+ Meer informatie

Slotwoord diakenenconferentie in Amersfoort op 18 oktober 1975

3 minuten leestijd

Broeders,

Aan het einde van deze conferentie wil ik met een kort slotwoord volstaan. Het is, geloof ik, geen verkeerd besluit geweest om op deze conferentie de pastorale aspecten, verbonden aan het probleem van de werkloosheid, aan de orde te stellen. Dat besluit hield overigens wel het risico in, dat bij de bespreking van dit onderwerp een gevoel van machteloosheid over ons zou komen.

Minister Boersma begon vanmorgen met de opmerking dat de zeven vette jaren voorbij zijn en dat de zeven magere jaren zijn ingegaan. Er lijkt in de ontwikkelingen iets onherroepelijks te zitten.

Het is vandaag in meerdere toonaarden gezegd: onder invloed van een heleboel met elkaar samenhangende internationale factoren bewegen we ons in neerwaartse lijn. En niemand weet hoe, wanneer en door wie daarin een keer ten gunste kan worden gebracht. Vandaag zijn we niet verder gekomen dan ons beraden over de vraag hoe wij in de kerk van Christus elkaar onder deze omstandigheden zo goed mogelijk tot een hand en een voet kunnen zijn. Ds. Hilbers heeft ons daarvoor in zijn referaat behartigenswaardige aanwijzingen gegeven.

Wie het probleem dat vandaag onze aandacht had alleen horizontaal beziet, gaat straks met een heleboel, misschien wel uitsluitend sombere gedachten naar huis. Eén van de deelnemers merkte vanmorgen op dat de hele ontwikkeling van vandaag allereerst als een oordeel van

God moet worden gezien. Met de hantering van het begrip „oordelen Gods” moeten we voorzichtig zijn. Daarover kan men alleen met grote zorgvuldigheid spreken. Wel zullen wij er als christenen vanuit moeten gaan — en dat is tegelijk ook onze troost — dat ook de fase in de menselijke geschiedenis die wij doormaken, een plaats heeft in de stuwing van de Heere God naar de afronding van deze bedeling en naar de volle ontplooiing van het Koninkrijk waarin van frustraties rond de arbeid geen sprake meer zal zijn. En zoals de hele menselijke geschiedenis is gekenmerkt door genade en gericht, zo ook de periode waarin wij ons bevinden. God wil Zijn kerk in deze dagen wellicht opnieuw leren wat het betekent in het leven van elke dag met al zijn Problemen en vragen de gestalte van Christus te vertonen, naar binnen en naar buiten. En misschien worden wij er weer eens bij bepaald dat wij met Gods hulp hier wel tekenen van het kornend Koninkrijk mogen oprichten, maar dat het paradijs hier niet meer kan worden gerealiseerd. Het volkomene komt nog. En onder die belofte moesten we maar naar huis gaan broeders, doende wat wij moeten en kunnen doen, ons oefenend in het moeilijke werk dat op onze ambtelijke weg ligt, wijzend naar de toekomst van Christus. Aan de verwachting van Zijn wederkomst zal, zo God wil, de eerstvolgende ambtsdragersconferentie gewijd zijn. Tot besluit lees ik met U Hebr. 13: 1-21.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.