+ Meer informatie

DE ROEPING

14 minuten leestijd

Het geloof in woorden

Met enige regelmaat wil ons maandblad aandacht gaan geven aan bijbelse grondwoorden. Om te beginnen is de vraag te stellen waarom dat gedaan wordt.

Wij drukken ons geloof in woorden uit die rechtstreeks aan de Bijbel ontleend zijn, of in de kerkelijke taal gevormd zijn, maar wel een bijbelse achtergrond hebben. Tot de laatste categorie behoort b.v. het begrip sacrament.

Nu zou men kunnen denken, dat er geen toelichting nodig is bij de bijbelse woorden die in onze geloofstaal voorkomen. Maar laten we ons niet vergissen.

Ten eerste kunnen die woorden zo afslijten door het gebruik, dat het klanken dreigen te worden, waardoor velen niet meer aangesproken worden. Met „zonde” is het zo gegaan. Een uitdrukking als „’t is zonde” zegt niet veel.

Ten tweede worden de woorden soms wel in verband gebracht met enkele teksten uit de Bijbel, maar niet met het geheel van de Heilige Schrift. Dan krijgt men misschien wel oog voor bepaalde facetten, maar niet voor de leer van de Bijbel, b.v. over het geloof en de doop.

Ten derde is er in de moderne theologie een herinterpretatie van wat wij geloven en belijden aan de gang, die maakt dat velen die er kennis van nemen, niet meer weten hoe zij het hebben. Ook daar zijn voorbeelden genoeg van te geven. Zo is over gewichtige bijbelse woorden als verkiezing en verzoening heel veel te doen.

Ten vierde is het mogelijk, dat wij bij het lezen van de Bijbel een bril gebruiken, die zo gekleurd is door onze eigen opvattingen, die wellicht op zichzelf respectabel zijn, dat het toch niet goed tot ons doordringt wat de Heilige Schrift zelf eigenlijk zegt.

Er is meer te noemen, maar deze factoren - het oppervlakkige, het biblicistische, het kritische en het traditionalistische omgaan met de woorden waarin de bijbelse boodschap tot ons komt - maken het al begrijpelijk, dat we ons gaan verdiepen in de bijbelse woorden en hun geheim.

Die uitdrukking is van F.J. Pop, die onder deze titel een theologische verklaring gaf van een aantal bijbelse begrippen. Het is een werk dat ook daarom te waarderen is, omdat de auteur zo eerbiedig en heilbegerig - de term is van hemzelf - bij de woorden aanklopt en om toegang vraagt.

Over bijbelse kernwoorden is ook door anderen geschreven, zoals door R. Bijlsma, H.J. Jager, K.H. Miskotte en J. Vos. In 1986 verscheen nog een klein werk met grote pretenties: „Zeven weerbarstige woorden uit het christendom. Zijn ze nog mogelijk?” (red. J. Firet). Het mag wel kritisch gelezen worden.

Kennis van de Bijbel, de belijdenis van de kerk en de hoofdzaken van de gereformeerde geloofsleer is voor ons allen van groot belang, ook met het oog op het doorgeven van de gezonde leer (dat is een nieuwtestamentische uitdrukking - zie b.v. 2 Tim. 4 : 3).

We zouden studie kunnen gaan maken van een aantal bijbelse grondwoorden, die ook in de taal van de kerk als sleutelwoorden functioneren, waarbij we dan speciaal denken aan de wijze waarop ze in de belijdenisgeschriften voorkomen.

In deze serie artikelen bespreken we eerst de roeping en de wedergeboorte, twee woorden met een bijbelse inhoud en een confessioneel gehalte, waaraan ook in de theologie veel beschouwingen gewijd zijn.

We zullen wel constateren dat een bijbels woordenboek, dat de verschillende betekenissen van een woord in het Oude en Nieuwe Testament aangeeft, er een veelzijdiger en gevarieerder beeld van laat zien dan de taalschat van de belijdenisgeschriften.

Maar omgekeerd is de kerk in haar belijdend spreken tot het maken van onderscheidingen en het geven van omschrijvingen gekomen, die we in de Bijbel niet aantreffen. Daarom kunnen ze nog wel bijbels verantwoord zijn, want het is heel goed mogelijk, dat ze hun ontstaan te danken hebben aan het gelovig nadenken over de bijbelse boodschap.

