en de toenemende oorlogsdreiging waren de prioriteiten elders komen te liggen.

Na de oorlog kwam de herkansing. De golf aan wetgeving op sociaal-economisch gebied raakte ook de sociale werkplaatsen. In samenhang daarmee verschoof het accent in toenemende mate van particulier initiatief naar overheidsbemoeienis. Sluitsteen van deze ontwikkeling is de Wet sociale werkvoorziening (WSW) van 1969. Vanaf dat moment ligt de landelijke regie in handen van de centrale overheid en geven (clusters van) gemeenten daadwerkelijk vorm aan de sociale werkvoorziening.

Bedrijfsleven

Met het verstrijken van de tijd is ook de visie op arbeid voor mensen met een handicap gewijzigd. Huijsmans: "In de beginjaren was er sprake van zinvol, maar monotoon werk. Mensen met een handicap werden als onvolwaardi ge arbeidskrachten beschouwd. Maar vanaf 1952 staat de afkorting "AVO" voor "actio vincit omnia", ofwel: arbeid overwint alles. In het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog wordt anders aangekeken tegen mensen met een handicap."

Huijsmans, ervaringsdeskundige, wijst erop dat sociale werkvoorziening meer inhoudt dan alleen de sociale werkplaatsen. "Het blijft een vangnetfunctie. De doelstelling is en blijft mensen met een functiebeperking een opstap te bieden naar een baan in het reguliere bedrijfsleven. Er is een scala aan mogelijkheden om mensen in het bedrijfsleven te detacheren. Waarom zou je dat niet doen?"

Met een blik op driekwart eeuw ervaring met sociale werkvoorziening weet Huijsmans het antwoord. "Overleg met het bedrijfsleven zal er niet toe leiden dat een substantieel deel van mensen met een arbeidshandicap aan het werk komt." Een conclusie die hem met zorg vervult.

Als drastisch wordt ingegrepen in de WAO, vreest hij dat mensen met een arbeidshandicap van 35 tot 80 procent, tussen de wal van het reguliere bedrijfsleven en het schip van de sociale werkvoorziening vallen. "Deze categorie komt straks niet meer in aanmerking voor een WAO-uitkering. Als zij geen aangepast werk vinden, kunnen zij straks nog slechts één kant op: naar de bijstand. Want ook voor de sociale werkvoorziening komen zij niet in aanmerking."

Wat óók voor werkvoorzieningschappen een probleem oplevert. Directeur Gert Veld van Reestmond licht toe: "Sinds de wetswijziging van 1998 krijgt de categorie mensen met een sociaal-economische handicap geen indicatie meer voor de nieuwe WSW. Dat is buitengewoon jammer, want juist deze mensen brengen veel ervaring en vakkennis mee. Zonder hen kan het straks lastig worden kostendekkend te draaien."

Evenals Huijsmans is Veld ervan doordrongen dat sociale werkvoorziening een vangnetfunctie heeft. "Ons staat voor ogen dat onze werknemers zich moeten ontwikkelen, zodat ze uiteindelijk kunnen doorstromen en uitstromen naar een reguliere baan." Maar de praktijk is weerbarstig.

"Werkgelegenheid voor mensen met een handicap is een onderwerp dat de toestand van de economie goed weerspiegelt. Toen het in de jaren negentig iedereen voor de wind ging, meende de politiek dat er genoeg werk was om de uitstroom uit de sociale werkvoorziening omhoog te krikken. Hoewel de realiteit anders is, zitten we wel vast aan de nieuwe criteria."

Ambitie

Terwijl door de nieuwe regels het aantal mensen dat absoluut geen zicht heeft op doorstroming toeneemt bij Reestmond, schrijven dezelfde regels voor dat een kwart van de nieuwe instromers in het bedrijfsleven te werk moet worden gesteld. Veld haalt zijn schouders op. "Een onnozele doelstelling, die nergens in het land wordt gehaald." Toch is actie geboden als de sociale werkvoorziening méér wil zijn dan een verliesdraaiende subsidiefabriek.

Reestmond, met 800 arbeidsplaatsen een bescheiden speler, kiest de aanval. De ambitie, licht de directeur toe, is een "leer-werkbedrijf" te worden met een zo breed mogelijk aanbod aan werk, strekkend van reïntegratie tot volledig gesubsidieerde arbeid. "Een stap met risico's, maar die gaan we niet uit de weg.

Toch blijf ik hopen, ondanks alle wilde plannen, op tijdig inzicht bij de politiek dat een aantal mensen altijd op vormen van gesubsidieerde arbeid blijft aangewezen. Werk is zo belangrijk voor mensen. Het geeft hun een vast ritme, zelfvertrouwen en een doel in hun leven. Bezuinigen op gesubsidieerde arbeid zal ertoe leiden dat de kosten in een andere vorm terugkomen in de maatschappij."

Op de metaalafdeling van het gebouw op het Meppeler industrieterrein pakt Hooikammer weer een plaatje van de linkse stapel. Of de pallet vandaag nog leeg moet? Die vraag is goed voor een meewarige blik. Geen chef die Jan kan opjagen. "Ik laat me niet gek maken." Hij concentreert zich weer. De stapel rechts groeit gestaag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.