+ Meer informatie

KAN GOD BEROUW HEBBEN?

8 minuten leestijd

EEN LASTIGE VRAAG

De meeste menen zijn geneigd de vraag in de titel van dit artikel direct ontkennend te beantwoorden: natúúrlijk kan God geen berouw hebben, anders was Hij geen God. Het is typisch iets voor een mens om berouw te kunnen hebben. Onder berouw verstaan we spijt of leedwezen over iets waarvan je zegt: dat was kwaad, dwaas, zondig; als ik beter nagedacht had zou ik het zo niet gezegd of gedaan hebben. Achter berouw ligt meestal iets van zondige onwil of schuldige onwetendheid. En dat kan toch onmogelijk van God worden gezegd? Maar tot onze verrassing spreekt het Oude Testament meer dan 35 keer onbekommerd over het berouw van God. Maar zegt de Schrift zelf niet dat er bij de HERE, de Vader der lichten, geen verandering is of zweem van ommekeer (Jak. 1:17)? Het lijkt er op dat de Bijbel op dit punt zichzelf tegenspreekt. Dan voel je de geloofsgrond onder je voeten wankelen: een God, die berouw kan hebben, is ten diepste onberekenbaar en willekeurig. Onzekerheid of zelfs angst zijn het gevolg.

WEGVERTALEN

Al vroeg in de kerkgeschiedenis zien we dat mensen moeite hadden met de notie van Gods berouw. De allereerste vertaling van het Oude Testament, de Griekse Septuaginta, vertaalde het probleem gewoon weg: in plaats van ‘berouw’ werd bijvoorbeeld ‘genadig zijn’ vertaald. Typerend is ook de mening van de joods-Alexandrijnse geleerde Philo, een tijdgenoot van Jezus. Hij stelde in een geschrift over de onveranderlijkheid van God dat het de grootste goddeloosheid is om te beweren dat God emotionele eigenschappen heeft. Als reeds de wijze filosoof boven de wispelturigheid verheven is, hoeveel te meer is God dat dan. Bovendien is de goddelijke kennis volmaakt. Het gebrekkige spreken van de Schrift (mensvormig spreken over God) is het gevolg van Gods aanpassing aan ons mensen. God is als een arts die juist omdat hij graag wil genezen, ook wel eens ‘bedrieglijk’ spreekt. Als er staat geschreven dat God toornt, is dit niet in waarheid zo, maar dan handelt God zoals een vader die slechts schijnbaar zijn kind haat. Ook als er staat dat God berouw heeft, is dan niet echt zo. Aldus Philo.

GOD HEEFT BEROUW OVER SAUL

En nu de Bijbel. Een duidelijk voorbeeld vormt het tekstgedeelte 1 Samuël 15. Saul krijgt de opdracht om Amalek totaal met de ban te slaan (vss 1–9). Echter alleen het ondeugdelijke wordt geslagen, de rest wordt als buit meegevoerd. Sauls sparen van de Amalekitische vorst Agag tekent tevens zijn eerzucht: zo’n gevangen koning oogt goed bij de zegepraal. Ondertussen wordt op deze wijze Gods gebod veronachtzaamd. Pas nadat Samuël herhaaldelijk aangedrongen heeft (vss 14, 16–19, 22–23) geeft Saul dit toe (vs 24). De breuk is niet meer te helen. Een signaal daarvan is de afgescheurde slip (vs 27) en de gescheiden wegen aan het slot van de geschiedenis (vs 34).

God zegt: ‘Het berouwt Mij, dat ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd’ (vs 11). Ook het slotwoord van dit hoofdstuk (vs 35) vermeldt Gods berouw over het koningschap van Saul: ‘En de HERE had berouw, dat Hij Saul tot koning over Israël had aangesteld’. God heeft berouw, niet omdat Hij iets verkeerds heeft gedaan, maar omdat Saul iets verkeerds heeft gedaan. Het berouw van God markeert het einde van zijn verkiezend handelen aan Israël via Saul. Maar tegelijk neemt God het besluit dat Israël een koningschap zal kennen (1 Sam. 8:7, 9, 22) niet terug! In vers 28 wordt Saul aangezegd dat het koninkrijk van Israël door God niet opgeheven wordt, maar aan een ander, een betere vorst (David), gegeven zal worden. Hier zien we dus wat Gods berouw inhoudt: een verandering in Gods handelwijze, een gedeeltelijk terugkomen op een gedane zaak, om deze zaak des te beter voort te kunnen zetten.

SAUL MOET NIET DENKEN DAT GOD BEROUW HEEFT

In hetzelfde hoofdstuk 1 Samuël 15, tussen de woorden over Gods berouw van vers 11 en vers 35 in, staat een tekst waarin gesteld wordt dat God géén berouw heeft. Vers 29: ‘Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben’. Hoe is dit mogelijk in een en hetzelfde schriftgedeelte? Uit het voorafgaande blijkt, dat Saul een tamelijk goedkope schuldbelijdenis aflegt in de trant van ‘zand erover’ (vs 24v). Saul heeft weinig begrip van God en trekt God in het menselijke vlak. Hij wil het op een akkoordje gooien. Je vergist je deerlijk, Gods oordeelswoord (vs 28) dat een ánder over Israël koning zal zijn, is diepe ernst (vs 29), zo prent de profeet de koning in. God is niet te vermurwen, Hij komt op dit woord niet terug. God is niet als een mens, oppervlakkig, onstandvastig, dat Hij het ene moment zus en het andere moment zo spreekt.

