+ Meer informatie

ALEXANDER COMRIE

6 minuten leestijd

(VI).

Comrie als dogmaticus

Eigenlijk heeft Comrie slechts drie dogmatische werken het licht doen zien: de „Verklaring van de Heidelbergse Catechismus" (zondag 1—7), de „Missive over de Reehtvaardigmaking" en de „Brief over de Reehtvaardigmaking". Comrie's dogmatische inzichten zijn echter ook te vinden in zijn praktikale en polemische geschriften, niet het minst in het „Examen van Tolerantie", dat hij in samenwerking met Nicolaus Holtius heeft geschreven.

Als Schriftuurlijk, Reformatisch godgeleerde behoefde Comrie geen eigen dogmatiek te ontwerpen. Hij kon verder bouwen op de grondslag die kerkvaders, reformatoren en mannen van de Nadere Reformatie reeds hadden gelegd. Van de kerkvaders citeert hij vooral Augustinus, van de hervormers Luther en Calvijn; van de Engelse en Schotse theologen beroept hij zich het liefst op Owen, maar ook op Boston en Rutherfort; van de Hollanders haalt hij Voetius, Lodenstein en Witzius met instemming aan.

Comrie was echter te oorspronkelijk om klakkeloos na te praten, wat anderen vóór hem hadden gezegd. Hij had de moed om op bepaalde punten met geestverwanten van mening te verschillen, maar ook om tegenstanders op sommige punten gelijk te geven.

Daarbij had Comrie een natuurlijke afkeer van twisten over zaken, die van weinig of geen belang waren of clie sinds lang hun betekenis hadden verloren. De geschillen tussen Voetianen en Coccejanen en de dwalingen van de Hattemisten, die in de tijd vóór hem zoveel stof hadden doen opwaaien, liet hij onaangeroerd. Hij zag andere gevaren die cle Kerk bedreigden en daarop richtte hij zijn pijlen. Daardoor zijn Comrie's dogmatische werken in hoge mate aktueel. Comrie handelt, ook in zijn gedrukte preken, bij voorkeur over het geloof. Men denke slechts aan „Het ABC des Geloofs", cle „Eigenschappen des Geloofs" en aan de zo bekend geworden Zondag 7 van de Heid. Cat., clie later afzonderlijk is uitgegeven.

Het was niet overbodig clat Comrie het leerstuk van het geloof aan cle orde stelde. Er bestond onder de Gereformeerde theologen weinig eenstemmigheid over deze zaak en van de studeerkamers der predikanten, waar ze eigenlijk hadden moeten blijven, waren deze geschillen overgewaaid naar de gezelschappen der vromen, en ook daar brachten ze verwijdering en verbittering teweeg. Zelfs in Woubrugge, waar nog kort tevoren een geestelijke opwekking had plaats gehad, waren er, naar Comrie's eigen getuigenis „naderhand nutteloze strubbelingen gekomen over het beginsel van Gods zaligmakend werk in het hart der uitverkorenen en of ze zich met Christus verenigd hadden."

Naar aanleiding van deze geschillen heeft Comrie op de kansel en in zijn geschriften uitvoerig en diepgaand over de natuur, de eigenschappen, de werkzaamheid en de vruchten van het geloof gehandeld. Een belangrijk geschilpunt was bijvoorbeeld of het geloof aan de wedergeboorte vooraf gaat, dan wel of het erop volgt. Wilh. a Brakel had het eerste geleerd: „Het geloof gaat voor de wedergeboorte, wel niet in tijd, maar in orde der natuur." Comrie zag wel in, clat Brakel, hoewel onbedoeld, hier de deur openzette voor een dwaling, namelijk dat cle mens door zijn geloof zijn wedergeboorte zou kunnen bewerken, en hij koos met beslistheid het andere gevoelen: „Het eerste werk des Geestes in een zondaar is de wedergeboorte, dat is een herschepping in Christus Jezus, waardoor hij uit de dood in het leven overgaat." Het geloof echter wordt, volgens Comrie, bij de wedergeboorte ingestort: „De Heilige Geest werkt het geloof in onze harten en verenigt ons door dat geloof met Christus."