De roeping in het Oude Testament

Roepen is op zichzelf een woord uit het dagelijks leven. Maar als God er het onderwerp van is, als Hij ons roept, is het een woord dat met macht gesproken wordt. Zo gaat het als God de mens die gezondigd heeft, roept om voor zijn aangezicht te verschijnen: En de HERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? (Gen. 3 : 9).

Bij de roeping van Mozes wordt hetzelfde woord gebruikt. God riep hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes! En hij antwoordde: Hier ben ik (Ex. 3 : 4). Aan deze roeping was voor Mozes een opdracht verbonden.

Bij de roeping van Samuël is het niet anders. We lezen in 1 Samuël 3:10: Toen kwam de HERE, bleef daar staan en riep als de vorige keren: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort.

Voor Samuël en voor allen die na hem geroepen worden, zoals de profeten van Israël, komt het erop aan te luisteren naar het spreken van Hem die roept, en gehoor te geven aan zijn woord. Zo roept God in het Oude Testament mensen tot zijn dienst.

In een enkel geval heeft de roeping betrekking op iemand die wordt ingeschakeld bij de volvoering van Gods plan, zonder dat hij het zich bewust behoeft te zijn geweest dat God hem een opdracht liet vervullen in zijn dienst. We denken hier aan Jesaja 48 : 15, waar het over koning Cyrus van Perzië gaat.

Maar dat is een uitzondering, want in de regel blijft de roeping beperkt tot de kring van Gods verbond.

In Jesaja’s profetiën is het een belangrijk thema, dat mensen door de Here geroepen worden. Abraham werd geroepen en gezegend, Israël werd als volk in het aanzijn geroepen en wordt Gods geroepene genoemd (Jes. 51 : 2; 44 : 7; 48 : 12).

In Jesaja 42 : 6 wordt tot de Knecht des Heren gezegd: Ik de HERE, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën.

Maar het mag ons niet ontgaan, dat er enkele plaatsen zijn waar de roepstem van God onbeantwoord blijft. Als Hij ons roept en wij niet komen, wordt ons dat verweten en blijft dat niet ongestraft (Jes. 50 : 2; 65 : 12; 66 : 4).

Gods roeping stelt ons verantwoordelijk.

De roeping in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament valt de nadruk vooral op de roeping tot het heil, dat God in Christus aan zondaren schenkt. Van een roeping tot een bijzondere dienst is minder sprake dan in het Oude Testament, al ontbreekt dit element niet. We denken in het bijzonder aan de roeping van de discipelen door de Here Jezus.

Met behulp van een concordantie of van een werk als dat van F.J. Pop kan men een aantal teksten onder elkaar zetten en met elkaar vergelijken:

Jezus roept zondaars tot bekering (Luc. 5 : 32);

God roept tot gemeenschap met zijn zoon Jezus Christus, onze Here (1 Cor. 1 : 9);

Hij roept tot zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid (1 Thess. 2 : 12);

Hij roept tot het eeuwige leven (1 Tim. 6 : 12);

Hij roept uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2 : 9);

Hij roept in Christus tot zijn eeuwige heerlijkheid (1 Petr. 5 : 10).

De roeping tot de gemeenschap met Christus (1 Cor. 1 : 9) houdt alles in. God geeft zijn volk daarmee deel aan Christus en aan al zijn gaven. Dat brengt wel verplichtingen met zich mee. De roeping tot het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid is verbonden met de roeping om nu te leven met God. Daarom is er de roeping tot de vrijheid (Gal. 5 : 13), de vrede van Christus (Col. 3 : 15) en de heiliging (1 Thess. 4 : 7).

In sommige teksten komt het werkwoord in de tegenwoordige tijd voor, maar heel dikwijls staat het in een verleden tijd (ind. aor). Zo kan enerzijds worden uitgedrukt, dat het geen voorbijgaande fase is, want God blijft roepen, anderzijds dat het geroepen zijn een beslissend feit is.

God roept ons door zijn heerlijkheid en macht (2 Petr. 1 : 3). Dat wil ook zeggen, dat het een daad is waarin Hij zijn heerlijkheid en macht openbaart. Het is ook een daad van ontferming (1 Petr. 2 : 9 en 10).

