+ Meer informatie

Diakenenconferentie 1973

8 minuten leestijd

Openingswoord

Broeders, hartelijk welkom op onze landelijke diakenenconferentie !

Dienaren zijn slechts instrumenten; in het beste geval willige en bruikbare, maar ook heel vaak lastige en moeilijk hanteerbare instrumenten. Wat zij mogen bereiken, is te danken aan Hem, die van hen gebruik wilde maken.

In het dienen, waartoe wij in onze kerken geroepen worden, past ons een grote mate van bescheidenheid.

Het eigenlijke werk wordt niet door ons verzet — de laatste hand aan het werk wordt niet door ons gelegd. Wij komen nooit boven het niveau van het stukwerk uit.

Nu behoeft ons dit niet lusteloos of moedeloos te maken, integendeel ! Dienaren hebben geen eigen zaak, hun kracht is juist het geloof in de zaak van hun Heer. En die Heer is de overwinnende Christus door wie zij geroepen zijn.

Deze dienst brengt wel veel zorgen mee, maar de kerk hoeft er niet bezorgd onder te zijn. Wij verdedigen geen verloren zaak en ook zijn wij niet belast met de opdracht de overwinning voor Christus te veroveren of om te proberen een voor het faillissement bestemde onderneming een tijdlang op gang te houden.

Terwijl de tegenkrachten geweldig groot zijn en de kerk duidelijk terrein verliest, mag zij onverdroten voortgaan in het dienen zonder vrees.

En daarvoor hebben wij, zegt Paulus in Romeinen 12, gaven ontvangen, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is.

Met die wij, in vers 6, bedoelt Paulus ongetwijfeld de christenheid, de gemeente, de kerk. Zij vormt de gemeenschap, waarin de naam van Christus wordt beleden en geprezen. Zijn het nu alleen maar doodgewone mensen ? Neen, het is een lichaam. Dat lichaam heeft cen hoofd: de opgestane en verheerlijkte Christus. Dat is de kern van het christen zijn en van de kerk. In beginsel ligt alles vast in Christus. Hij heeft de dood overwonnen. In Hem is het eeuwige leven. De kerk is de gemeenschap met dit Hoofd.

Maar dit lichaam heeft niet alleen een hoofd. Het heeft ook een skelet. Dr. A. A. van Ruler zegt in zijn boekje „Op gezag van een apostel” hiervan zo prachtig: „De ruggewervel is het apostelambt. De ribben zijn de ambten. Door het skelet wordt het lichaam overeind gehouden, krijgt het z’n vorm en z’n vastheid, is het meer dan een klomp vlees. Zo beleven wij ook ons volle plezier in de kerk, als we daarin het skelet van de apostolische ambten hebben opgemerkt. De ambten zijn de organen, waardoor Christus, het hoofd, zijn lichaam regeert en ermee bezig is.

Dat geheel — van het lichaam met het hoofd en het skelet — is die „wij”, van wie gezegd wordt, dat zij gaven hebben. Dat klinkt zonder enige twijfel triomfantelijk. Er zit iets pretentieus in: wij hebben nu gaven ! Niet alleen Christus is iets zeer bijzonders. De kerk is ook iets bijzonders. Zelfs van de christenen, de leden van de kerk, wordt gezegd, dat zij iets bijzonders zijn. Zij hebben wat ! Zij hebben gaven ! Daarom zijn ze ook wat”.

Welke gaven hebben zij dan ? In de allereerste plaats hebben zij de gaven van de genade, die men als christen door de gemeenschap van de kerk deelachtig is.

En verder noemt Paulus in vers 7 dan een aantal gaven op, waarvan ik vanmorgen de gave van het dienen nog graag even naar voren wil halen.

Een christen is geroepen om te dienen. Daarin ligt opgesloten er te zijn terwille van de anderen, vooral ter wille van hen, die in nood zijn en hulp nodig hebben.

In dat dienen ligt persé niet opgesloten het heersen of het iets groots willen zijn. Integendeel, in dit dienen ligt juist het nederige, het zichzelf als zondaar voor God weten. Weten voor eeuwig verloren te zijn, maar door het grondeloze welbehagen van God door zijn genade in Jezus Christus verlost te zijn van de zonde en de verlorenheid. Alleen in dit geloof kun je eigenlijk maar je hele leven slijten in eenvoudige dienst aan anderen of aan het grote geheel van kerk en wereld.

Daar zit ook nog een ander ding in dat dienen. Het evangelie leert ons, niet met verachting op de behoeftige, de gebrekkige, de zwakke, de arme, de hulpbehoevende neer te zien. We moeten juist naar hen omzien. Heel Gods Woord is een illustratie van het feit, dat God omziet naar het verachtelijke volk Israël en in Christus omziet naar een wereld, die in het boze ligt. Er is niets zo gering, nietig of afzichtelijk in de wereld en het leven of het is kostbaar in Zijn oog. Daarom maken wij dat wat zwak en afzichtig in de wereld en het leven is, niet af, maar we verzorgen het. In onze moderne tijd dreigt juist dit element van het dienen geheel verloren te gaan. Wij zijn zo op doelmatigheid ingesteld, dat we de neiging hebben, alles wat economisch tot last is uit te roeien. Denk hier maar eens aan de gehele problematiek rond de abortus en de euthanasie.