Comrie wenste evenwel onderscheid te maken tussen het geloof, clat bij cle wedergeboorte wordt ingestort en het geloven als werkzaamheid van de gelovige. Hij duidde het eerste aan met het Latijnse woord habitus, het tweede met actus, welke woorden hij met cle minder fraaie termen „hebbelijkheid" en „dadelijkheid" vertaalde. Evenals er verschil is tussen het gehoor als zintuig en het horen als waarneming, zo is er ook verschil tussen de habitus als vermogen om te geloven, en de actus als werkzaamheid, als activiteit.

Hoewel het geloof reeds in de hebbelijkheid volkomen is, moet de gelovige er naar staan, het geloof in cle dadelijkheid te oefenen. „Het is volkomen door de bovennatuurlijke werking des Geestes, maar het komt tot dadelijkheid naar de mate van gewaarwording." Al heeft iemand nooit iets zoets geproefd, daarom kan toch zijn smaak wel volmaakt zijn. Zo kan dus iemand die het geloof in de hebbelijkheid bezit, niet meer verloren gaan.

Comrie heeft zijn best gedaan tot bijlegging van de geschillen, doch het middel is haast erger geweest dan de kwaal. Zijn enigszins filosofische onderscheiding tussen de habitus en de actus heeft veel tegenstand ondervonden en zo zij al aanvaard werd, dan begon men weer te twisten over de vraag of de habitus wel voldoende is tot zaligheid.

Ook over de reehtvaardigmaking heeft Comrie zich duidelijk uitgesproken. Hij was terecht van mening dat cle Kerk met dit leerstuk staat of valt.

Sommige levensbeschrijvers van Comrie doen het voorkomen alsof hij de eerste zou zijn geweest, clie een zogenaamde „reehtvaardigmaking van eeuwigheid" heeft gesteld. Dat is onjuist: ook in de 17de eeuw hebben Gereformeerde theologen dit gevoelen verdedigd. Wilh. a Brakel echter heeft zich ertegen verzet en ook Comrie wilde aanvankelijk niet van een reehtvaardigmaking van eeuwigheid weten. Door zijn vriendschap met Holtius is Comrie tot andere gedachten gekomen en heeft hij ruiterlijk erkend, clat hij cle zaak voorheen minder duidelijk had gezien. Comrie onderscheidt dan vierderlei reehtvaardigmaking.

le. De reehtvaardigmaking van eeuwigheid in het besluit Gods. 2e. De reehtvaardigmaking van de ganse Kerk in de

opstanding van Christus uit de doden. 3e. De dadelijke rechtvaardigmaking door toerekening van de gerechtigheid van Christus. 4e. De lijdelijke rechtvaardigmaking in cle vierschaar van het geweten.

Met deze voor ons soms subtiele onderscheidingen bedoelde Comrie alleen maar de absolute soevereiniteit Gods in het zaligen van zondaren te verdedigen. Hoewel hij een vredelievend man was en dikwijls bereid was, een eind weegs met zijn tegenstanders mee te gaan, kwam hij dadelijk in verzet, wanneer hij Arminiaanse of Pelagiaanse gevoelens meende te ontdekken. Daarbij had hij én naar links én naar rechts de strijd te voeren. Enerzijds zag hij immers de rationalistische theologie opkomen als een bedreiging van het Reformatorisch beginsel; anderzijds bemerkte hij bij de ware vromen een langzaam binnensluipen van allerlei onschriftuurlijke meningen. Hij is noch in de woestijn van het objectivisme, noch in het moeras van het subjectivisme verdwaald. Daardoor is hij een van de grootste theologen uit de 18e eeuw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.