De roeping geschiedt door middel van het evangelie. Paulus schrijft: Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus.

Als Hij mensen door het evangelie tot Zich roept, heeft dat uitwerking. Daarvoor is naar een groot aantal plaatsen in het Nieuwe Testament te verwijzen.

Door F.J. Pop wordt een goede samenvatting gegeven: Het is die daad Gods, waardoor Hij buiten het heil staanden binnen het heil betrekt. Het is het middel daartoe. Als Jezus, de apostelen of ook in het algemeen de predikers van het evangelie roepen, geschiedt daarin het roepen Gods. In het roepen klinkt de uitnodiging altijd mee. Toch gebeurt er meer dan dat mensen uitgenodigd worden tot deelneming aan het heil. „Het is immers Gòd, die nodigt, en daarom komt in de nodiging of roeping ook al de kracht van zijn heilswil tot de geroepenen; een kracht die hen aangrijpt, losrukt uit hun gebondenheden, vrij maakt om aan de roeping gevolg te geven; een kracht, die hen werkelijk verlost uit de macht der duisternis en hen overbrengt in het rijk van Christus”.

Roeping en verkiezing worden soms in één adem genoemd, omdat achter deze roeping de uitverkiezing staat en wij via het gelovig gehoor geven aan het evangelie, waardoor wij geroepen worden, tot de zekerheid van onze verkiezing komen. We denken aan 2 Timotheüs 1 : 9 en 2 Petrus 1 : 10. Zie ook Openbaring 17 : 10: zij die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen.

In kerk en theologie heeft vooral Romeinen 8: 28-30 veel betekenis gekregen. Zij die God liefhebben zijn het die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. In een commentaar wordt erbij opgemerkt, dat dit roepen niet op zichzelf staat. Het is opgenomen in, het is de openbaring van een alomvattend verband van goddelijke heilsoverleggingen en heilswerken, dat door de apostel voorgesteld wordt als een keten, waarvan de schakels onwrikbaar aaneengesmeed zijn. Uit de verkiezing van eeuwigheid vloeit als eerste daad van God in de tijd de roeping voort, „het krachtige, effectieve roepen Gods door de verkondiging van het evangelie” (H. Ridderbos).

Wie na dit alles Mattheüs 22 : 1-14 leest en nadenkt over het slot van de gelijkenis: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren, ziet zich voor een probleem gesteld. Er zijn mensen die geroepen en toch niet uitverkoren zijn. Dat blijkt uit hun reactie op het evangelie.

In de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal staat roepen gelijk met nodigen. In de verzen 3, 4, 8 en 9 kiest men in de vertaling meestal voor „nodigen” en in vers 14 voor „roepen”. Ook daar is de andere weergave mogelijk: Want velen zijn genodigd, maar weinigen uitverkoren.

Zij die eerst genodigd werden, wilden niet komen, maar moeten daarvoor boeten. Een uitnodiging van de Koning is niet vrijblijvend! Dan worden de mensen van de straat uitgenodigd. Niemand is er te slecht voor. Het gaat er alleen maar om, dat de Koning mensen die er niet voor in aanmerking lijken te komen, een plaats gunt in de feestzaal. Dat is een aanduiding van het wonder van de genade. Maar dan zit er een verkeerde tussen de gasten, een man zonder bruiloftskleed. We denken aan iemand die de roeping van God op een andere wijze beantwoordt dan in geloof en bekering. Hij blijft zichzelf. Hij wil het kleed van de begenadigden niet dragen.

God zorgt er dus zelf voor, dat de nodiging tot zijn heil niet voor niets uitgaat. Er is een ruim evangelie. Maar laten wij er ernst mee maken en het niet misbruiken.

De roeping in onze belijdenis

Nadat Calvijn Mattheüs 22 : 14 heeft geciteerd, spreekt hij over een tweevoudige roeping (Institutie, III, 24, 8). De verschillende reactie op de nodiging door het evangelie, waarvan de gelijkenis spreekt en die wij telkens kunnen waarnemen, heeft hem en de gereformeerde theologie ertoe gebracht onderscheid te maken tussen een algemene en een bijzondere roeping of tussen een uiterlijke en een innerlijke roeping.