Het evangelie leert ons te dienen. Het lage, het eenvoudige, het verlorene, het lastige, het afzichtelijke, het economisch niet nuttige mag niet zonder meer worden opgeruimd. Wij zijn geroepen het te dienen en te helpen. Zo heeft Christus zelf het gedaan. In deze lijdensweken denken wij hier in het bijzonder aan, dat Hij voor ons gestorven is, toen wij nog zondaren waren. Hij is de middelaar, de borg. Hij verzoent onze zonden en onze schuld en staat nu in het midden van Zijn kerk en van Zijn wereld als één die dient.

We kunnen ons afvragen of Paulus hier in vers 7 specifiek aan de ambtelijke diaconie heeft gedacht. We zullen vandaag ongetwijfeld nog wel horen in welke verbanden het woord „diaconie” in het Nieuwe Testament voorkomt en wat de betekenis daarvan is. Ik dacht dat het hier zeer algemeen moest worden opgevat. Maar dat hoeft ons niet te verhinderen vanuit deze tekst lijnen te trekken naar ons dienen in het ambt van diaken. Op-merkelijk is, dat Paulus het dienen onmiddellijk na de profetie op de tweede plaats noemt, zelfs nog voor het onderwijzen. Zit daar ook niet iets in van een opdracht aan ons om juist bij dat dienen de boodschap van het heil uit te dragen en onze arbeid te verrichten in blijmoedigheid en met een bewogen hart, bereid om de troost van het Evangelie mee te delen aan hen die in nood verkeren ?

Broeders, troosten wij de hulpbehoevende nog wel met de troost van het Evangelie ? Raakt dit troosten in ons ambtswerk niet hoe langer hoe meer op de achtergrond. In het laatst verschenen nummer van Ambtelijk Contact heeft prof. Kremer hierover behartenswaardige dingen gezegd en ik zou u willen aanraden dit eens aandachtig te lezen. Tenslotte, broeders, wie dient, moet zich ook geheel en al aan het werk, dat in dit opzicht te doen is, wijden. Hij moet er zich aan geven met zijn gehele hart. En vooral ook zijn gaven en zijn werk invoegen in de opbouw van het gehele lichaam van Christus. Daarbij moeten we wel oppassen, dat we dan weer niet in een ander uiterste vallen. Het dienen is slechts één gave. Er zijn nog veel meer en heel andere genadegaven. We moeten niet doen alsof in de kerk de dienstbaarheid nu werkelijk het één en het al is. Dat gevaar is tegenwoordig levensgroot aanwezig. Men dreigt dan de kerk op te laten gaan in diaconie, ja men beschouwt het diakonaat zelfs als de voornaamste taak van de kerk, waaraan alle andere ondergeschikt dienen te worden gemaakt. Door dit te doen trekken we de gehele zaak scheef. Ik dacht dat we in het oog dienen te houden dat het ambt van de diaken van huis uit wezenlijk verbonden is aan de grote opdracht van de kerk tot de bediening van het Woord van Gods genade in Jezus Christus. Het Woord van God moet beslag krijgen op al meer levens en daartoe dient het predikambt, het ouderlingenambt en ook het diakenenambt.

Als diakenen vertegenwoordigers van de kerk worden, die in woord-loze daden aan de mensen willen laten zien, dat de kerk een toevluchtsoord van de medemenselijkheid is in naam van de solidaire God, die Zich in Jezus Christus heeft geopenbaard, dan ligt de verhumanisering van het evangelie van Christus als een reëel gevaar binnen de mogelijkheden.

Daarom broeders, laten wij in onze arbeid nauw verbonden blijven aan de bediening van het Woord en de sacramenten. Want daar waar dat Woord van Christus uitgaat ligt ons arbeidsterrein. Ik zou het vanmorgen zo willen stellen, wanneer het diakonaat eenvoudig midden in de gemeente functioneert, zijn uitgangspunt neemt bij kansel en avondsmaaltafel en zijn eerste werkterrein vindt in de huizen van de gemeenteleden, dan zal in deze dienst de kerk zichzelf zijn en het beeld van Jezus Christus vertonen. En dan zal in deze weg vanzelf de uitstraling naar buiten, buiten de grenzen van de gemeenten, gegeven worden. Laten wij dan ook steeds bidden, dat

Christus ons door Zijn Geest meer en meer bekwaamd tot de dienst, waartoe Hij ons geroepen heeft en laten wij Zijn naam groot maken en verheerlijken met het psalmvers; „Ik zal, o Heer, dien in mijn Koning noem”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.