AANVULLEND EN NIET TEGENSTRIJDIG

Zo heeft de notie van Gods berouw in 1 Samuël 15 twee kanten die beide waar zijn, die elkaar niet corrigeren maar aanvullen. Aan de ene kant dat God berouw heeft over Saul (vss 11, 35) — maar dit betekent geen willekeur of onzekerheid (vs 29). Aan de andere kant dat God geen mens is, om te liegen en zijn woord te berouwen (vs 29) — maar dit betekent niet dat God niet kan reageren, en zijn manier van handelen kan wijzigen (vss 11, 35). Samengevat: Gods berouw is werkelijkheid, een reactie op de menselijke schuld — maar dit berouw is niet zoals het menselijke berouw wispelturig of willekeurig.

BILEAM TER VERGELIJKING

Precies dezelfde gedachte vinden we in Numeri 23:19, middenin de geschiedenis van Bileam. Balak troont Bileam mee van het ene punt naar het andere, in de hoop dat deze beroepsvervloeker toch vooral Israël daar beneden in het dal niet zegenen, maar vervloeken zal. Wellicht zal het de volgende keer lukken, zo redeneert Balak. Zo zou je het inderdaad bij de dienstknecht van een willekeurige godheid kunnen proberen. Maar de God die Bileam laat spreken is anders. ‘God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?’ (vs 19). U hoeft echt niet te denken o Balak, zo zegt Bileam, dat God die mij de zegen over Israël laat uitspreken daar even later in berouw op terugkomt. Hij is God en geen mens. Evenmin als in 1 Sam. 15:29 betekent dit dat God geen berouw kan hebben, maar wel dat God niet op menselijke wijze berouw kan hebben.

CONCLUSIE

Een vergelijking met andere plaatsen waar in de Bijbel sprake is van God berouw leidt tot de conclusie dat Gods berouw niet hetzelfde als menselijk berouw is. Wel is er een zekere overeenkomst, namelijk dat berouw een verandering in handelwijze met zich meebrengt en gepaard kan gaan met hevige emoties (zie bijv. Gen. 6: 6). Maar groter nog is het verschil: Gods berouw komt nooit voort uit het besef van tekortkoming, of schuldige onwetendheid. De vertaling ‘berouw’ in onze bijbelvertalingen moet dan ook als een noodvertaling beschouwd worden. Een groot aantal teksten geeft expliciet aan dat het onjuist is Gods berouw op één lijn met menselijk berouw te stellen (Num. 23; 1 Sam. 15; Hos. 11; Hebr. 6:18; Tit. 1:2 en Jak. 1:17). De twee ‘reeksen’ van Gods berouw en van Gods onberouwelijkheid zijn niet tegenstrijdig, maar vullen elkaar aan. De reeks over Gods berouw geeft aan, dat de HERE een levende God is, die kan reageren op de mens, en geen statische abstractie; de reeks over Gods onberouwelijkheid geeft aan, dat dit berouw van God geen willekeur inhoudt en dat in alles Gods heilsplan onverminderd voortgaat.

Met een enigszins gebrekkige vergelijking zouden we kunnen denken aan twee termen uit de krijgskunst: strategie en tactiek. De strategie is het totaal-plan, compleet van de fase van de gereedstelling tot en met de omschrijving van de krijgsdoelen. De tactiek omvat het geheel van krijgsverrichtingen die erop gericht zijn de strategie te kunnen realiseren. Tijdens de strijd kan de tactiek vele malen wisselen, terwijl een goed krijgsheer toch vasthoudt aan zijn strategie. Zo zou je de bijbelse notie van het berouw van God min of meer kunnen beschouwen: het betreft handelingen op het vlak van de tactiek (God heeft berouw), terwijl het grote strategische plan vaststaat (God kan geen berouw hebben).

DE LEVENDE GOD

Groot is de betekenis van de prediking aangaande Gods berouw. Deze vormt niet een struikelblok maar een parel in de bijbelse Godsopenbaring. Hierdoor wordt duidelijk dat elke abstrahering of vergeestelijking van het beeld dat wij van de HERE God hebben, onmogelijk is — omdat God de levende is. Hij is niet de onbewogen Beweger van Philo, een computer-God van ijskristal. Hij is ook niet een God tegen wie je kunt jij-en en jou-en. Hij is de bewogen Heer die in zijn levende omgang met deze wereld en in het bijzonder met zijn volk, zijn weg gaat, niet statisch maar nabij-reagerend, terwijl Hij Zichzelf blijft in zijn heiligheid en liefde.

Literatuur:

H.G.L. Peels, Wie is als Gij? Schaduwkanten van het oudtestamentische Godsbeeld, Boekencentrum: Zoetermeer, 2007, ISBN 978 90 239 1881 3, hoofdstuk 4

Prof. Peels (1956) doceert in Apeldoorn de oudtestamentische vakken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.