Er zou op die termen wel wat aan te merken zijn. We laten dat rusten om erop te letten, dat deze onderscheiding in wezen ook terug te vinden is in onze belijdenis.

Volgens de Dordtse Leerregels (hoofdstuk III/IV, 8-10) roept God altijd ernstig door het evangelie. Want God betoont ernstig en waarachtig in zijn Woord, wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen tot Hem komen.

Maar hoewel het evangelie bediend wordt en Christus daardoor aangeboden wordt, komen sommigen niet. Zij bekeren zich niet.

Zijn zij die wel komen, beter of gewilliger dan de anderen? Dan zou het geloof van de mens daaruit te verklaren zijn. Maar zo is het niet. Men moet het aan God toeschrijven, die de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus en hen zo ook in de tijd krachtig roept en met het geloof en de bekering begiftigt.

Zie voor de ernstige roeping ook Dordtse Leerregels, I, 3 en II, 5 en voor de krachtige of krachtdadige roeping I, 7.

Dit is een onderscheiding en geen scheiding. Er is ook geen verschil in de ernst en de inhoud van de roeping. Tot allen wordt gezegd - om van de vele Schriftwoorden er maar twee aan te halen (Jes. 45 : 22 en 2 Cor. 5 : 20): Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen.

De uitwerking van de roeping is wel verschillend. Calvijn zegt: De gelovigen gevoelen de kracht van het evangelie, maar de anderen verkrijgen er geen vrucht uit.

Van ons uit gezien staat het zo, dat wij door de ernstige roeping voor de beslissing gesteld worden. We kunnen ongelovig en ongehoorzaam blijven, maar daar is geen verontschuldiging voor.

In het licht van Gods Woord is eraan toe te voegen, dat niemand gehoor zou geven aan de ernstige roeping, als er geen mensen waren die God krachtig riep door zijn Woord en Geest. Zij zeggen met de apostel Paulus: God heeft ons behouden en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is vóór eeuwige tijden (2 Tim. 1 : 9).

Het ging over de roeping zoals men haar in de leer van het heil en in de leer van de heilsorde gewoon is te bespreken. Er zijn vanuit wat de Schrift zegt over de roeping tot de dienst van God ook lijnen te trekken naar de roeping tot het ambt.

Behalve in de kerkorde en in de bevestigingsformulieren wordt het woord roeping ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis in verband met de ambtsdragers gebruikt.

De roeping tot het ambt is een onderwerp dat hier onbesproken blijft. Daarbij zouden weer andere vragen en onderscheidingen aan de orde moeten komen. De opmerking mag nog wel gemaakt worden, dat er een direct verband is tussen de ene en de andere roeping.

Van de gelovigen, die geroepen zijn tot de gemeenschap met Christus (1 Cor. 1 : 9) en die allen deel hebben aan de Here Christus en al zijn schatten en gaven (Heid.Cat., Zondag 21), zijn er die via de gemeente geroepen worden tot een bijzondere dienst in het kerkelijk leven. Ook dat is een geroepen worden door de Here, die ons dan bij de roeping een opdracht geeft.


Dit is een uitgebreid nummer van Ambtelijk Contact. Er wordt een begin gemaakt met een nieuwe rubriek die met regelmaat zal verschijnen. We hopen dat deze artikelen geschikt zijn voor bespreking op een kerkeraadsvergadering. We zouden het op prijs stellen, als hiertoe een poging werd gedaan. Misschien mag de redactie er op de een of andere wijze ook eens iets van horen.

Ds. Van der Schaaf gaat in op bezwaren die tegen zijn artikel werden ingebracht. Br. W. Steenbergen jr. schreef een uitvoerige beschouwing. Wij hopen dat hij met dit antwoord zijn vragen serieus genomen weet.

Verder plaatsen we een reactie op de reactie van twee redacteuren op „Verder in Vertrouwen”. De beide scribenten gaan op deze reactie in. Hiermee is deze discussie gesloten. Ook worden nog vragen beantwoord die zijn blijven overstaan van de laatste ambtsdragersconferentie.

Al met al een dik nummer. Er is geen najaarsconferentie. Daarvoor hebben we geen extra ruimte nodig. Het Comité stemde er mee in dat we met een extra dik nummer uitkomen. De redactie hoopt dat de omvang geen verhindering is om van de inhoud kennis te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.